Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aal - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

aal 1 zn. ‘paling (Anguilla anguilla)’
Onl. āl- ‘aal’ in de naam Aelmere (voorloper van het IJsselmeer, waarop de moderne plaatsnaam Almere (Flevoland) is gebaseerd) [755-768; Künzel 63]; mnl. ael [1240; Bern.].
Os. āl, ohd. āl (nhd. Aal); ofri. ēl (nfri. iel); oe. ǣl, ēl (ne. eel); on. áll (nzw. ål; nijsl. áll); ontwikkeld uit pgm. *ēla-.
Verdere verwantschap onzeker. In de andere Indo-Europese talen vindt men Latijn anguilla; Litouws ungurỹs; Russisch úgor', die teruggaan op pie. *angw(h)-. Deze vorm kan alleen aan het Germaanse woord ten grondslag liggen als pgm. *anhl- > *āhl- heeft bestaan, wat echter oe. *ōl zou moeten hebben opgeleverd. Daarom is het aannemelijk dat het Germaanse woord een andere oorsprong heeft. Er zijn verschillende mogelijkheden geopperd: bijv. uit pie. *ed-l-ós ‘eter’ bij de wortel *ed- ‘eten’, omdat het dier genoemd zou kunnen zijn naar zijn eigenschap alles te vreten. Mogelijk is ook een afleiding bij pgm. *al- ‘streep’ (waarbij on. áll ‘geul, streep langs de rug van een dier’) of een benoeming vanwege het uiterlijk (zonder vinnen) naar → aal 3 ‘priem’, dus eigenlijk ‘het langgerekte dier’. Al deze verklaringen zijn hoogst onzeker. Archeologisch onderzoek, onder andere in Ertebølle (Denemarken) heeft aangetoond dat de aal al in het Mesolithicum een geliefd gerecht was. Dat zou kunnen betekenen dat de naam een voor-Indo-Europees substraatwoord is dat werd overgenomen door de plaatselijke bevolking.
aaltje zn. ‘klein doorzichtig draadvormig wormpje (Nematoda)’. Vnnl. aeltgens (mv.) [1675; WNT aal VI]. Zo genoemd vanwege de vormgelijkheid.
Lit.: Doorn 1967; E. Polomé (1989) ‘Substrate Lexicon in Germanic’, in: NOWELE 14, 53-73, hier 68; E. Polomé (1992) ‘Germanic, Northwest-Indo-European and Pre-Indo-European Substrates’ in: R. Lippi-Green (ed.) Recent Developments in Germanic Linguistics, Amsterdam; R. Bremmer (1993) ‘Dutch and/or Frisian: North Sea Germanic aspects in Dutch etymological dictionaries in past and future’ in: Bremmer e.a. 1993, 17-36, hier 27

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aal3* [vis] {in de plaatsnaam Aelmere, nu Almere, vroeger de naam van een deel van het IJsselmeer <755-768>, ael 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits āl, oudengels æl (engels eel), oudnoors āll, etymologie onzeker, misschien voor-germ. of mogelijk verwant met latijn anguilla [slang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

aal 1 znw. m. (vissoort), mnl. ael m., os. âl, ohd. âl, oe. æl (ne. eel), on. āll. — > fra. ale (? Valkhoff 44). — Zie: elger.

Etymologie onzeker: 1. te verbinden met on. āll ‘watergeul; streep op de rug van een dier’ (Uhlenbeck PBB 35, 1909, 162; waarvoor AEW 6); dan dus naar lange smalle vorm genoemd. — 2. uit idg. *ēdlo ‘eter’ bij eten. (E. Schröder, ZfdA 42, 1898, 63). — 3. bij oi. alam ‘viskuit’, vgl. noorw. dial. ulka ‘aangehecht slijm’, dus dan als slijmerige vis (Loewenthal WS 10, 1927, 144). — Misschien een woord van de vóórgerm. bevolking.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

aal I (visch), mnl. ael m. = ohd. âl m. (nhd. aal), os. âl, ags. æ̂l (eng. eel), on. âll m. “aal”. Etymologie onzeker. De combinaties met den vischnaam ohd. alunt, os. alund, on. ǫlunn m. en met het tweede lid van gr. énkhelus “aal” zijn zeer onzeker, eveneens de afl. van germ. *êla- uit idg. *êd-lo- “de vreter” of “de eetbare”, van den wortel ed- (zie eten). Vgl. veeleer on. âll m. “geul, gleuf”, âl v. “riem, teugel”, oi. âlĭ- “lijn, streep”. De oorspr. bet. van aal was dan “lang, smal ding”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] aal I. De vischnaam čech. jelec “squalius cephalus”, demin. van *jelŭ, dat met ’t 2. lid van gr. énkh-elus is geïdentificeerd, kan met de hier genoemde germ. vischnamen of een deel er van in verband staan, maar helpt ons overigens niet verder.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

aal I (vis). On. âl v. ‘riem’ eerder, vooral met het oog op de wisselvorm ôl, als *aŋχlô- bij gr. ankúlē ‘riem”. (Zie bij angel en angel Suppl.). Indien on. âll m. ‘diepe geul in rivier of fjord’, ook: ‘streep over de rug van dieren’ hiermee verwant is — wat niet zeker is — moet ook dit woord van aal worden gescheiden. De combinatie, met oi. âlī̆- ‘streep, lijn’ (waarbij wellicht gr. ōlinggē ‘streep, rimpel op de oogleden’: Persson Beitr. 224) blijft dan mogelijk, maar is vaag.
Niet beter echter Loewenthal WuS. 10, 144: verwantschap met noorw. dial. ulka ‘aanklevend slijm’, oi. âla- ‘viskuit, gif van dieren’, lit. ẽlmės ‘vocht, dat uit een lijk loopt’ (de aal zou naar zijn slijmerige huid zijn genoemd).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

aal 2 m. (visch), Mnl. ael + Ohd. âl (Mhd. âl, Nhd. aal), Ags. ǽl (Eng. eel), On. áll (Zw. ål, De. aal), Ug. *êl-, uit *êgwl-, van Idg. *eɡh-; van denz. wortel in ander graden komen Skr. ahiṣ, Gr. ékhis, óphis, en met nasaleering Gr. énkhelus, Lat. anguis, anguilla.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aal ‘paling’ -> Noors ål ‘paling’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect ale ‘paling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aal* beenvis 0755-768 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

6. Hij is te vangen als een aal bij den staart,

d.i. hij is zoo weinig thuis, dat men hem maar hoogst zelden te spreken kan krijgen; ook: zoo vlug en handig, dat men hem bij eene discussie niet schaakmat kan zetten. Vgl. no. 7.

5. Hij is zoo glad als een aal,

d.i. men heeft geen vat op hem, hij weet zich door zijne slimheid uit alle ongelegenheden te redden; vroeger ook in de bet.: daar is niets van hem te halen, hij is geldeloos, ‘zoo naakt als een luis’. Vgl. fr. il est glissant comme une anguille; hd. er ist so glatt wie ein Aal; aalglatt; nd. he is so glatt as en Al; eng. he is as slippery as an eel. Reeds in het Grieksch: λειος ωσπερ εγχελυς; Latijn: anguilla est: elabitur, bij Plautus, Pseud. 747. Zie Ndl. Wdb. V. 4; 9 en vgl. in het Mnl. Rose, 9287:

 Een Wijf es, dat verstaet,
 Lange te houdene alsoe quaet,
 Diermen haren wille nine doet,
 Alse es te houdene in die vloet
 Een levende ael met sinen steerte.

7. Een aal (of een paling) bij den staart hebben,

d.i. zich bezig houden met eene zaak of onderneming, die wel denkelijk uit de hand ontglippen of mislukken zal. In het mlat. qui tenet anguillam per caudam, non habet illam (Werner, 80); bij Goedthals, 18: eenen palingh bij den steerte hebben, a grand pêcheur eschappe anguille; Campen, 118: hij is te holden as een Ael by den stert; Sartorius I, 5, 52: cauda tenes anguillam. Ghy hebt een gladden Ael by de steert: in eos apte dicitur, quibus res est cum hominibus lubrica fide, perfidisque: aut qui rem fugitivam atque incertam aliquam habent, quam tueri diu non possint. Zie verder Velth. IV, 1, 25: Dus heeft een t rike na sine begerte alse een ael bi den sterte; Roemer Visscher, Sinnepoppen, 178; Coster, 49 vs. 1160; De Brune, 61; Pers, 760 a; Winschooten, 1; Idinau, 14:

 Den paelinck by den steerte houden.
Hy houdt den palinck by den steerte,
 Soo wie sijn saeck niet vast en heeft.
 Neemt rijpen raedt, tot uwer begheerte,
 Ende u stuck alle versekerheydt geeft.
 T' is toe-siens weerdt, daert al aen-kleeft.

Sewel, 1: Hy heeft een gladden aal by de staart, he has a wet eel by the tail; Halma, 1: Eenen aal bij den staart houden, tenir une anguille par la queue, c'est à dire, en façon de parler proverbiale, tenir le loup par les oreilles, être fort embarassé.

Vgl. nog Tuinman, I, 367; Harreb. I, 1b; III, 97; Erasmus. bl. 83-85; Rutten, 168: Iets zoo vast hebben als eenen paling met zijnen steert, zeer onzeker zijn van iets; fri. in gledde iel by de stirt habbe; hd. den Aal beim Schwanze fassen; wer den Aal nimmt beim Schwanz hat ihn weder halb noch ganz; fr. qui prend l'anguille par la queue et la femme par la parole, peut dire qu'il ne tient rien; eng. there's as much hold of his word as there is of a wet eel by the tail, waarmede te vergelijken is De Brune, 176:

 Die by den steert een palingh houdt,
 En op een vrouwes woorden bouwt;
 Die magh wel zegghen met verdriet,
 't Is al maer wind, 'k en hebbe niet.

(Aanv.) Vgl. nog Rose, 9119 vlgg.: Want een wijf es, dat verstaet, // Langhe te houdene also quaet, // Dier wille men niet al en doet, // Als te houdene es in eene vloet // Die ael met sinen sterte.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ēl- ‘Streifen’?

Ai. āli-, ālī f. ‘Streifen, Strich’ könnte zu gr. ὠλίγγη ‘Krähenfüße unter den Augen’ (*ōlin-g-ā) gehören; hierher könnte man auch aisl. āll (idg. *ēlo-) ‘Rinne oder Furche im Fluß, tiefes Tal zwischen Felsen, Furche oder Streifen längs des Rückens von Tieren’ stellen; vgl. aisl. ālōttr ‘gestreift’, norw. dial. aal = aisl. āll und nhd. Aal ‘Streifen im Stoff’; nhd. Aalstreif, -strich ‘Streifen auf dem Rücken von Tieren’ könnte jedoch zu nhd. Aal ‘anguilla’ gehören, wobei umgekehrt die Möglichkeit der Benennung des Aales nach seiner langgestreckten Gestalt möglich wäre.

WP. I 155, Specht Dekl. 213.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal