Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aantal - (onbepaalde hoeveelheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aantal zn. ‘onbepaalde hoeveelheid’
Vnnl. Een seecker aental van Morgen Landts ‘een zeker aantal morgen lands’ [1634; WNT land], in grooten aentaele ‘in groot aantal’ [1666; WNT].
Ontleend aan Duits Anzahl ‘aantal’ (mhd. anzal ‘aandeel, verhouding’; ook mnd. antal ‘aantal, hoeveelheid’). Dit woord behoort bij het zn. Zahl ‘getal’, zie → tal.
Het al in het Middelnederlands voorkomende zn. aentale ‘aanspraak’ [1292; CG I, 1817] houdt verband met het zn.taal.
Lit.: Philippa 1987

EWN: aantal zn. ‘onbepaalde hoeveelheid’ (1634)
ANTEDATERING: een groot aental [1608; Pasquier, 80]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aantal [onbepaalde veelheid] {1634} vgl. middelnederlands aentellen [tellen, een som opmaken], aengetellet [in aantal]; de huidige vorm is geleend < middelnederduits antal of hoogduits Anzahl.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aantal znw. o., eerst sedert de 18de eeuw en < hd. anzahl, vgl. mnd. antal ‘getal, aandeel’, ook mnl. aental ‘aandeel’. — Zie: getal en tellen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aantal znw. o., eerst sedert de 18de eeuw. Vermoedelijk naar hd. anzahl v. gevormd In het Mnd. komt reeds antal m. “getal, aandeel” voor, vgl. mnl. aentāle v. “aandeel”. Zie getal, tellen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aantal o., eerst in de 18de eeuw gelijk Skand. antal, naar Nhd. anzahl. Aan heeft hier dezelfde bet. als in aantellen, d.i. onophoudend, voortgaande.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aontal (zn.) aantal; Nuinederlands aental <1634> < Duits Anzahl.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aantal (Duits Anzahl)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aantal ‘onbepaalde hoeveelheid’ -> Deens antal ‘onbepaalde hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors antall ‘onbepaalde hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds antal ‘onbepaalde hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aantal onbepaalde veelheid 1634 [WNT land] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal