Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aanklampen - (enteren, iemand aanspreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aanklampen ww. ‘enteren, iemand aanspreken’
Vnnl. aan boord klampen ‘zijn schip aan een ander bevestigen om het te enteren’ in nae dat wy ons Gheschut op hem gelost hadden, is hy ons van stonden aen (‘aanstonds’) aen boort gheclamt, met een deel volcks ons schip entrende [1602; WNT klampen], aanklampen en enteren [1642; WNT Supp.], ook al vroeg overdrachtelijk ‘aanspreken’ in Alteras de Vice-admirael met Kapiteyn Bras souden den Spaenschen Vice-admirael aen clampen [1608; Meteren, p. 28].
Samenstellende afleiding van → aan en → klamp, letterlijk dus ‘met klampen verbinden’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aanklampen* [met een klamp vastzetten, staande houden] {1642 in de betekenis ‘vastzetten’; de betekenis ‘staande houden’ 1672} van aan + klamp, dus eig. iets door een touw op een klamp beleggen, vastzetten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aanklampen ww., eerst 17de eeuw overgeleverd, afgeleid van klamp, dus eig. ‘met klampen verbinden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aanklampen ww., sedert de 17e eeuw. Afl. van klamp, waarvan ook het simplex klampen. Eig. “met klampen aanhechten”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aanklampen* staande houden 1672 [WNT Suppl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

17. Iemand aanklampen,

d.w.z. iemand, dien men op weg ontmoet, aanspreken; eig. beteekent ‘aanklampen’ door middel van klampen aan iets bevestigen. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen; vgl. Winschooten, 109: klamp een strook houts, dat ergens aan vast gespijkerd werd, om iets anders daar mede vast te hegten: hier van daan klampen; aanklampen, oneigendlijk aannaajen; en bl. 34: aan boord klampen, een schip met een klamp aan het andere vast spijkeren; hij klampte mij aan boord. Halma, 7: iemand aanklampen, iemand op zij schieten, aborder quelqu'un, s'aprocher de quelqu'un, joindre quelqu'un; Harreb. III. 1; fri. immen oanklampje; Kluge, Seemannsspr. 453; fr. mettre le grappin sur qqn.

315. Iemand aan boord klampen,

hetzelfde als iemand aanklampen; vgl. o.a. in Hooft's Gedichten I, 236:

 Raekt mijn oogh aen zulk een waepen,
 Dat jck het op 't ooghje wet,
 Daer 't mij af is bijgezet;
 En met weêrlicht wt mijn lampen
 D' uwe weêr aan boord koom klampen.

Zie verder Winschooten, 34; Tuinman I, 147: Ymand aan boord klampen. Dat is, hem aanranden. De spreekwijze is genomen van een schip, dat men aan een ander vast maakt, om het te enteren; Sewel, 391: Iemand aan boord klampen, to accost or board one; Ndl. Wdb. III, 466 en no. 17.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal