Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanspraak - (gelegenheid om iemand te spreken; recht om bezit of gebruik van iets te vorderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aanspraak zn. ‘gelegenheid om iemand te spreken; recht om bezit of gebruik van iets te vorderen’
Mnl. ansprake ‘aanspraak, eis’ [1300; CG I, 2807]; vnnl. aenspraec, aensprake ‘eis, aanklacht’.
Samenstelling van → aan met het zn.spraak. Oorspr. betekende het ‘het aanspreken van iemand’ of ‘het opzoeken van iemand met het doel hem te spreken’, wat ook tegenwoordig nog voorkomt. Het woord werd echter ook in juridische zin gebruikt in combinatie met recht: aenspraecke veur/in recht ‘een eis stellen’, dus eigenlijk ‘iemand voor het gerecht aanspreken’, waaruit de betekenis ‘eis’ en later ‘het recht om een eis te stellen’ is ontstaan, zie ook → aansprakelijk.
Ohd. anasprāhha ‘vordering, aanspraak’ (nhd. Ansprache ‘toespraak’); oe. onspræc ‘spraak, gesprek’, ofri. onsprēke ‘aanklacht, bezwaar’.

Thematische woordenboeken

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

aanspraak

De purist Heidbuchel beschouwde aanspraak in de betekenis van ‘toespraak’ als een germanisme (D. ‘Ansprache’). Tot in de jaren ’50 wordt het nochtans in alle woordenboeken als goed en gebruikelijk Nederlands vermeld. Nu echter geldt het algemeen als ongebruikelijk of verouderd. Verschueren is de enige die het nog aan het eind van de jaren ’60 zonder verdere aantekeningen opneemt.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

aanspraak (in - nemen). ― Deze uitdrukking is de verkeerde vertaling van D. in Anspruch nehmen. Men treft ze niet zelden aan in zegswijzen als de volgende: 1° Hij neemt mijn tijd in aanspraak, D. er nimmt meine Zeit in Anspruch, zuiver Nederlandsch: hij legt beslag op mijn tijd, hij ontrooft mij den tijd of kortweg hij houdt mij op of rooft mijn tijd; 2° Dat werk neemt veel tijd in aanspraak, D. diese Arbeit nimmt mich sehr in Anspruch, zuiver Nederlandsch: dat werk kost mij veel tijd (en moeite), dat werk neemt veel tijd in beslag of vordert veel tijd. In andere gevallen, zooals in het eerste citaat hieronder, zegt men opeischen; ook soms inroepen, een beroep doen (op).
|| Gij zonen van den heiligen Dominicus, van ganscher harte, blijmoedig schenken wij u het vertrouwen dat Pater Bonaventura met recht voor u in aanspraak heeft genomen, H. L., IX, 20, 4. Dat er zich zulke tusschen onze lezeressen, in groot getal bevinden, betwijfelen wij geenszins; maar er zullen er ook wel veel zijn, door andere bezigheden in aanspraak genomen, die “na het nuttige” minder tijd hebben “om iets moois te maken” enz., E. van Kerckhoven in De Lelie, 2, 54 (men zegge b.v. door andere bezigheden onledig gehouden of, mits een kleine wijziging in den volzin, maar er zullen er ook wel veel zijn, die “na het nuttige” hunner dagelijksche (of gewone) bezigheden minder tijd hebben “om iets moois te maken” enz.) ... het volk, in zijn geheel op groote daden gezind, die elk oogenblik zijn goed en bloed in aanspraak nemen, acht elke andere krachtinspanning gering enz., Max Rooses, Nieuw Schetsenboek, 110 (in dit verband zou vergen of opeischen best passen).

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

doen (II) (eene aanspraak doen). - Men zegt in ’t Fransch faire une allocution; daarnaar is gevolgd eene aanspraak doen. Men zegt echter in onze taal eene aanspraak doen, eene toespraak houden. || Toen deed hij hem een korte aanspraak, door gansch de zaal in een eerbiedvolle stilte aangehoord, BUYSSE in De Gids 1894, III, 7.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aanspraak ‘eis’ -> Zweeds anspråk ‘eis’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments † aanspraak ‘eis’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

20. Aanspraak hebben op iets,

d.i. het recht hebben om het bezit of genot van iets in rechten te vorderen. Voorheen gold aensprake voor het aanspreken in rechten, de gerechtelijke eisch.Mnl. Wdb. I, 151. Nog in de 17de eeuw bezigde men aensprake en antwoord voor hetgeen nu eisch en antwoord (of verweer) heet. Thans echter wordt aanspraak, als rechtsterm, niet meer opgevat als eisch zelf, maar als het recht om iets te eischen. Vgl. Sewel, 15: Aanspraak, of eisch in Rechten, demand; Halma, 11: Aanspraak, aantaal. Eisch, of verzoek, in regten, demande en justice, action. Zie verder het Ndl. Wdb. I, 341 en Sewel, 15: Aanspraak op iets maaken, to lay claim to a thing; fri. oanspraek meitsje op; hd. Anspruch machen auf etwas

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal