Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwijgen - (niet spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwijgen ww. ‘niet spreken’
Onl. alleen in de afleiding biswīgan ‘verzwijgen’ in thaz ... sie iz ire nieht nebesuigen ‘dat ze het niet voor haar zouden verzwijgen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. swighen ‘zwijgen’ in cloyris sweic der warheit [1201-25; VMNW].
Os. swīgon (mnd. swigen); ohd. swīgēn (nhd. Schweigen); ofri. swigia (nfri. swije); oe. swīgian, swīgan; < pgm. *swīgōn-, swīgēn-, swīgijan- ‘zwijgen’. In de oudste taalfasen is het werkwoord zwak; in het mnd. en mhd. ontstond een sterke vervoeging naar analogie van de sterke werkwoorden van de eerste klasse. In het Nederlands kan hetzelfde zijn gebeurd, maar aangezien sterke vervoegingen al vanaf de vroegste tijd voorkomen, kan zwijgen in theorie ook op een primair werkwoord pgm. *swīgan- teruggaan.
Hierbij horen verder nog de causatieven: mnl. sweigen [1240; Bern.]; mnd. sweigen; ohd. (gi)sweigen; < pgm. *swaigijan- ‘doen zwijgen’. Daarnaast de zn.: ohd. swīga; oe. swīge; < pgm. *swīgō- ‘het zwijgen, stilte’.
Verdere herkomst onbekend. Verwantschap met Grieks sĩga ‘zwijgend’ is onmogelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwijgen* [niet spreken] {swigen 1236} oudsaksisch swigon, oudhoogduits swigen, oudfries swigia, oudengels swigian; op enige afstand verwant met grieks sigaō [ik zwijg] (vgl. zwichten1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwijgen ww., mnl. swîghen (ook reeds als st. ww.), os. swīgon, ohd. swīgēn (nhd. schweigen), ofri. swīgia, oe. swīgian en abl. swĭgian, swŭgian. Hiervan afgeleid het caus. mnl. sweighen, swêghen, mnd. sweigen, ohd. sweigen ‘tot zwijgen brengenʼ en het znw. ohd. swīga, mhd. ofri. oe. swīge v. ‘het zwijgenʼ. — Gutturaal-afl. van de idg. wt. *su̯ī ‘verdwijnen, ophoudenʼ, vgl. on. svīa ‘ophoudenʼ (IEW 1052).

Van deze wt. zijn afgeleid
met k zwijgen
met g gr. sigáo ‘zwijgenʼ
met p zwichten 1
met n zwin.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwijgen ww., mnl. swîghen (reeds sterk, evenzoo al in ’t Mhd. Mnd.). = ohd. swîgên (nhd. schweigen), os. swîgon, ofri. swîgia, ags. swîgian (met ablaut swigian, swugian) “zwijgen”. Hierbij de znww. ohd. swîga, mhd. ofri. ags. swîge v. “het zwijgen” en mhd. swîc (g) m. “id.” en ’t causativum ohd. sweigen (nhd. schweigen), mnd. sweigen, mnl. sweighen, swêghen “tot zwijgen brengen”. Van een idg. basis swī̆q- of swī̆ḱ-; hiernaast een synoniem swī̆g- of swī̆ĝ-, waarvan gr. sīgḗ “het zwijgen”, sīgáō “ik zwijg”, en swĭp- (zie zwichten I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwijgen ono.w., Mnl. swighen, Os. swîgon + Ohd. swîgên (Mhd. id., Nhd. schweigen), Ags. swígian, Ofri. swígia: Idg. *su̯ei̯k- of *su̯ei̯gh- + Gr. sigḗ (d.i. *su̯ei̯gā) = het stilzwijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwiege (ww.) zwijgen; Vreugmiddelnederlands swighen <1201-1225>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zwijgen (wie zwijgt, stemt toe) (vert. van Latijn qui tacet, consentit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwijgen, van den Idg. wt. swig = zwijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwijgen ‘niet spreken’ -> Negerhollands swieg ‘niet spreken’; Sranantongo sye (ouder: swè) ‘stil!’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwijgen* niet spreken 1236 [CG I1, 26]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2141. Spreken is zilver maar zwijgen is goud.

Deze gedachte wordt in het mlat. uitgedrukt door scire loqui decus est, decus est et scire tacere (Werner, 88). Den tegenwoordigen vorm van deze spreuk heb ik niet eerder dan in onze eeuw aangetroffenWel komt in den bijbel voor Psalm XII, 7: ‘De woorden van Jahwe zijn reine woorden, zilver, gezuiverd in den smeltkroes’; Spreuken, X, 20: ‘Uitgelezen zilver is de tong des rechtschapenen,’ doch hieraan kan de spreuk niet zijn ontleend. Volgens Wander III, 1559 is ze ontleend aan de Arabieren; in de Koran komt ze echter niet voor. Bij de kerkvaders is dikwijls sprake van het zilver van het spreken en het goud der wijsheid of der deugd (Archiv XIII, 259).; voor Zuid-Nederland zie Antw. Idiot. 1165. Vgl. ook hd. Reden ist silber, Schweigen ist gold; fr. la parole est d'argent, la silence est d'or; eng. speech is silvern, silence is golden.

2229. In alle (of zeven) talen zwijgen,

d.w.z. geheel zwijgen, niets zeggen; hd. in sieben Sprachen schweigen. Vgl. Haagsche Post, 26 Jan. 1918, p. 89 k. 2: De oude graaf Herting zwijgt nog steeds in alle talen; Handelsblad, 4 Mei 1923 (O), p. 5 k. 3: Hij sprak over een politieke manoeuvre, maar moest zelf maar zwijgen in alle talen die hij kent; 25 Jan. 1924 (O), p. 7 k. 6: Toen wij in Zwitserland waren stonden de Zwitsersche bladen vol over de Zw. kampioenen. Toen gebleken was dat een aantal Hollanders deze kampioenen vèr achter zich lieten, zwegen die bladen in alle talen; N. Taalgids XVII, 51: Daarvan schrikt natuurlijk het wordende begrip in de kandidaat; dit trekt zich terug, duikt weer achter de horizon, en de kandidaat zwijgt voor altijd in zeven talen.

2688. Die zwijgt stemt toe.

De meening dat iemand, die zwijgt op een voorstel of eene vraag, toestemt, is al zeer oud en komt bij vele volken voor (zie Wander IV, 444-445). Vgl. voor het Grieksch Plato, Cratylus, 13; Eurip. Iphig Aul. 1142: αυτο το σιγαν ομολογουντος εστι σου; lat. Seneca, rhet. controv. 10 2, 6: sed silentium videtur confessio; Paul. Digest. 50, 17, 142: qui tacet non itaque fatetur, sed tamen verum est eum non negare. Bij ons luidt het spreekwoord in het mnl. wie swighet die volghet; soo wie swijgt die looft; vgl. verder Ebbinge Wubben, Mnl. Bijbelvertalingen, 23: Die dwalinghe liden ende dair thoe zwighen als sijt wel rechten mochten die consenteren; Campen, 26: die swycht, die volcht; in de Prov. Comm. 297: die swighet die volcht; Vondel; Herkules, 818: Wie op eene aenklaght zwijght, melt datze schuldigh is; De Brune, 324:

 Die niet en spreeckt, op dat men vraeght,
 Ghenoeghsaem daer consent in draeght.

Sewel, 1005: Het spreekwoord zegt, die zwygt stemt toe; W. Leevend VIII, 358: Die zwijgt concenteert; Joos 148: die niet spreekt, stemt toe; Harreb. III, 15 a; fri. dy swiget stimt ta; fr. qui se tait (ou qui ne dit mot) consent; hd. wer schweigt, stimmt zu; schweigst du stille, so ists dein Wille; eng. silence is (or gives) consentIn het rechtswezen heeft de regel qui tacet fatetur of qui tacet consentire videtur zoo in het algemeen niet gegolden. Wel schijnt het volgens de lex Rubria, cap. 21, 22, dat in het Romeinsch recht degene, die voor den praetor op een gedane vordering niet antwoordde als confessus, d.w.z. damnatus behandeld werd, doch de autoriteiten, bijv. Lenel, zijn het over de beteekenis van het hoofdstuk in bovengenoemde wet niet eens. In het Germaansch recht was de gedaagde in een proces tot antwoorden verplicht. Deed hij het niet, dan verloor hij het recht tot verdediging. Ook moest veelal bij gebreke van bewijs door den eischer de gedaagde zijn onschuld bezweren; deed hij dat niet, dan werd hij niet voor onschuldig gehouden, doch dat is nog wat anders dan toestemmen, erkennen (mededeelingen van Prof. J.C. Naber te Utrecht en Prof. S.J. Fockema Andreae te Leiden)..

Hosted by Meertens Instituut