Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aangenaam - (behaaglijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aangenaam bn. ‘behaaglijk’
Mnl. aenghenaem ‘aantrekkelijk, aardig, aangenaam’ [ca. 1475; MNHWS], naast mnl. gename ‘welgevallig, aangenaam’ [1450; MNW].
Afleiding met → aan, hier met slechts een versterkende functie en wellicht onder Duitse invloed, van het gelijkbetekenende gename, afleiding (met rekkingstrap) bij het werkwoord genemen, uit → ge- en → nemen.
Mnd. gename; ohd. ganāmi (mhd. genaeme, nhd. angenehm). Daarnaast bestaan ook ohd. nāmi ‘aannemelijk, begrijpelijk’; on. næmr ‘snel van begrip’; got. anda-nēms ‘aangenaam’; < pgm. *nēmi-.
De betekenis van aangenaam zal zich voor de Middelnederlandse tijd hebben ontwikkeld via ‘geschikt om aangenomen te worden’ en ‘dat wat men graag aanneemt’.

EWN: aangenaam bn. 'behaaglijk' (ca. 1475)
ANTEDATERING: het sal hem sijn aengenaem [1440-60; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aangenaam* [behaaglijk] {aengenaem [aardig, welgevallig, grappig] ca. 1475} middelnederduits geneme, hoogduits angenehm, gotisch andanēms, gevormd van nemen, vgl. bv. middelnederlands loon nemen, erve nemen. Aangenaam betekent lett. ‘aanneembaar’, dus met betekenisontwikkeling van ‘aannemelijk’ naar ‘aangenaam’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

erfgenaam

De woorden erf: grond, meestal om een woning en erf: erfdeel behoren etymologisch samen, wat begrijpelijk is als men bedenkt dat de erfenis vroeger veelal uit erf, grond, bestond. Men kan er dus over twisten of in het woord erfpacht sprake is van grond die verpacht wordt of van pacht die overgaat op de erfgenamen van de pachter.

In het woord erfgenaam, dat in het Middelnederlands erf name luidde, hebben wij te maken met erf: erfdeel en met een afleiding van het werkwoord nemen. Erfgenaam is dus hij die gerechtigd is de nalatenschap van een ander te nemen. Dezelfde afleiding van nemen vindt men in aangenaam, dat eigenlijk betekent: aan-neme-lijk en vandaar: prettig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aangenaam bnw., mnl. aenghenâme ‘liefelijk, welgevallig’, later gevormd van ouder mnl. ghenâme ‘aangenaam, welgevallig’, mnd. genême ‘aanvaardbaar’, ohd. gināmi, mhd. gināmi ‘aangenaam, welgevallig, on. næmr ‘aannemelijk, bevattelijk’, got. andanēms ‘aangenaam’. Gevormd van het ww. nemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aangenaam bnw., later-mnl. aenghenâme “liefelijk, welgevallig”. In de plaats gekomen van mnl. ghenâme “aangenaam, welgevallig"; vgl. nhd. angenehm: mhd. genæ̂me, laat-ohd. ginâmi “id.”.Vgl.verder mnd. genême “welgevallig, aannemelijk”, on. næ̂mr “aannemelijk”, got. andanems“aangenaam”. Dehnstufige formatie bij nemen, vgl. bekwaam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aangenaam. Met ‘aannemelijk’ als vertaling van mnd. genême is bedoeld ‘aanvaardbaar’, als vert. van on. næ̂mr: ‘bevattelijk, gemakkelijk lerend”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aangenaam bijv., Mnl. aenghename, aenname, ghename + Ohd. ganâmi (Mhd. genǣme, Nhd. genehm, angenehm), Go. andanems, met verschillende praefixen, van denz. stam als ’t meerv. imp. van nemen; voor de ontwikkeling der bet., verg. Lat. acceptus van accipere en Fr. agréable van agréer.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Aangenaam, letterlijk: wat aangenomen kan worden, dus wat bevalt. Zie ook Vergeefs en Voornaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aangenaam ‘behaaglijk’ -> Fries oangenaam ‘behaaglijk’; Negerhollands aangenaam ‘behaaglijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aangenaam* behaaglijk 1475 [HWS]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

419. Aangeboden dienst is zelden aangenaam.

Deze spreekwijze wordt o.a. aangetroffen in de Prov. Seriosa, 123: Gheboden dienst es onwaert, dicitur oblatum fore servitum male gratum; bij Plantijn: Aengeboden dienst is dickwils onweerdt, service offert est souvent desdaingné, ou inagreable; Sartorius I, 10, 24: Merx ultronea putet, gheboeden dienst is onwaerdt; Servilius, 6*: Ad consilium ne accesseris antequam vocaris, onghebeden dienst en heeft gheenen danck; in de Adagia, 51: Opgedraeghen dienst behaeght alderminst. Een geheele litteratuur hierover vindt men bij Suringar, Erasmus, CXVIII; Harrebomée III, 160-161. Vgl. mlat. Est nimis ingratum servimen non vocitatum. (Werner, 28). In Twente zegt men: Aij de kat op 't spek bint wil ze 't nig vretten (zie Harreb. I, 384; Ndl. Wdb. VII, 1791; V. Schothorst, 149In den zin van: Men moet iets niet willen forceeren.); hd. ungebetener Dienst hat keinen Dank; oostfri. wen de mûs up 't spek bunnen word, dan fret he nêt (Dirksen I, 34); fri. as men de kat op 't spek bynt, wol se der net yn bite.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal