Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zweven - (door de lucht drijven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zweven ww. ‘door de lucht drijven’
Onl. sweben ‘vrijelijk heen en weer bewegen, drijven’ in ther [hunich] sueuet in themo wahse ‘de honing drijft in de was’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sweven ‘id.’ in Die vogel die in die lucht sweven ‘de vogels die in de lucht zweven’ [1340-60; MNW-R], Die ghelijc mi leven Ende up dese russche zweven ‘die leven zoals ik en ronddrijven op deze aardklompen’ [1380-1425; MNW-R].
Mnd. sweven; ohd. swebēn (nhd. schweben); alle ‘zweven, drijven, een vrije heen en weer gaande beweging maken’, < pgm. *swibēn-. Nfri. sweve ‘id.’ is ontleend aan het Nederlands.
Ablautend zwak werkwoord (met grammatische wisseling) bij het sterke werkwoord *swīfan- (< ouder *sweifan-), waaruit: ofri. swīva ‘afwijken’; oe. swīfan ‘wenden’; on. swífa ‘slingeren, zwaaien’.
Verdere herkomst onduidelijk. Misschien een nevenvorm van de wortel van → weifelen (FvW) of anders van de wortel van → zweep, maar in elk geval met een anlaut waardoor het woord zich heeft gevoegd bij de groep zw-woorden zoals besproken onder → zwaaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zweven* [drijven] {swe(i)ven [heen en weer gaan, drijven, zich door de lucht bewegen] 1370} oudhoogduits swĕben [zweven, drijven], ablautend oudengels swifan (waarbij engels swift [snel]), oudnoors svífa [slingeren, draaien]; van dezelfde stam als zweep.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zweven ww., mnl. swēven ‘heen en weer gaan, zweven, wapperen, drijven, zwervenʼ, mnd. swēven ‘zweven, op en neer gaanʼ ohd. sweben ‘zweven, drijvenʼ; daarnaast abl. oe. swīfan ‘zich bewegen, zich kerenʼ, on. svīfa ‘zwaaien, heen en weer gaan; zweven, gaanʼ, ofri. swīvia ‘zwerven, onzeker gaanʼ en ohd. sweibōn, ‘zich bewegen, zich wendenʼ, mhd. sweifeln ‘wankelenʼ, on. sveifla ‘zwaaienʼ en sveif v. ‘robbenvin; riemdolʼ. — Mogelijk te verbinden met lett. svipstis ‘lafaard, windbuidelʼ, svaìpit ‘geselenʼ (IEW 1042, maar vgl. Feist Et. Wb. got. 465).

Persson UUÅ 1891, 192 verbindt daarentegen met osl. svepiti ‘in beweging brengenʼ, lit. supù ‘schommelenʼ, dus idg. *su̯ep naast *su̯eb, waarvoor zie: zwabberen. Maar het vocalisme stemt niet overeen; voor zweven moeten wij uitgaan van *su̯eip naast *su̯eib, waarvoor zie: zweep en verder: zwijmen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweven ww., mnl. swēven “heen en weer gaan, zweven, wapperen, drijven, zwerven”. = ohd. swëbên “zweven, drijven” (nhd. schweben), mnd. swēven “zweven, op en neer gaan, heen en weer gaan”. Ablautend met ags. swîfan “zich bewegen, zich keeren”, on. svîfa “zwaaien, slingeren, draaien”, een sterk ww., en ohd. sweibôn “zich bewegen, zich wenden”. Owfri. swiva “onzeker zijn” kan î of ĭ hebben; is wellicht *swivia aan te nemen = zweven? Met ĭ nog on. svifr m. “voorbijgaande verschijning”. Misschien moeten we een idg. basis swī̆p- naast wī̆p-, germ. wī̆f-, wī̆ƀ- (zie weifelen) aannemen; vgl. dan direct lett. svaipît “geeselen”. Ook kan de germ. basis swī̆f-, swī̆ƀ-, naast wī̆f-, wī̆ƀ- secundair zijn ontstaan, eventueel onder invloed van germ. swī̆p- (idg. swī̆b-) naast germ. wī̆p- (idg. wī̆b-; zie zweep).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

weven. De poging van Schwentner PBB. 51, 18 vlgg. om weven en zweven tot éen gemeenschappelijke idg. basis te herleiden, is niet geslaagd.
Over de verwantschap “hogerop” tussen idg. *webh-, *wedh- en *weg- (slot v. h. art.) is het beter zich wat minder positief te uiten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zweven ono.w., Mnl. sweven + Hgd. schweben: van een werkw. *zwijven + Ags. swífan, On. svífa = zwaaien. Hierbij nog Eng. swift: Germ. wrt. swīf = zich draaiend bewegen, bijvorm van Germ. wrt. swīp (z. zweep).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zweven (zweefde, heeft gezweefd), (ook:) 1. zweefduiken (bijv. een doelverdediger bij voetbal). - 2. heen en weer zwaaien aan een touw of een liaan.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zweven, van den Germ. wt. swip (bijv. swif) = zich draaiend bewegen. Zie Zweep.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zweven ‘drijven’ -> Fries sweve ‘door de lucht drijven’; Deens svæve ‘drijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sveve ‘glijden in de lucht’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sväva ‘drijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sweev ‘drijven’; Papiaments zueif ‘drijven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zweven* drijven 1100 [Willeram]

Hosted by Meertens Instituut