Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aalt - (mestvocht)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Een oudere vindplaats van de vorm aalt 'mestvocht' met eind-t dan in het Etymologisch woordenboek van het Nederlands en het Van Dale Etymologisch woordenboek is

Zie ook de publicatie van J. Luif (2010), Oudere dateringen van woorden uit deel 1 van het EWN in het elektronisch tijdschrift Trefwoord.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aal 4 zn. ‘mestvocht’
Mnl. ael ‘id.’ [1469; MNHWS]; nnl. ook aalt ‘id.’ [1872; Dale].
Wrsch. een samentrekking (met latere toevoeging van paragogische -t zoals bij → arend) uit ouder *adel dat misschien voorkomt in adelbie ‘wesp’ [13e eeuw] (andere handschriften van dezelfde tekst hebben echter abeel bie). Een andere, minder waarschijnlijke verklaring ziet in aalt een vorm ontstaan uit *aald, die door verspringing van de -d- uit *adel is ontstaan (zoals → naald uit pgm. *nēþlō-).
Mnd. adel (addel, eddel, iddel) ‘aalt’; vnhd. adel (nhd. Adel ‘slijk’); nfri. aal; oe. adela ‘modder, vuil’ (me. adel (bn.) ‘bedorven’; ne. addle); ozw. koadel ‘koeiengier’; < pgm. *adalō-.
Mogelijk is het verwant met Grieks ásis (< *atis) ‘slijk, modder’. Een andere mogelijkheid is verwantschap met oe. ādl ‘ziekte’ bij het bn. ādlīc ‘ziek, kapot, vuil’. Dan zouden de Nederlandse en Middelnederduitse vormen echter /a/ uit ouder /ai/ moeten hebben, wat ongebruikelijk is, daar men /e/ zou verwachten.
Het woord aal wordt vooral in België gebruikt. Volgens Kieft (1938) is homonymie met → aal 1 ‘paling’ en → aal 2 ‘bier’ in het West-Nederlandse taalgebied er de oorzaak van dat twee van deze drie woorden zijn verdwenen, met als blijvers aal ‘mestvocht’ in de Zuid-Nederlandse dialecten en aal ‘paling’ in de Hollandse dialecten.
Lit.: Kieft 1938, 29-84

EWN: aal 4 zn. 'mestvocht'; de vorm aalt (1872)
ANTEDATERING: de "Aalt" of de afloopende vochtigheid van den mesthoop [1847; Cactus-soorten, 36]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aal1* [gier] {ael 1469} oorspronkelijke vorm van aalt.

aalt* [gier] {ael 1469, aalt 1864} met later toegevoegde t, verkort uit oostmiddelnederlands adel [slijk], middelnederduits ad(d)el [gier], fries ael, oudengels adel, adela [vuilnis, riool, urine], engels addle [rot, bedorven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aalt [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 106 [1966].

aalt znw. v. m. met epenthese van t, vgl. dial. zuidnl. aal, ale. — mnd. ādel, addel, eddel, iddel, fri. ael (vgl. hindel. aeld ‘gier’), ne. addle, noorw. dial. aale, zw. dial. adel, al, de. dial. adel, al. — De verbinding met gr. ásis ‘slijk, modder’ < *atis is zeer onzeker.

Het woord is alg. germ., maar door jongere woorden ten dele verdrongen; het voorkomen in Westfalen, West-Vlaanderen en Oost-Beieren is als relict te beschouwen. In ons land komt het nog voor behalve in West-Vl., in het Gooi, Achterh., Twente en Z.O. Drente (zie Leidse Taalatlas afl. 1, 7). Het verdwijnen van aalt, dat vooral door gier 2 vervangen werd, schrijft Kieft, Homonymie 29-79 toe aan het samenvallen van *adel met adel ‘nobilitas’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aalt znw., dial. zuid-ndl. ook aal, ale. Vgl. du. (hd. en nd.) dial. adel, mnd. ādel (addel, eddel, iddel; dezelfde bijvormen ook nnd.), fri. ael (zeldzaam), Hindel. aeld “gier, aalt”, ags. adela, adel m. ”vuilnis, riool”, ozw., nog dial. zw. adla, ala “pissen”. Doordat het woord noch uit het westelijke Mnl. (de Teuth. vermeldt adel “poel, modder”) noch uit Kil. bekend is, is de beoordeeling van de nndl. vormen moeilijk. Wellicht aal uit *ādel, aalt uit aal met een jongere t. Men heeft gr. ásis “rivierslijk” (*átis) vergeleken, waarvoor echter ook andere verklaringen mogelijk zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aalt. Mnd. ādel is m. en o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aalt v., bijvorm met paragog. t van aal 5, of eerder, blijkens Fri. aeld, metath. van adel (z. aal 5).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

aal, zn.: aalt, gier. Verspreid gewestelijk woord. Oostmnl. adel ‘slijk’, Mnd. adel, Oe. adela, E. addle, Zw. dial. adel, al, N. dial. aale, Fri. ael.

naalwasser, naalzeik, zn.: gier. Samenst. met naal, door metanalyse uit aal (zie i.v.).

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

aal, ale zn. v.: aalt, gier. Oostmnl. adel ‘slijk’, Mnd. adel, Oe. adela, E. addle ‘rot’, N. dial. aale, Fri. ael. De eind-t in Ndl. aalt is paragogisch. Samenst. aalpomp(e), aalput.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

aal, ale, zn. v.: aalt, gier. Oostmnl. adel 'slijk', Mnd. adel, Oe. adela, E. addle 'rot', N. dial. aale, Fri. ael. De eind-t in Ndl. aalt is paragogisch. Samenst. aalkarteel, aalkerre, aalkuipe, aallepel, aalpompe, aalschijte, aalstok, aalstuk, mesale.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aal, ale, ook in ss. als aalwater gier (West-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Gooi, Zuidoost-Limburg, Zuidoost-Drente, Overijssel, Gelderland). = nl. aalt, mndd. adel, fri. ael, hindel. aeld, eng. addle, zw.dial. adel, al, hgd.dial. adel. Mogelijk is de t van aalt paragogisch, al is metathesis dlld ook goed mogelijk, getuige nl. naald naast hgd. nadel. Geen duidelijke verwanten buiten het germ.
TNZN krt 7.

naalwasser, naalzeik gier (Kerkrade). Eerste deel = aal ↑ ‘id.’ met metanalytische n.
Amkreutz e.a. 200.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ale, zn. v.: aal(t), gier. Oostmnl. adel ‘slijk’, Mnd. adel, Oe. adela, E. addle, N. Dial. aale, Fri. ael.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal