Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aap - (zoogdier (Simiae))

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Voor aap staan

Apen hebben in de Nederlandse taal een slechte reputatie. Brutale jongens zijn ‘snotapen’ of ‘apen van jongens’. Niemand wil graag ‘voor aap staan’, ‘een gezicht als een aap hebben’, of als ‘aangeklede aap’ of ‘baardaap’ worden betiteld. Die veelheid aan minder vleiende uitdrukkingen is ontstaan doordat apen werden beschouwd als een lelijker en onbeschaafd evenbeeld van de mens’.

Apenliefde
Het woord aap wordt al gebezigd in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde, waarin “Mertijn die aep” de oom van Reynaert is. Het woord is Germaans, het komt ook voor in het Duits (Affe) en Engels (ape). Waar het woord uiteindelijk vandaan komt weten we niet, maar omdat apen in deze contreien niet inheems zijn, zal het woord al vroeg uit een andere taal zijn geleend.
In Van den vos Reynaerde treedt ook de “apinne Rukenau” op, de tante van Reynaert. Zij is letterlijk apetrots op haar kinderen, en daarvan weet de sluwe vos handig gebruik te maken; hij vleit haar met de woorden “Hoe lieflic sijn si ende hoe scone!” Begin zeventiende eeuw wordt de uitdrukking ‘Aap, wat heb je mooie jongen’ een spottende karakterisering voor iemand die zich door vleien uit een moeilijke situatie redt.
In vroeger eeuwen geloofde men dat apen zó veel van hun jongen hielden dat ze die dooddrukten. Jacob Cats rijmde in 1618: “Een aap uit al te groote min, die perst zijn jong de lenden in”. Van deze misvatting komt het woord apenliefde: een blinde liefde die meer kwaad dan goed doet. Terwijl apenliefde al sinds 1779 wordt gebruikt, is apetrots amper vijftig jaar oud. Namen van dieren worden vaker als versterking gebruikt, denk aan beresterk.

Scharminkel
Een iets jongere, maar inmiddels weer verouderde benaming voor ‘aap’ is siminkel of s(ch)eminkel. Het is een verkleinwoord van simme, dat ontleend is aan het Latijnse simia en ook ‘aap’ betekende. Simia is afgeleid van het Latijnse woord simus (‘stompneuzig’, een Grieks leenwoord).
In een grafelijke rekening van 1399 is sprake van “Enen speelman die mit eenre scemynkel speelde voir minen here”, dus: een artiest die met een aap een act opvoerde voor de graaf. In de Lage Landen dienden apen destijds als vermaak voor de adel. Net als aap kreeg het woord scherminkel of scharminkel een negatieve lading: het werd als scheldwoord gebruikt, en in de loop van de zeventiende eeuw ging men er een broodmager mens of dier mee aanduiden. Alleen die afgeleide betekenis heeft de tand des tijds doorstaan.

Tekenaap
Op 10 oktober 1795 plaatste vendumeester C. van den Dries in de Rotterdamsche Courant een advertentie waarin hij aankondigde dat hij “heden morgen [begint] met het verkopen der schilderyen en liefhebberyen, waaronder [...] een fraaye Engelsche pantograph of Teekenaap”. Een tekenaap is een toestel om een tekening op een andere schaal over te brengen. Waarom wordt dat zo genoemd? Is het zo’n lelijk werktuig? Nee, de naam verwijst naar het feit dat dankzij de tekenaap de oorspronkelijke tekening makkelijk kan worden nagebootst oftewel ‘nageaapt’.
Het toestel is in 1603 uitgevonden door de Duitse jezuïet en geleerde Christoph Steiner, die er een boek over schreef: Pantographice, seu Ars Delineandi res quaslibet per parallelogrammum lineare ‘de kunst van het overtekenen met behulp van een parallellogram’ – van deze titel is de naam van het werktuig afgeleid. Letterlijk betekent pantograaf ‘alles-tekenaar’. Terwijl het Frans en Engels alleen het geleerde woord pantograaf kennen, prefereert het Nederlands de inheemse benaming tekenaap. Ook het Duits kent een eigen woord: Storchschnabel, letterlijk ‘ooievaarssnavel’.

Apenstaartje
De jongste loot aan de apenstam is het apenstaartje, dat in ieder e-mailadres voorkomt. Dit teken, in het Engels at of at sign, is een oude Italiaanse koopmansafkorting voor amfora, een inhoudsmaat van 26 liter. In het Engels verschoof de betekenis naar ‘at (the cost of)’, overeenkomend met het Latijnse ad en het Franse à.
In 1971 werd het nog maar weinig gebruikte symbool door de Amerikaanse programmeur Ray Tomlinson ingevoerd in de voorloper van internet. Internet en e-mail deden in 1991 hun intrede en vonden vanaf 1995 op grote schaal ingang. In kranten uit dat jaar moest nog worden uitgelegd: “Een e-mailadres begint met de naam – of een afkorting daarvan. Daarna het zogenaamde apestaartje (@) en daarachter de naam van de Internet-aanbieder, gevolgd de landencode, voor Nederland is dat nl.”
Vanaf dat moment was het apenstaartje voor iedere computergebruiker een begrip. De verwijzing naar een aap is in dit verband niet uniek voor het Nederlands: hij komt ook voor in het Afrikaans (aapstert) en het Duits: Klammeraffe (‘slingeraap’), ook wel Affenschwanz. Vroeger kenden ook Engelstalige landen de benaming monkey tail of ape tail, en gezien het Angelsaksische overwicht in de computerbusiness, zal dat wel de oorspronkelijke bron van de naam zijn.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Voor aap staan’, in: Onze Taal 10, 286]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aap zn. ‘zoogdier (Simiae)’
Mnl. aep [ca. 1470; MNW].
Os. apo; ohd. affo (nhd Affe); nfri. aap; oe. apa (ne. ape); on. api (wrsch. een leenwoord); < pgm. *apa(n) ‘aap’.
Buiten de Germaanse talen bestaan geen zekere verwanten. De Slavische vormen met op (bijv. Russisch opica; Tsjechisch opice; Sorbisch vopica) zijn misschien aan het Germaans ontleend. Hoogstens de vorm Keltisch abránas (accusatief mv.) in een glosse bij Hesychios zou verwant kunnen zijn, als het niet een onbetrouwbare vorm betrof. Het Germaanse woord zou dan een vroege ontlening aan het Keltisch kunnen zijn. Dat wordt echter minder wrsch. als men bedenkt dat de moderne Keltische vormen leenwoorden uit het Engels zijn: Iers apa en Welsh ab. Daar het dier in Noord-West-Europa niet inheems is, ligt ontlening aan een andere taal voor de hand. Kluge noemt Sanskrit kapí, dat volgens hem ook in Semitische talen, in het Grieks en Latijn voorkomt. Het verlies van de beginconsonant zou in het vulgair Arabisch hebben plaatsgevonden. Hij baseert zich op Littmann (1924, 84-85) en Lokotsch (1927, 24-25). Dit is een uiterst speculatieve hypothese. In bijv. het Egyptisch Arabisch verandert een begin-q weliswaar in een glottisslag, maar in geen enkel Arabisch woordenboek komt het woord qaf (het Arabisch kent geen -p-) in de betekenis ‘aap’ of ‘roodbruin’ voor. In het Hebreeuws bestaat wel qof ‘aap’. De verklaring is zo aanvechtbaar omdat klankveranderingen die uitsluitend voor het Arabisch geattesteerd zijn, op woorden uit oudere Semitische talen worden geprojecteerd. Het gaat dus om het transponeren van klankwetten. Men veronderstelt als het ware dat een Feniciër de -q- van het Indische woord als een glottisslag hoorde.
In het Middelnederlands komt ook simme, simminkel ‘aap’ voor, dat teruggaat op Latijn sīmia, resp. op het verkleinwoord *sīmiuncula, zie → scharminkel. In de betekenis ‘(brutaal) kind, rakker’ wordt aap al in de 16e eeuw gebruikt.
Lit.: O. Schrader (1917-23) Reallexikon der indogermanischen Altertumskunde, I Berlin/Leipzig, s.v. Affe

EWN: aap zn. 'zoogdier (Simiae)' (ca. 1470)
ANTEDATERING: recht als die aep hoer pater noster leest 'precies zoals de aap zijn rozenkrans prevelt' [1437; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aap* [zoogdier] {aep 1451-1500} oudsaksisch apo, hoogduits Affe, engels ape, oudnoors api; etymologie onbekend. Buiten het germ. oudiers abac [dwerg], middelwelsh afanc [waterbeest], tsjechisch opice, russisch opica; de slavische vormen waarschijnlijk ontleend aan het germ. De uitdrukking aap, wat heb je mooie jongen is ontleend aan Reynaert II, waar Reynaert mooie praatjes houdt als hij in het hol van een afzichtelijke aap belandt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aap 2 znw. m. ‘stormbezaanstagzeil’, treedt eerst in de 18de eeuw te voorschijn, naast aapzeil. — Het woord zal wel een schertsende aanwending van aap 1 zijn.

aap 1 znw. m., mnl. āpe, aep, os. apa, ohd. affo, oe. apa, on. api; daarnaast het vr. apin, vgl. mnl. apinne, ohd. affin, affinna, on. apynja.

Het woord is stellig van vreemde oorsprong, uit welke taal is onbekend. Men vergelijkt de keltische glosse bij Hes. abranas en neemt aan dat dit gelezen zou moeten worden ab(b)anas. Dan zou dit woord nog voor de klankverschuiving ontleend zijn; vgl. Schrader, BB 15, 1889, 287. Eerder is te denken aan een ontlening uit het Oosten en dan komt in aanmerking russ. opica, oudboh. opice, ofschoon anderen deze woorden juist uit het germ. willen afleiden. — Zie ook: scharminkel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aap znw., mnl. āpe, aep m. = ohd. affo (nhd. affe), os. apo, ags. apa (eng. ape), on. api m. “aap”. Een vorm met p ook in het Slav.: oudruss., slov. opica, čech. opice, sorb. vopica “aap”, wellicht uit het Germ. ontleend. Als in de Hesychius-glosse abrana; Keltoì toùs kerkopithēkous *ab(b)anas gelezen moet worden, zou men aan ontleening van germ. *apan- uit het Kelt. (vóór de klankverschuiving!) of desnoods aan oerverwantschap kunnen denken. Wsch. is het germ. woord ontleend, maar de oorsprong is niet bekend. Men heeft o.a. aan samenhang met oi. kapí-, gr. kēpos, egypt. kefu “aap” gedacht (onwaarsch.). Voor een jonger leenwoord voor “aap” zie scharminkel. Het vr. znw. apin, mnl. āpinne = ohd. affin, affinna (nhd. äffin), on. apynja (naast on. apa) v. “apin”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aap. Bij de woorden voor ‘apin’ moet on. apa, als onzeker, wegvallen; daarentegen verdient naast ohd. affin, affinna de vorm ohd. affa vermelding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aap m., Mnl. ape, aep, Os. apo + Ohd. affo (Mhd. en Nhd. affe). Ags. apa.(Eng. ape), On. api (Zw. apa. De. abe) + Ier. & Gaël. apa, Oru. opica, Boh. opice. Wellicht is het woord van Ind. oorspr. (Skr. kapiṣ), en overgegaan eenerzijds in ’t Hebr. qōph, Egypt. qefu, anderzijds in ’t Gr. kẽpos, en derderzijds met aphaerese der k in de Noord-Eur. talen. — In de bet. van opgespaarde geldsom slaat op de spaarpotten in den vorm van apen. In de aap kijkt uit de mouw zinspeelt men op de rondreizende grappenmakers die hun aapjes in hun wijde mouwen verborgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

aap zn. m.: kiel. Verkort uit apenrok, eig. ‘kort jasje waarmee een aap aangekleed wordt’, vandaar ‘kiel’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

aangeklede aap, badaap: lelijk, bespottelijk persoon. Vaak iemand die opzichtig gekleed is, als een kermisaap. Reeds vermeld door Harrebomée. Minder frequent is aangeklede zeekoe (opgetekend in Forum, 1980).

Hij is niet zoo een aangekleede aap als die Fransche luitenant. (Het Centrum, 07/05/1919)
De jeugd zag liever een aangeklede badaap met een gitaar in zijn jatten door de mikrofoon jammeren. (Haring Arie, De Sarkast, 1990)

aap: (m.b.t. kinderen) deugniet, kwajongen. De vrouwelijke vorm komt als scheldwoord weinig voor. Aap wordt meestal voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord. Een man met veel haar op de borst wordt wel eens een behaarde aap genoemd. Een luie aap wordt gezegd van een luierik. Een langharige aap was in de jaren zestig een scheldwoord voor een langharige. Een schilder werd vroeger wel eens minachtend een kladaap genoemd. Bij de marine is een kettingaap een spottende benaming voor een adelborst. En een krijtaap was in de achttiende eeuw een scheldwoord voor een waard. Zie ook: aangeklede aap, baardaap, badaap, blaataap, bosaap, bralaap, brilaap, bruine aap, brulaap, fooraap, kankeraap, klapperaap, klere-aap, polderaap, ransaap, slingeraap, snotaap, teringaap, tuinaap, woudaap.

Ja Broêr, de jonge is met al zijn beleefdheid, tog een ondraagelijke wijsneus! een zot, een aap. (Betje Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)
Zeg ’ns, grote aap, had je ’t tegen mij? (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
Als je de winkel gevonden hebt, stap je naar binnen en vraag je naar die langharige aap. (Hitweek, 25/10/1968)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

aap. Slechts eenmaal is de verwensing ga jij maar de aap vlooien! in ons materiaal aangetroffen. De betekenis ervan is natuurlijk ‘ga jij maar uitzichtloos en nutteloos werk doen’. De actuele betekenis zal dicht in de buurt komen van ‘ik erger mij kapot aan je, ga maar iets doen waardoor je langdurig uit mijn gezichtsveld verdwijnt’.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

aap In de betekenis ‘borrel’ in 1873 voor het eerst gehoord, in West-Vlaanderen. Een Vlaams dialectwoordenboek geeft als voorbeeldzin: ‘Geef mij nog ’nen aap.’ De vele diernamen voor ‘borrel’ vallen in verschillende groepen uiteen. Aap hoort bij de diernamen die aangeven hoe sommigen zich na het gebruik van sterke drank gaan gedragen. Dit komt ook tot uiting in de zegswijze hij rijdt op den aap, die in 1727 is opgetekend, met de volgende verklaring:

Dit zegt men van ymand die beschonken is. De reden zal zyn, om dat de dronkenschap, gelyk leeuwen en zwynen, zo ook aapen maakt, die belachelyke kuuren bedryven. Zulke ryden op den aap, gelyk andere het malle paard beryden.

Anders gezegd: sommigen worden van drank een leeuw (dus moedig), anderen een zwijn of aap. In het boek Burgerluidjes (1884) van Justus van Maurik, zegt een Amsterdamse volksvrouw, die zojuist een dronkelap uit de armen van de dienders heeft gered, nadat zij hem eerst uitvoerig had bespot:

Ik denk altijd bij mijn-eigen: een dronken mensch is eerst precies een aap, dan kun je er pret mee hebben; later wordt hij een varken daar ben je vies van; maar op ’t allerlaatst is hij een malle, en dan moet je er medelijden mee hebben.

In het Duits betekent Affe behalve ‘aap’ ook ‘dronkenschap, roes’, in het Engels werd ‘dronken’ vroeger wel aangeduid met aped (en de jeneverfles als monkey). De Denen noemen hun borrel abekat, letterlijk ‘apenkat’. Wij zeggen ook apezat of zo zat als een aap. Een ‘jonge borrel met ijs’ wordt in Amsterdam wel een koude aap genoemd.
Vergelijk baviaan en marteko.

[Bo 12; Reeuwijk 46; TNTL 53:83; Tuinman 2:52; Vercoullie 7; WNT Suppl. 227]

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Aap, voor spaarpot, geld, ook in den vorm van geldswaardige papieren; waarschijnl. omdat men vroeger, evenals nu steenen varkens, steenen aapjes als spaarpotten gebruikte: “Toen hij op reis ging, gaf hij den aap bij ons”. “Hier heb ik den aap”. Den aap vlooien = de spaarpot aanspreken of het geld verdeelen. Een duidelijk voorbeeld van een ruimer gebruik vindt men b.v. bij Rotgans (Poëzie 645): “Zij kreeg de vonke in den neus, en pakte net Den besten aap bijeen. . . . En bragt al ’t zilverwerk bij vrienden.. . . En koper, tin, en geldt”. De eigenl. bet. vindt men in de uitdrukkingen: Hij houdt den aap in de mouw, en: Daar komt de aap uit de mouw, voor: hij verbergt zijn streken, oogmerken, en: daar komt het aan den dag, wat hij in zijn schild voert, waar het hem om te doen is. Deze zijn ontleend aan het feit, dat men vroeger de wijde, soms loshangende mouwen voor bergplaats gebruikte, en een zot of kunstenmaker dus ook een aap daarin kon verborgen houden, om hem op het juiste oogenblik voor den dag te doen komen, waarbij deze echter wel eens onverwachts te voorschijn kwam. Zoo sprak men ook van: den gek uit de mouw halen; gek voor den eigenaardigen staf met gekskop bovenop door de zotten gevoerd, in ’t fra. en ook wel in ’t holl. marot genoemd, van waar het spreekwoord: elke zot zijn marot = ieder zijn stokpaardje.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aap ‘bezaansstagzeil’ -> Duits Aap ‘bezaansstagzeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens abe ‘bezaansstagzeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds apa ‘bezaansstagzeil’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

A is een Aapje [dichtregel] (1870). In 1870 verschijnt de vroegst bekende druk van Het van ouds gerenommeerde A is een Aapje, een abc-versje. Het hele versje luidt: “A is een Aapje, dat eet uit zijn poot. / B is een Bakker, die bakt voor ons brood. / C is Charlotte, die drinkt chocolaad. / D is een Dame, die drentelt op straat. / E is een Ezel die gaat naar het land. / F is een Fruitvrouw met Fruit in haar mand. / G is een Geitje, en Gijs is er bij. / H is een Held, met een houwer op zij. / I is een Inktpot, waar Izak uit schreef. / J is een Jasje, dat kreeg ik van Neef. / K is een Koopman, die koffie verzond. / L is een Landman, die leeuwrikken vond. / M is een Molen, die maalt door de wind. / N is een Nestje, dat Nicolaas vindt. / O is een Otter, die zwom in het meer. / P is ons Papje, dat pikt aan een Peer. / R is een Rover, die appelen steelt. / S is een Scheepje, waar Steven mee speelt. / T is een Trommel, die tante mij schonk. / U is een Uiltje, dat zit op een tronk. / V is een Visser, met vis in zijn schuit. / W is de Wagen, daar rijd ik mee uit. / IJ is een IJsbeer, die wit is van vel. / Z is een Zeeman, die zegt u vaarwel.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aap* primaat 1451-1500 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

aapjes kijken, schertsende aanduiding voor het nauwgezet bestuderen van iemands doen en laten, zoals men het gedrag van apen achter tralies kan volgen in de dierentuin.

Het ministerie van binnenlandse zaken hield scherp toezicht op de kwaliteit van de opleiding, herinneren beiden zich ‘Het was in die tijd “apies kijken” op de politieschool...’ (Het Parool, 21/09/91)
In het Center for Southern Folklore staan blanke hippies te klappen voor Big Lucky Carter, die in 1969 de hit ‘Goofer Dust’ had, en de manke, tachtigjarige boogie-woogiepianist Mose Vinson. Aapjes kijken? Het schijnt de muzikanten niets te kunnen schelen. (Elsevier, 16/11/96)
Als je naar de travestietenshow op Veronica kijkt, gaat ’t echt puur om de transformatie, om het verkleden. Travestie is daar het doel en niet het middel. Het wordt zo een beetje aapjes kijken. (Nieuwe Revu, 26/03/97)
Toen ik de titel in de lijst zag staan, dacht ik even dat het om ‘Paradijsvogels’ van de AVRO ging. Dat mag ik ook graag zien, omdat het een mooier soort aapjeskijken is dan al die dradentrekkende praatprogramma’s of café-programma’s waarin altijd maar weer Bekende Nederlanders naar bekende wegen gevraagd wordt. (HP/De Tijd, 16/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

27. Aap.

‘Daar de aap leelijk en boosaardig is, lachwekkende bewegingen maakt, sterk op den mensch gelijkt en diens handeling gaarne nabootst (naäapt; fr. singer, hd. nachäffen; eng. to ape a p.), komt hij veel in vergelijkingen, spreekw. zegswijzen en spreekwoorden voor’; Ndl. Wdb. I, 526. O.a. in:Iemand voor den aap houden, hem voor den gek houden, hem foppen; hd. einen äffen; sich äffen lassen. In de 17de eeuw kende men ergens den aep mee houden; evenzoo in de 18de eeuw Adag. 11: den Aep houden met Imant, posticâ sannâ ridêre quempiam. Thans is deze uitdrukking dialectisch nog bekend, ook in Zuid-Nederland; zie Schuermans, 5; Rutten, 5 b; Antw. Idiot. 113: iemand veur den aap houden (ook De Bo, 12; Draaijer, 1 a); Waasch Idiot. 45 b. Synoniem hiermede is het door Tuinman I, 347 opgegeven: den aap scheeren (Schuermans, Bijv. 4 a). In het Engelsch zeide men: to make any one his ape.

28. Aap, wat heb je mooie jongen!

‘Woorden aan iemand in den mond gelegd, die tegenover een persoon voor wien hij bevreesd is en dien hij in zijn hart verfoeit, van den nood eene deugd maakt, door hem te vleien, teneinde hem daardoor in een goed humeur te brengen’ (Ndl. Wdb. I, 527); ook in 't algemeen van iemand, die een ander flikflooit.

Deze woorden zijn ontleend aan Reynaert II, 6543 vlgg., waar verteld wordt hoe Reynaert in het hol van een afschuwelijke aap en hare jongen kwam, en, ofschoon hij van plan was ‘twaer te segghen’, de vrees hem zoo bekroop, dat hij van den nood eene deugd maakte en

most vertiden
 ende metten hoop, die daer lach, liden.

Om ze voor zich te winnen begint hij haar te vleien en aldus aan te spreken:

god, diet wel doen mach,
 moeie, die gheef u goeden dach,
 ende uwen kindern, minen maghen!
 het sijn die scoonste van haren daghen,
 die ic ie ghesach verre ofte nabi.
 deus, hoe wel behaghen si mi!
 hoe lieflic sijn si ende hoe scone!
 elc mocht mit eren eens coninx sone
 wesen. wi moghen u loven mit recht,
 dat ghi dus meerret ons gheslecht.
 ic had grote bliscap ghedreven,
 had ic gheweten van desen neven:
 want het is een troostelic toetiden;
 ic en mochts niet langher liden,
 doe ic hoorde waer ghi waert gheleghen,
 ic en moste tot u comen pleghen:
 mi waer leet, ic en had vernomen.

Eerst in de 17de eeuw trof ik deze zegswijze aan bij Coster, 236 vs. 259:

 Een groote wort wel meer zo veer door noot ghedronghen
 Dat hy om baat zeyt, Aap wat hebt ghy schoonder Jongen.

Ook bij J.S. Colm, Battaefsche Vrienden-Spieghel wt levender Jonste, Amsterdam 1615, vindt men bl. 17: Speel: Ay lieve Aep! wat hebje schoone jonghen; bij Winschooten, 3: Aap wat hebt gij schoonder Jongen, dit is een soort spotternij: als of men iemand die leelyke Jongen, of Kinderen hadde prees, van weegen haar schoonheid, eeven gelyk men seid: Schipper wat een mooj Wijf hebje. Vgl. verder Mergh. 1: Aap wat schoonder jongen hebt ghy; Tuinman I, 89; Sewel, 20; V. Janus I, 312; Slop, 151; Amsterdammer 4 Januari 1914 p. 1 k. 5; Het Volk 15 Juni 1914 p. 7 k. 1; Nkr. III. 5 Dec. p. 2; Harreb. I, 3 b. In Duitsche dialecten komt de zegswijze in eenigszins anderen vorm voor, zooals: aap, wat hest du moje Jungen; Aap, wat hest du wakkere Kinder; Aap, wat hest du wakkere Kinner; Ap, wat häst wacker Kinner; zie Eckart, 6; Taalgids IV, 241, waar ook vermeld wordt, dat men in Groningen zegt: oap, wat bist 'n mooie jong! In het fri. aep! hewt hestou moaye jongen!

30. Den aap in de mouw hebben (of houden),

d.w.z. zijne streken, zijne slinksche oogmerken verbergen. Volgens het Ndl. Wdb. I, 527 en Archief IV, 49 is deze zegswijze afgeleid van de kabaaien met wijde mouwen, waarin de aapjes zich bij hun grappenmaken verscholen en waaruit zij wel eens onverwachts te voorschijn sprongen om te krabben of ander kwaad te doen. Waarschijnlijker is het, dat wij met Beckering VinckersTijdschrift, XXXIX, 140-142., in de mouw hebben of houden moeten opvatten als iets verbergenVgl. de uitdr. Het achter (of in) de mouw hebben. en aap als apenaard. Vgl. de synonieme zegswijze den gek (het gekje) in de mouw hebben of houden, ontleend ‘aan de wijde mouwen, waarin narren of bootsemakers hun gekstok behendig wisten te verbergen, om dien onverwachts te voorschijn te brengen’; Ndl. Wdb. IV, 941. In de 17de eeuw zijn beide uitdrukkingen zeer gewoon; vgl. o.a. Winschooten, 3: ‘hij houd de Aap in de mouw, dat is: hij verbergd sijn boosheid soo lang, en daar en teegen hij laat de Aap uit de mouw springen beteekend sijn aard laaten blijken’ (vgl. onze, ook in het Land van Waas bekende, zegsw. toen kwam (of keek) de aap uit de mouw, toen bleek zijn eigenlijke bedoeling, zijn geheim oogmerk; o.a. C. Wildsch. III, 53; 385; Nkr. VIII, 21 Nov. p. 2). Zie verder Halma, 14; Sewel, 20; Tuinman I, 43: hy laat den aap uit de mouw springen, J. Franssoon, Giertje Wouters, 20: Ghy hout den Aep alongder de narm (d.i. het leelijke van de zaak, het huwelijk verberg je, verzwijg je) en vgl. het eng. every man has a fool in his sleeve, niemand is zonder dwaasheid.

29. Hij heeft den aap binnen (of beet),

d.w.z. hij is in het bezit van het geld; eene uitdr. die in de 17de eeuw voorkomt bij Coster, 502 vs. 137; Smetius, 138 en Winschooten, 3: ‘het woordje Aap beteekend ook oneigendlijk een schat: waar van daan komt het seggen: hij heeft de Aap al weg: dat is, hij heeft de bogt al onder den arm’. Het Ndl. Wdb. I, 527 verklaart het ontstaan dezer beteekenis aldus: ‘De benaming schijnt hieruit te verklaren, dat men vroeger wel eens steenen beeldjes in den vorm van apen bezigde, om er geld in weg te bergen, gelijk men nog b.v. de steenen varkens voor spaarpotten kent. De aap werd aldus de naam van den spaarpot, en, bij overdracht, van den inhoud daarvan, de spaarpenningen, het opgespaarde geld. Ook het fr. magot vereenigt de drie beteekenissen. Eigenlijk eene soort van aap, wordt het ook van allerlei koddige en snaaksche porceleinen of steenen beeldjes gezegd, en overdrachtelijk voor opgespaard en weggelegd geld genomen: iets dat hier te eerder geschieden kon om de woordspeling, die voor de hand lag, met het oud-fransche magaut, mlat. magaldus, d.i. een zak, bedel- of geldzak.’Eene geheel andere verklaring geeft Tuinman I, 12, die aap in dezen zin aan het Hebreeuwsch wil ontleenen. De tegenwoordige Fransche woordenboeken, o.a. dat van Hatzfeld, onderscheiden evenwel twee woorden magot. Het eene moest eigenlijk luiden mugot, doch is onder invloed van het ofr. magaut (zak, beurs) veranderd in magot, opgespaard geld. Het andere magot houdt men voor denzelfden naam als Magog, uit den bijbel bekend, en beteekent aap, en ook een Japansch of Chineesch beeldje ‘figurine trapue en porcelaine, en jade, etc., fabriquée d'abord en Chine, ou Japon’. De vergelijking met het Fransch gaat dus niet op. Ook moet het bewijs nog geleverd worden, dat men vroeger spaarpotten had in den vorm van apen. Het komt me daarom waarschijnlijker voor, dat het znw. aap de beteekenis geld ontleend heeft aan de 17de-eeuwsche spreekwijze: ze zien op geen aap, die uit Oost-Indien komen,Dat voorkomt in de Gew. Weuw. I, 28; Harreb. I, 4 b. eigenlijk: voor iemand die uit Indië komt, komt het op een aap niet aan, doch overdrachtelijk: wie overvloed bezit, kan wel wat missen; die in het veen zit, ziet op geen turfje; hij die geld heeft, is niet karig. Ten gevolge van de bepaalde toepassing, welke van deze spreekwijze gemaakt werd, heeft aap de beteekenis van geld daaraan ontleend, zooals blijkt uit den naam ‘ronde apen’ voor ronde schijven, geld (Gew. Weuw. II, 44). Vgl. Huygens Korenbl. II, 87; Brederoo III, 226:

 Is Marten murru, 't is gien noot,
 Hy het Apen en Meerkatten:
 Sen Peet hetme sen goet egroot.

 't Is een bom vol Spaensche Matten.Het is hiermede dus gegaan als met muts, dat de vroegere beteekenis ‘liefde’ ontleende aan de uitdr. ‘de muts hebben op iemand’, verliefd zijn op iemand (fr. être coiffé de.Taal- en Letterbode, V, 295 vlgg. Zie verder, ook voor meer dergelijke gevallen, het Tijdschrift XII, 253-254. Ook in het fri. is aep, geld, buit, bekend in verschillende zegswijzen, als: hy het de aep binnen; hy gong mei de aep striken, etc. Vgl. ook Bergsma, Dr. W. 18.

31. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding.

d.w.z. ‘fraaie kleederen en sieraden kunnen een leelijk mensch niet bevallig maken, of: pracht en praal verheffen niemand tot den beschaafden stand’; Ndl. Wdb. I, 527. De zegswijze is eene navolging van het lat. simia est simia et si aurea gestet insignia. Bij Servilius, 78 lezen wij Een simme blyft altyd een simme; Spieghel, 288: Een aap is een aap, al droeghze een goude huif (zoo ook bij Cats, 424); De Brune, 240:

 Een simm' in 't purper blijft een simm,
 Ghelijck zy was, zoo blift-ze slim'.

Tuinman I, 89: Een aap blyft een aap, al droeg hy een gouden ring. Het naast aan onzen vorm komt Sewel, 20: Al draagt een aap een gouden ring, 't is evenwel een leelyk ding.

In het Nederduitsch luidt de spreekw.: 'n Ape is un blift 'n Ape, un dröge he auk sidene Schlîpklêer un goldene Kîen un Spangen (zie Eckart, 7); in het Friesch: in aep bliuwt in aep al het er in rôk oan en in prûk op; zie W. Dijkstra, 279 en vgl. Harreb. I, 3 b; III, 100; hd. Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Seide, Sammet und Scharlach kleidet; eng. an ape 's an ape, a varlet 's a varlet, tho' they be clad in silk or scarlet; fr. le singe est-il vêtu de pourpre, est toujours singe.

32. In den aap gelogeerd zijn.

Het schijnt, dat deze spreekwijze van zeer jongen datum is. Tot nu toe is zij niet in vroegere geschriften aangetroffen; ook de woordenboeken van Sewel, Halma en Weiland vermelden haar niet. Zie verder Ndl. Wdb. VIII, 2612; Onderm. 24: Geachte familie en vrinden, ik ben huwelijkslang in den aap gelogeerd; Nkr. II, 20 Dec. p. 2: Dan bennen we allemaal in den aap gelogeerd, wat 'n beroerd hotel is. Harrebomée geeft ze op, dl. III, LIV met de verklaring ‘hem treft een slechte ontvangst’.Ook in België is zij bekend. De Bo citeert, bl. 12: In den Aap gelogeerd zijn, voor den aap gehouden worden, een voorwerp zijn van schimp; Rutten, 5: in den aap gelogeerd zijn, een slecht gasthuis hebben; fig. met iets of met iem. in verlegenheid zijn; Antw. Idiot. 114; Waasch Idiot. 45 b. Een variant hiervan is de Vlaamsche uitdr. in den hond (= duivel?) gelogeerd zijn (Joos, 107; Waasch Idiot. 293 b) en in de kwaai negen gelogeerd zijn, welke laatste zegswijze aan het ganzenspel is ontleend (Schuermans, 404).

Aangaande den oorsprong dezer uitdr. is niet veel bekend; wel deelt Ter Gouw in zijne Uithangteekens I, bl. 180 eene anecdote mede, waaraan de spreekwijze haar ontstaan kan hebben te danken, doch deze zal wel verzonnen zijn, toen de uitdr. reeds bestond. Dat uithangborden dienden om aan te duiden, welk bedrijf in een huis werd uitgeoefend, is bekend. Zoo hing bij den metselaar een troffel, bij den schoenmaker een leest, bij de hoedemakers een hoed, bij de kleermakers een schaar uit. De kleermakers hingen wel eens een vergulde schaar uit; vandaar, volgens Ter Gouw, onze uitdrukking: daar hangt de gouden schaar uit, voor: men moet er duur betalen, dus men werd er ‘geschoren’Ter Gouw, Uithangteekens I, 112.; of ook volgens Tuinman II, 47: daar hangt de scheer uit, gezegd van een dure herberg, of winkel; vgl. ook Halma (i.v. étrille): in de schaar thuis liggen, in een zeer dure herberg logeeren. Op dezelfde wijze, stel ik mij voor, is onze uitdr. in den aap gelogeerd zijn ontstaan. Dat de aap op uithangborden voorkwam, is zekerUithangt. I, 118; II, 324.. Hing hij nu in een herberg uit, dan was men ‘in den Aap gelogeerd’, doch daar de aap ook bekend staat als een dier, dat iemand onverwacht een poets speelt, bezigde men die uitdr. voor herbergen, waar men nu niet direct voor zijn genoegen was, en beet genomen werd; later in algemeener zin om het verkeeren in een onaangenamen toestand aan te duiden.Eene andere verklaring vindt men in Noord en Zuid, XXIV, 27; Tijdschrift XXI, 131 en vgl. Mnl. Wdb. VII, 423. Zie ook Ons Volksleven III, 25; De Cock1, 235; 't Daghet XIII, 48; en vgl. onze uitdr. In 't gefopte, verneukte of vernoken haasje gelogeerd zijn, gefopt zijn; het hd. Hotel zum schwarzen Engel, eene benaming voor den ‘Carzer’ bij de cadetten; fr. loger à l'enseigne de la lune, à la belle étoile, passer la nuit en plein air; ils sont tous deux logés à la même enseigne, ils sont dans la même situation fâcheuse (Hatzfeld, 910).

222. De beurs snijden,

d.w.z. zakkenrollen; eig. de beurs afsnijden. De uitdr. bewaart eene herinnering aan de vroegere gewoonte van de beurs niet in den zak, maar aan een riem of een koord te dragen, die bevestigd was aan een leeren band, welke om den middel zat of in de mouw verborgen was. Vgl. het mnl. een tronkeborse (mnl. tronken = knotten, afhouwen), borsen sniden of budel sniden; borsesnider, beurzesnijderMnl. Wdb. VIII, 1414; I, 1385 en 271; VIII, 714., dat ook in Zuid-Nederland bekend is, blijkens Teirl. 200; Waasch Idiot. 136 a: borzensnijder, zakkenroller; loopen gelijk een borzensnijder, zeer rap; oogen gelijk een borzensnijder, doordringende oogen.

Hiernaast kende men in de 17de eeuw ook iemand de beurs of den aap lichtenHuygens, Hofwijck vs. 1823: Ick tasten in men sack, ick vond men Beurs elight., waarin ‘lichten’ moet worden opgevat in den zin van ontheffen, verwijderen, wegnemen; vgl. in de middeleeuwen enen iet lichten, iemand van iets ontheffen (Mnl. Wdb. IV, 479). Vgl. Ndl. Wdb. II, 2283; VIII, 1975; lat. zonarius sector; fr. couper la bourse à qqn; hd. den Beutel schneiden; eng. a cut-purse; a purse-cutter. (Aanv.) In 't Fransch is couper la bourse à qqn niet gangbaar; wèl coupeur de bourses. Synoniem was in de 17de eeuw: iemand de beurs luizen.

1239. Het is allemaal kool,

d.w.z. het is allemaal maar gekheid; ook wel apekool, eene versterking van kool door bijvoeging van aap, waaraan mede het denkbeeld van dwaas, gek, valsch, bedrieglijk is verbonden; Ndl. Wdb. II, 532 en no 88. In de 18de eeuw komt het znw. kool in dezen zin voor bij Halma, 280, die het vertaalt door raillerie en citeert: Ik zeg het maar om de kool, je ne le dis que pour rire; hij verkoopt u kool, il se raille de vous; vgl. ook Sewel, 408: Het is maar om de kool, het is maar om te lachen; Langendijk, Wederz. Huwelijksbedrog, vs. 2122; Handelingen der Staten-Gen. 1913, p. 2568: Wat is het dan een kool die men verkoopt; Nkr. III, 4 Febr. p. 6: Of ze onzen secretaris Van Erkel of Kolthek doopen, 't zijn geniale lui in het kool verkoopen. Hiernaast komt in de 17de eeuw voor een wkw. kolen, gekscheren, dat wordt aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquil-maecker. 15: 'k Mach onder 't lachen en kolen altemets wel een duveltje mengenAangehaald door Oudemans III, 462., waarmede wellicht te vergelijken is het hd. kohlen, viel durcheinander sprechen ohne Absicht und ZusammenhangKluge, Studentensprache, 101; Grimm V, 1581 en vgl. ook Eckart, 278 a en Wander II, 1457: Me wêt nicht recht, of me met em in'n Kaule of in'n Röwen (rapen) is, ob Scherz oder Ernst., en het oostfri. kôlen, dummes Zeug machen oder schwatsen, faseln (Ten Doornk. Koolm. II, 321), dat aldaar naast kôl maken of proten bekend is, hetzelfde als in de studententaal Kohl machen, unnütze Weitläufigkeiten im Vortrag machen.

Hoe kool deze beteekenis gekregen heeft, is niet met zekerheid te zeggen. Het is mogelijk, dat we moeten uitgaan van kool in den zin van iets van weinig waarde, waaruit zich de bet. onzin, gekheid kan hebben ontwikkeld (vgl. no. 88; 1017), eene meening, die gesteund wordt door de in de Rijnprovincie gebruikelijke zegswijze 't is kappes (kabuiskool), het is onzin, en het eng. it is all gammon and spinach, eig. gerookte ham en spinazieGrimm V, 1581 meent, dat kool deze beteekenis heeft gekregen door den invloed van het lat. crambe repetita (Juvenalis 7, 154), opgewarmde kool (choux réchauffés), opgewarmde hutspot (Van Effen, Spect. VII, 216), oude kost, onbeduidende dingen, onzin, gekheid, eene verklaring, die mij niet zeer waarschijnlijk voorkomt. Indien men den oorsprong in het Latijn wil zoeken, zou ik eerder geneigd zijn te denken aan carbonem pro thesauro invenire; doch waarschijnlijk komt me ook dit niet voor.. J. Meier, Hallische Studentensprache, 12 denkt aan het Hebreeuwsche kol, stem, geluid, dat in de dieventaal ook list, bedrog beteekent. Vandaar in het hd. kohl reiszen, liegen; kohl machen, voorliegen; kohlen, liegen; ankohlen, beliegen; seinen kohl mit einem haben, den spot met iemand drijven; sich ver kohlen lassen, zich laten beetnemen. Zie ook Stumme, Ueber die deutsche Gaunersprache, 14; Kluge, Rotwelsch, 431: Kohl machen, unnötige Worte machen.

1562. Iemand (of iets) in de mot hebben,

d.w.z. iemand of iets in de gaten hebben; iets in den zin hebben. Eene in vele streken van Noord- en Zuid-Nederland bekende uitdrukking, die we vinden opgeteekend bij W. Dijkstra, 346 b: ik ha dat spil yn 'e mot (mat of myt); Molema, 127 b; Hoeufft, 396: iemand in de mot krijgen; Taalk. Magazijn I, 318 (ook II, 408): iets in den mot hebben, iets voorhebben, in den zin hebben; iemand in den mot hebben, iemands doel doorgronden; V. d. Water, 108: iemand in de mot of het motje hebben, iemand doorzien, in de gaten hebben; Fr. Verschoren, Langs kleine wegen, bl. 101; Antw. Idiot. 310; 836; Joos, 105; 't Daghet XII, 189 en Schuermans, 393 a: in de mot hebben, gewaar worden, geraden hebben, gepakt of vast of gevat hebben, in 't zicht of beet hebben, het in de buis, of gaten, of 't oog hebben (zoo men ook in Brab. zegt) voor: in den zin hebben, iemands doel of inzicht doorgronden; De Cock1, 141 en Harrebomée II, 105 b: Ik heb het wel in de mot. Eene afdoende verklaring dezer uitdr. is nog niet gegevenZie Ganderheyden, Groningana, 10 b: motgat = mouwgat; Molema, 63 en 544: De vlam slacht heur tou 't buusgat (of motgat) oet, van een manziek meisje gezegd; Joos, 85: Hij had het in de mouw, in de mot; Vercoullie, 195, die ook een znw. mot, mouw opgeeft, en vgl. Toen kwam de aap uit de mouw, toen bleken zijne inzichten, zijne plannen..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

abō(n) ‘Affe’, (kelt. Neuschöpfung). Das durch reisende Kaufleute eingeführte Tier kann von den Kelten mit dem Namen ihres Wasserdämons (s. oben ab-) benannt worden sein.

Hes. ἀβράνας· Κελτοὶ τοὺς κερκοπιθήκους ist vielleicht ἀββάνας (Akk. Pl.) zu lesen und noch vor der Lautverschiebung ins Germ. gedrungen; daher an. api m. ‘Affe, Tor’, as. apo, ahd. affo m., affa, affin f., ags. apa m. Aus dem Germ. stammt aruss. opica ‘Affe’, ačech. opice.

WP. I 51 f.Vgl. ab- ‘Wasser’ und Schrader Reallex., Hoops Reallex. s. v. Affe.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal