Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aan - (voorzetsel, bijwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aan vz., bw., voorv.
Onl. ana- (in samenstellingen), an (vz.) ‘in, aan’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ane (met verlenging in open lettergreep) [ca. 1227-32; CG I, 9], aen [1254; CG I, 64].
Os. an(a); ohd. an(a) (nhd. an); ofri. on, an (nfri. oan); oe. on, an (ne. on); on. á; got. ana; < pgm. *ana.
Verwant met Latijn an- (voorv.); Grieks aná ‘omhoog; opnieuw, terug’ (zie → anachronisme); Avestisch ana; Oudiers an- (voorv.); bij de wortel pie. *h2en-. Met ander vocalisme: Sanskrit ánu ‘langs’; Avestisch anu; met nultrap: Oudkerkslavisch na ‘op, aan’; Oudpruisisch no, na ‘op, volgens’; Litouws nuõ; bij de wortel pie. *nō-.

EWN: aan vz., bw., voorv. (10e eeuw)
ANTEDATERING: an 'naar' (vz.) in: an wudu kiri þu 'keer je naar het woud' [ca. 800; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aan* [voorzetsel] {oudnederlands ana 801-900, middelnederlands aen} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries ana, oudengels on, oudnoors ā, gotisch ana; buiten het germ. latijn an-, grieks ana [op, naar boven], avestisch ana [over … heen, langs].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aan voorz. en bijw. mnl. ane, aen, waarnaast kortere vorm mnl. nnl. an, os. an, ana, onfrank. an (voorz.), ana- (prefix), ohd. ana, ofri. an, ana, oe. on, on. á, got. ana. — gr. ána ‘omhoog, langs’, lat. anhelo (< an + anslō) ‘moeilijk ademen’, av. ana ‘over . . heen’, misschien oiers an-dess ‘uit het Zuiden’, uit idg. vormen *an, anu, anô (IEW 39).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aan voorz. en bijw., mnl. āne, aen, waarnaast mnl. nnl. an, de gewone spreektaalvorm. = onfr. an (voorz.), ana- (prefix), ohd. ana (nhd. an), os. an, ana-, ofri. an, ana, ags. (eng.) on, on. â (*an), got. ana. Germ. *an en *ana “aan, in, op” zijn beide uit idg. *ana ontstaan, germ. *ana is de “inlaut”-vorm. = ier. an- (prefix), lat. an- (id., o. a. in anhêlo “ik hijg”), gr. anà, ána “langs iets naar boven”, av. ana “over—heen”. Vgl. nog obg. “in” en gr. ávō “naar boven”, obg. na “op”, lit. nů̃ “van”, anót(e) “overeenkomstig” oi. ánu “na, naar, overeenkomstig”, nédîyas-, av. nazdyah- ”nader”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aan. Het is niet zeker, dat een idg. *ana bestaan heeft, en daarom voorzichtiger, over de oorsprong van germ. *an naast *ana geen uitspraak te doen. Ier. an- is niet voldoende gewaarborgd. Zie over een en ander uitvoeriger WP. I, 58 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aan bijw. & voorz., uit *ane, Mnl. aen, ane, Onfra. & Os. ana- + Ohd. ana (Mhd. ane), Ofri. ana, Go. ana; daarnevens Nnl. spreektaal en dial. an, Mnl. an, Onfra. & Os. an + Nhd. an, Ags. on (Eng. on), Ofri. an, On. á (Zw. å, De. aa) + Skr. ana = op, Ze. ana = op, Gr. aná = op, naar boven, Lat. an- (in anhelare), Ier. an-, Osl. na = op, = in. Ane staat tot an als mede tot met; de langere vorm is die van het praef., de kortere die van het alleenstaande w. of van het laatste lid eener samenst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aon (bijw.) aan; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) aun, Aajdnederlands ana <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ane, vz.: zonder. Mnl. aen, ane ‘zonder’. Onfr. âna ‘uitgenomen’, Ofri. ôni, ôn(e), ân(e), Ohd. ânu, âno, âna, Mhd. ân(e), Os. âno, Mnd. ân(e), On. ân, ôn, Got. inu(h). Verwant met Gr. áneu ‘zonder, behalve’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aone zonder (Zuid-Limburg). = mnl. ane ‘id.’ = hgd. ohne ‘id.’. ~ gr. aneu ‘id.’, osset. änei, ~ got. inuh. Dus reeds Oerindo-europees.
Dorren 13, WVD I afl. 1, 91.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. aan bn. (niet verbuigbaar), geprikkeld. Alleen in de combinatie ‘aan* zijn’.
— : aan zijn (was aan, is aan geweest), 1. geprikkeld zijn i.h.a. Een wonder. Ik moest er alles van weten. Mijn onderzoekinstinkt was aan (Dobru 1969: 44). - 2. zin hebben, in de stemming zijn. Hé, zullen we een potje troef-call* spelen? vroeg vader plotseling, of wil je soms niet, Emile? - Wie ik? Ik ben kartamang [S, liefhebber van kaartspel], ik ben altijd ‘aan’ (R. Parabirsing in A&P 1980b: 5). Hij merkte dat Orlando gespannen luisterde en keek ook naar diens gulp. ‘Wil je, ben je aan’, had hij meteen gevraagd (Ferrier 1968: 134). - 3. geïrriteerd zijn, boos zijn. Hij is aan! (gezegd van een lichtgeraakt jongetje; mond.).

II. aan vz., (ook:) op, tegen (wanneer het gaat om een gewelddadige aanraking i.h.b. van het hoofd). Een brigadier raakte ernstig gewond door een klap aan het hoofd (Hira 203). Op 15 mei [1891] werd de koeliehoofdman Sookhaie door een landgenoot aan het hoofd gekapt* omdat hij aanmerkingen had gemaakt op diens werk (Hira 337). Het tweetal overviel vervolgens de heer des huizes en sloeg hem aan het hoofd tot bloedens toe (WS 19-1-1985).
— : aan het werk, op het werk Ik kreeg opeens een razende honger, terwijl ik net aan het werk nog geschaft* had (Rappa 1984: 140). - Etym.: AN ‘aan het werk’ = bezig te werken.
— : aan het werk gaan (ging, is gegaan), naar het werk gaan. - Etym.: AN ‘aan het werk gaan’ = met werken aanvangen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aan (de prijs/snelheid/temperatuur van) (Frans à)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Verkeerd gebruik van aan in bijvoeglijke bepalingen die den bezitter aanduiden. – Wanneer een bijvoeglijke bepaling den persoon of de zaak noemt, die de bepaalde zelfstandigheid bezit, dan heeft ze den vorm van een genitief, al of niet omschreven door van, niet door aan. Al zegt men dit boek hoort toe aan mijn zuster, men zegt toch mijn zusters boek, het boek van mijn zuster. In het Fransch kan in dergelijke bepalingen niet alleen de, maar ook à voorkomen: un ami à moi, een vriend van mij; c’est une idée à moi, een denkbeeld van mij; notre, votre, leur maître à tous, ons, uw, hun aller meester. || In dit gezelschap van opgeschroefde bourgeois en parvenus was er een type die hun meester aan allen was, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 2, 22 (al brengt men echter de aangewezen verbetering aan, toch wordt de zin daardoor nog niet onberispelijk, want de schrijver bedoelt blijkbaar - zie desnoods het verband - wat wij zouden uitdrukken met die hun allen de baas was).

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Overbodige omschrijving van den datief met aan. – Hier moet ten slotte nog gewaarschuwd worden tegen van werkwoorden afhankelijke bepalingen met aan, welke als bloote omschrijving van den datief zijn aan te merken. De mogelijkheid, om een datief door aan of voor te omschrijven, is een uiterlijk hulpmiddel, dat vooral bij zeer elementair taalonderwijs eenigen dienst kan bewijzen, maar men mag nooit vergeten, ten eerste: dat niet alle datieven kunnen omschreven worden, niet alleen niet met aan, maar ook niet met voor; en ten tweede: dat, waar een omschrijving met aan mogelijk is, deze daarom nog niet gebruikelijk is. Noch de datief van het bezittende, noch die van het belangstellende en oordeelende voorwerp is voor omschrijving vatbaar: tranen stonden den knaap in de oogen, hij kliefde den bode den kop kan niet vervangen worden door tranen stonden aan den knaap in de oogen, hij kliefde aan den bode den kop; - dat was me daar een drukte, hij is me te traag, die jas is mij nog goed genoeg kan niet vervangen worden door dat was daar een drukte aan mij, hij is te traag aan mij, die jas is nog goed genoeg aan mij; verder denke men aan het verschil in beteekenis tusschen koop mij dat boek en koop dat boek voor mij, en dergelijke. Voor zooverre de omschrijving met aan mogelijk is, geschiedt ze gewoonlijk 1o ter wille van den rhytmus; 2o om het meewerkend voorwerp, vooral in tegenstellingen, krachtiger te doen uitkomen: Wijt dit niet aan mij, maar aan u zelven; 3o om het meewerkend voorwerp om de eene of andere stijlbehoefte achteraan te kunnen plaatsen: men beloofde honderd gulden, aan dengene die enz.; 4o om zaken als meewerkend voorwerp te kunnen gebruiken, “die het nuchter verstand zich ongaarne als handelende personen voorstelt”: eene stelling, die eere doet aan het vernuft; om de noodige ronding te geven aan het geheel. Vergelijkt men nu het Fransche spraakgebruik, dan blijkt dadelijk dat in de taal onzer zuiderburen geene andere datiefvormen meer bestaan dan die der voornaamwoorden, zoodat alle andere vervangen zijn door bepalingen met à, en dat het Fransch dan ook dergelijke bepalingen gebruikt in de talrijke gevallen, waarin het Nederlandsch een datief bezigt. Dit heeft het gevolg, dat Zuidnederlandsche schrijvers zeer vaak een bepaling met aan gebruiken, ter uitdrukking van een meewerkend voorwerp, in gevallen waarin alleen een datief mogelijk is. || Eenige (windmolens) (dienden) aan onze oude schuttersgilden om den papegaai te schieten van het toppunt eener lange pers, die aan de rechtstaande molenwiek was bevestigd, DE POTTER, Gent 1, 143. O. L. V. verschijnt aan den heilige (t.w. S. Bernardus), en ten teeken van liefde laat zij melk uit hare borst in zijnen mond spuiten, ROOSES, Op Reis 59. Hij (zeker schrijver) vreesde wellicht, dat het gemoed zijn verstand zou benevelen of zijn oog verduisteren, en schroomvallig knipte hij aan den genius der kunst de beide vleugels kort en dwong hem op den beganen grond … te wandelen, ROOSES, Lett. Stud. 22. Van Melle klieft den kop aan den bode van Karel, die hem de oneer zijner dochter bekend maakt, 93. Zij (nl. schilderijen) verwierven aan hunnen maker de openbare gunst, de bescherming van het hof en van den adel, SABBE, Vl. Schilderk. 121 (bij WAUTERS 157: elles … valurent à leur auteur la faveur publique enz., d.i. zij bezorgden hun maker de openbare gunst enz.). Overigens hadden de rederijkers, wat de kunstmiddeltjes betreft, weinig aan ons te benijden, V. HAUWAERT, Vl. Toon. 43.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Aan.
α) In plaatsbepalingen. – 1o In het Fransch zegt men voir à la page 12, voir LITTRÉ au mot enz. Dat heet in ’t Nederlandsch op bladzijde 12, zie het Wdb d. Nederl. Taal op het woord enz. Een enkele maal wordt het Fransche spraakgebruik in Zuid-Nederland nagevolgd en leest men aan het woord enz. || De teekening, die Christiaensen hier in zijn handschrift geeft, is ook te vinden in RICH, Dict. des antiq. romaines et grecques, aan het woord Ephirhedium, DAEMS, Kruiw.65.
2o In het Fransch zegt men au summet de la montagne, au combe de la fortune, à l’apogée de la gloire enz., en ook hier wordt de functie van fr. à in onze taal door op uitgedrukt: op het toppunt van den berg, op het toppunt des roems enz. Op de volgende plaats is naar het voorbeeld van ’t Fransche taaleigen ten onrechte aan gebruikt. || Reine, aan het toppunt harer woede, vond benamingen en scheldwoorden, die enz., LOVELING, D. E. 200.

β) In bepalingen van grond. – In deze rubriek hoort thuis het gebruik van aan in de praepositionele uitdrukking dank aan -, letterlijke vertaling van fr. grâce à -, terwijl men in ’t Nederlandsch zegt dank zij gevolgd door een datief. || Dank aan de machtige tusschenkomst van Koning Willem, hadden zij (t.w. zekerenijverheidsgestichten”) meest alle eene ontzaglijke ontwikkeling en welvaart bereikt, G. BERGMANN, Gedenkschr. 215. Dirk en Wouter Crabeth … waren de eerste glasschilders van hunnen tijd, en dank aan hen mogen de prachtige glasschilderingen der kerk van Gouda gerekend worden onder de schoonste bladzijden dier … kunst, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 48 (bij HAVARD 62: grâce à eux). Deze (de bijzaken) zijn niet weggemoffeld; zij bevinden zich op hunne plaats, behouden hunne vormen en evenredigheden, doch dank aan het licht-en-donker bezitten zij slechts juist het hun toekomende belang, 67 (bij HAVARD 84: grâce au clair-obscur). De afsluitingen, die de natuur tusschen volkeren gesteld heeft, zullen, dank aan de zegevierende macht der nijverheid, meer en meer verdwijnen, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 120 (bij RICHET in Revue Scientifique 49, 324b: grâce à la force triomphante de l’industrie). De twee laatste der kerken zijn echter nu, dank aan de tusschenkomst van een verlichten kunstvriend, gered en hersteld, ROOSES, Op Reis 113. ’t Is vooral dank aan de schrandere opzoekingen der … archivisten van Leuven en Brussel, … dat men Bout’s leven en zijne voornaamste werken heeft leren kennen, SABBE, Vl. Schilderk. 54 (bij WAUTERS 82: C’est aux savantes recherches des deux archivistes de Louvain et de Bruxelles … que l’on doit enz.). Zijn bestaan is … aan den dag gekomen, dank aan vier genaamteekende schilderijen, 256 (bij WAUTERS 315: grâce à quatre tableaux). Er (bestaat) in ons, dank aan onze verbeelding, eene wereld van zielsprodukten, groepen en reeksen van voorstellingen, TEMMERMAN in De Toekomst 35, 94. In de algemeene Letterkunde is Milton, dank aan de wereldtaal, die hij schrijft, veel meer gekend dan Vondel, SEGERS, Vondel2 163. De vertooning, die overigens ongemeen goed gelukte, dank aan de toewijding van … Kettmann, … vond eenen zoo grooten als onverhoopten bijval, DE MONT in De Toekomst 34, 385. Ook als pittoresk staat het (nl. het stadje Laroche) boven Spa, dank vooral aan de sombere zwarte ruïne, die enz., GITTÉE, Ons Bergl. 33. Wanneer oude vergrijsde schoolmannen het moeten verduren de hersenschimmen van jonge heethoofden, dank aan de afwezigheid der meerderheid van de bondsleden en aan een luttel welsprekendheid, bijna te zien stemmen, dan verwekt zulks een ongemeen misnoegen, RECHTUIT in De Toekomst 31, 503. De commissie zou, dank aan die antwoorden, zich een juist gedacht kunnen vormen van de wenschen en de eischen van het leeraarskorps, VERMAST in Ned. Dicht- en Kunsth. 16, 41. Dank aan de uitgave van Snellaert, hebben wij nu Dboec der Wraken, dat enz., HAERYNCK, Boendale 43. Hoevelen zijn, dank aan den steun door haar (nl. het tijdschriftl’Abeille”) verleend, opgeklommen tot hooge bedieningen in ’t onderwijs, De Toekomst 35, 98.

γ) In bepalingen van prijs. – In prijsbepalingen wordt in Zuid-Nederland algemeen het voorzetsel aan gebruikt, zoowel in gesproken als in geschreven taal, in navolging van fr. à. Het Nederlandsch vereischt voor of tegen, dit laatste waar sprake is van de onderdeelen van een geheel dat stuksgewijze, bij kleinere maten, gewichten of afdeelingen, verkocht wordt. || Aan hoogen prijs verkocht, SLEECKX 3, 173. Aan twee frank per dag, 12, 14. Aan vaste prijzen, 12, 29. Als die dingen zullen aan geringen prijs kunnen verkregen worden, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 118 (bij RICHET in Revue Scientifique 49, 324a: tous ces produits seront à vil prix, d.i. dat zal alles voor een spotprijs te koop zijn). Zijne werken (t.w. van Van der Heyden) werden aan zeer hooge prijzen verkocht, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 194 (bij HAVARD 239: ses oeuvres étaient cotées à des prix élevés). Men drong deze assignaten aan volle waarde aan de burgers op, MATHOT, Troebele Tijd 20. Deze papieren munt … was weldra niet gangbaar aan het honderste harer schriftelijke waarde, 81. Ook vond men geene koopers meer voor verbeurde goederen, zelfs aan spotprijzen niet, 158. Een maandblad … aan de fabelachtig goedkoopen prijs van 1 frank ’s jaars, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 144. Er is geen middel (t.w. om een boek uit te geven) dan van het op uwe kosten te drukken; ik zal het, uit liefde voor de nationale letterkunde doen aan den civielsten prijs mogelijk, DAEMS, Kruiw. 145. Alles komt onder den man, ja bijzonder van het oogenblik, dat men aan den prijs van boterpapier verkoopt. Heeft men mij nog laatst niet voorgesteld 1000 exemplaren aan 30 centiemen per stuk te koopen van een werk, dat ik nog te goedkoop lever aan een frank? 147. De eigenaar zou het vleesch proeven en het beste verbruiken of uitverkoopen aan verminderden prijs, DE VOS, Vl. Jong 53. Het onmisbare vee … was enkel aan woekerprijzen verkrijgbaar, 212. Hij was … blijde den eigendom aan eenen betrekkelijk gunstigen prijs te kunnen afstaan, SEGERS, Gelukkig 93. De liefhebber, die … om het even aan welken prijs, eene der groote schilderijen van Montfort zou koopen, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 2, 26.

M. Siegenbeek (1847), Lijst van woorden en uitdrukkingen met het Nederlandsch taaleigen strijdende, Leiden

aan, in het zeggen van zijne jeugd af aan en meer dergelijke, kan wel als overtollig beschouwd worden, maar wordt echter, meen ik, door ons Spraak- en Schrijfgebruik volkomen gewettigd. Het stellen van een’ vasten regel hieromtrent komt mij derhalve minder gepast voor.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aan ‘voorzetsel; bijwoord’ -> Deens an ‘bijwoord: aan, ook als boekhoudkundige term’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds om (om bord, om babord) ‘geeft in de scheepvaart locatie op schepen aan (aan boord, bakboord)’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands aan, an ‘bijwoord: niet uit’; Skepi-Nederlands an ‘voorzetsel’; Surinaams-Javaans an ‘bijwoord: niet uit’.

aan- ‘bijwoord en voorvoegsel waarmee samengestelde werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ -> Deens an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds an- ‘voorvoegsel waarmee werkwoorden worden gevormd met de betekenis: op, in, naar, aan’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aan* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

an4, anu, anō, nō u. dgl., Präposition, etwa ‘an einer schrägen Fläche hin, hinan’, (vgl. die Zusammenfassung bei Brugmann Grdr. II2 2, 798 f., auch über das Syntaktische).

Av. ana, apers. anā (urar. *ana oder *anā) ‘über-hin’ (m. Akk. oder Instr.), ‘entlang, auf (m. Akk.), av. anu, apers. anuv ‘nach, gemäß; auf-hin’ (m. Akk.), ‘längs, entlang’ (m. Lok.), auch Präverb; ai. ánu ‘nach (zeitlich m. Akk., Аbl., Gen.), nach (Reihenfolge), nach-hin, entlang, hinter-her, gemäß, in betreff, gegen’ (m. Akk.), Adv. ‘darauf (das ausl. -u scheint mit dem von lesb. thess. ἀπύ neben att. ἄπό vergleichbar zu sein. Gegen Wackernagels Erklärung aus idg. *enu ‘entlang, gemäß’ s. WH. I 677; zum -u s. unten ap-u);
arm. am- in am-baṙnam ham-barnam ‘ich erhebe’, ham-berem ‘ich ertrage’ vielleicht aus -an (das h dann durch Vermischung mit dem aus dem Pers. entlehnten ham- ‘zusammen’;
ion.-att. ἄνα, ανά ‘auf, in die Höhe, entlang’, dor. böot. ark. kypr. ἀν, lesb. thess. ark., z. Teil kypr. ὀν, vereinzelt ark. kypr. ὐν (aus ὀν) ds. (die einsilbige Form scheint die ursprüngliche, und ἀνά erst nach κατά erweitert zu sein; vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 622; wahrscheinlich ist nach Schwyzer Gr. Gr. I 275 ὀν aus ἀν entstanden; Adv. ἄνω ‘aufwärts, empor’;
ein lat. Rest scheint an-hēlō ‘atme stark und mühsam’ (an + *anslō); umbr. an-, (mit en ‘in’ gleichbedeutend geworden und mit ihm wechselnd, daher en-tentu neben:) an-tentu ‘intendito’, anseriato ‘observatum’, anglar ‘oscines’ (*an-klā zu clamo) usw.
Vielleicht hierher air. an-dess ‘von Süden her’ usw.;
got. ana (m. Dat. mid Akk.) ‘auf, an, gegen, wegen, über’, anord. ā Adv. und Präp. m. Dat. und Akk. ‘an, in’, m. Dat. ‘an, in, auf, bei’, m. Akk. ‘nach, auf, entgegen’, as. an, ags. on, ahd. aua, an, nhd. an (*ana oder *anō, *anē) Präp. m. Dat. und Akk. und Instr. ‘an, auf, in, bis, gegen’;
lit. anóte, anót m. Gen. ‘entsprechend, gemäß’; über das zunächst auf ursl. *on zurückgehende slav. (n)- ‘in, auf’ s. Brugmann Grdr. II2 2, 828 und *en ‘in’.
Mit Schwundstufe der ersten Silbe, also Anlaut n-:
lit. nuõ m. Gen. ‘von-herab, von-weg’ (diese woher-Bed. erst durch die Verbindung mit dem Ablativ neu entstanden), als Nominalpräf. nuo-, als Verbalpräf. nu- (proklit. Kürzung wie in pri- neben priẽ), let. nùo m. Gen. ‘von’, als Präfix nuo-; apr. no, na m. Akk. ‘auf (wohin), gegen, über-hin’, als Präf. ‘nach; von-weg’ (s. auch BezzenbergerKZ. 44, 304); aksl. na m. Akk. und Lok. ‘auf-hin; auf, an’ (dazu nach prě : prě-dъ neugebildet na-dъ ‘oberhalb, über’ m. Akk. und Instr. und Präverb); ai. nā- vielleicht in nādhitá ‘bedrängt’, s. u. nā- ‘helfen’.
Hierher vermutlich lit. -na, -n ‘in (Richtung wohin)’, Postposition bei Verben der Bewegung, av. na-zdyah-, ai. nḗdīyas- ‘näher’ (‘*herangerückter’); Wz. sed- ‘sitzen’; vermutlich ähnlich got. nēƕ, ahd. nāh Adv. ‘nahe’ als ‘heranschauend, herangewendet’ (mit Wz. oq- als 2. Glied); s. Brugmann Grdr. II2 2, 798 f., wo auch über die mehrdeutigen ai. ádhi ‘über, auf, ap. adiy ‘in’ (*-n̥dhi oder *edhi, *odhi?).
Als fürs Uridg. gesichert dürfen gelten die Formen *an und *anō, *nō, wohl auch *nŏ (nĕ?). Die Annahme von Beziehung zur Demonstrativpartikel an- bedarf noch näherer Begründung, ist aber grundsätzlich ebenso zulässig, wie z. B. die Verwandtschaft von ai. ā ‘an, auf, herbei’ mit dem Demonstrativstamm е-, о-.
Über got. anaks adv. ‘plötzlich, sogleich’, angeblich zu abg. naglъ ‘plötzlich, jäh’ (?), s. Feist 42.

WP. I 58 f., WH. I 43 f., 49, 677, Feist 41 a, 373, Trautmann 200.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal