Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanstoot - (aanleiding tot zonde; ergernis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aanstoot zn. ‘aanleiding tot zonde; ergernis’
Mnl. aenstoot ‘aanval, aanvechting’ [1346-58; MNW]; vnnl. aanstoot ‘ergernis’ [1677; WNT weerskanten].
Afleiding van het werkwoord aanstoten ‘stoten tegen’, mnl. aenstoten ‘aanstoten, beledigen, bestoken, aanvallen’, gevormd uit → aan en → stoten.
Nhd. Anstoß.
De betekenis ‘aanvechting’ vindt men al in Ruusbroecs Vanden VII sloten, bijv. die aenstoot der ondoechde ‘de aanvechting der zonde’. De uitdrukking steen des aanstoots ‘reden tot ergernis’ is geïntroduceerd door de Statenbijbel, in Jesaja 8:14.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aonstoet (zn.) aanstoot; Middelnederlands aenstoot <1346-1358>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

aanstoet, zn.: aanstoot; begin. Voor de tweede bet., vgl. D. Anstoß ‘eerste stoot’, bv. de eerste schop bij het begin van een voetbalwedstrijd.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aanstoot (de -- geven) (vert. van Duits den Anstoß geben)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Aanstoot, iets waaraan men zich stoot; (fig.) persoon of zaak die ergernis of morele verontwaardiging wekt. Steeds in de volgende uitdrukkingen.
Aanstoot geven, morele ergernis opwekken.
Aanstootgevend, ergerniswekkend, kwetsend.
Aanstoot nemen aan, zich ergeren aan; als kwetsend beschouwen.
Steen des aanstoots, iets waaraan men zich ergert, oorzaak van ergernis.

In de bijbel is aanstoot nog een voorwerp waar mensen zich aan kunnen stoten, en wordt bijvoorbeeld in de wetten aanbevolen geen aanstoot voor een blinde te plaatsen: 'Du salt voor den blinden gheen aenstoot setten' (Deux-Aesbijbel (1562), Leviticus 19:14). In figuurlijke zin kunnen ook personen een aanstoot, een bron van ergernis, worden genoemd, bijvoorbeeld als Jezus tegen Petrus zegt dat deze hem een aanstoot is (Matteüs 16:23, in de Statenvertaling (1637) en in de NBG-vertaling). Nu wordt het woord alleen nog in bovengenoemde verbindingen gebruikt, waarvan die met nemen pas jong is. De NBV beperkt zich tot de verbindingen met geven en nemen.

Statenvertaling (1637), Filippenzen 1:10. Op dat ghy oprecht zijt, ende sonder aenstoot te geven
[Iemand kan onder curatele worden gesteld onder andere als hij zich schuldig maakt aan drankmisbruik waardoor hij o.m.] in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft [enz.]. (Art. 378, Juridisch corpus, 1958)
[Over een musicaluitvoering:] Vrijmoedig, vulgair, aanstootgevend, fantasierijk, gedurfd. Het zijn enkele van de vele kwalificaties die we in de pauze en na afloop hoorden. (Meppeler Courant, sept. 1995)
NBG-vertaling (1951), Matteüs 26:33. Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!
Ze namen aanstoot aan het feit dat de prinses een politiek zo geladen onderwerp aanroerde. (De Standaard, dec. 1995)
Statenvertaling (1637), Jesaja 8:14. Dan sal hy [u lieden] tot een heylichdom zijn: maer tot een steen des aenstoots. (De Liesveldtbijbel (1526) heeft hier aenstotens.)
Borst baseerde haar boosheid op een circulaire [...]. De steen des aanstoots is een passage in de circulaire die de indruk kan wekken dat apothekers zouden kunnen blijven rekenen op een deel van de kortingen. (NRC, 29-9-1999, p. 3)
Tegen de Noordamerikanen / tegen de Middenamerikanen / het kan me niet meer schelen / wil ik mijn stem / tot een steen des aanstoots / verheffen. (N. Scheepmaker, De Gedichten, 1991 (Tegen de Oostduitsers, 1950-1957), p. 404)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

aanstoot (de - geven)

In de betekenis van ‘de eerste stoot aan (tot) iets geven’ is de aanstoot geven een zeer zeldzaam germanisme (D. ‘den Anstoß geben’), dat slechts door Van Dale vermeld wordt. Volgens hem is het verwerpelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanstoot ‘ergernis’ -> Fries oanstoat ‘ergernis’; Deens anstød ‘morele ergernis’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors anstøt ‘morele ergernis; (verouderd) iets wat iemand laat zondigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds anstöt ‘morele ergernis’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands aanstoot ‘ergernis’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

21. Aanstoot geven.

Het znw. aanstoot komt in den bijbel voor in den zin van het voorwerp, waaraan men zich stoot, waarover men kan struikelen, een struikelblok, bijv. Levit. 19, 14: ‘Gy en sult.... voor het aengesicht des blinden geenen aenstoot setten’. Vervolgens beteekent het datgene, dat iemand licht doet vallen (op zedelijk gebied), de aanleiding tot zonde; daarna in overdrachtelijken zin: ‘de stuitende of hinderlijke gewaarwording die iemand ondervindt bij iets, dat zijn zedelijk of godsdienstig gevoel, of wel zijne eigenliefde stoot, d.i. beleedigt of kwetst; dus: ergernis, welke beteekenis het woord in de uitdrukking ergens aanstoot meê geven of aan nemen heeft’; vgl. zich aan iets stooten, mnl. hem stoten ane iet; zie Ndl. Wdb. I, 372; Plantijn: Aenstoot, poulsement, aheurtement, choppement, scandale; vgl. het fri. oanstiet; hd. Anstosz geben, erregen; Anstosz nehmen an etwas; fr. choquer qqn. Hiervan aanstootelijk; hd. anstöszlich.

22. Steen des aanstoots.

Deze uitdrukking is ontleend aan 1 Petr. 2 vs. 7 en Jes. 8 vs. 14. Op de eerste plaats wordt Christus een steen des aanstoots, een rots der ergernis genoemd, op de tweede heet God voor Juda en Israël een steen des aanstoots, een rotssteen der struikeling; mnl. een stotinghe over te vallen. De oorspr. beteekenis is dus een steen, waaraan men den voet stoot, maar altijd figuurlijk gebezigd voor: oorzaak of reden van ergernis. Vervolgens beteekent de uitdr. ook de persoon of zaak, die aanstoot of ergernis geeft; vgl. mnl. een steen der stotinge (fig.); Pelgrimage 110 c: Si was in enen schonen wegh een aenstoot om alle lude te doen an te stoten; Reyn. II, 4153: Als ic der werelt ward gemeen, so vindic so veel steen in minen wech; zie Ndl. Wdb. I, 373; Plantijn: Steen des aanstoots, pierre de choppement, ou aheurtement, lapis offensionis; Winschooten, 296; Harreb. I, 3 a; fr. une pierre d'achoppement; hd. ein Stein des Anstoszes; eng. a stumbling-stone.

23. Aanstoot lijden (of hebben),

d.i. aangevallen worden, vijandige bejegening ondervinden. Het znw. aanstoot heeft hier de beteekenis van aanval, aanranding, vijandelijke bejegening met daad of woord, en is de stam van het wkw. aenstoten, dat in de middeleeuwen ook bestoken, aanranden, aanvallen beteekende. Vgl. bijv. Exc. Cron. 204 d: Dye stede was seer vast ende starck.... wel voorsien ende bescermt van allen aenstoot; D.B. II. Chron, 36, 2: Alle die anstoot (Vulg. impetus) des strides wart gekeert tegen Jherusalem; zie Mnl. Wdb. I, 157.

Later krijgt de uitdr. ook de meer algemeene beteekenis van: te lijden hebben. Zoo bij Sartorius III, 10, 47: Hy heeft veel aenstoots, quadrabit in hominem omnibus omnium injuriis expositum; Hooft, Brieven, bl. 226: Dat (het maken van een nieuwen vloer) had ik gedacht met estrikken te bestellen; maar werdt my afgeraaden, om de brosheidt, op een' plaats die den meesten aanstoot lijdt, als zijnde aan den ingang geleegen. Zie verder het Ndl. Wdb. I. 373; VIII, 2210; Harreb. I, 3 a; vgl. de vroegere zegswijze: die aan den weg timmert lijdt veel aanstootHarrebomée III, 99. en Sewel, 16: Aanstoot lyden, to be assaulted, to suffer injury; mooije meisjes en oude kleeren hebben veel aanstoot, pretty girls and old cloths are much pick'd up.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal