Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zweten - (transpireren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zweten* [transpireren] {sweten 1201-1250} afgeleid van zweet, middelnederduits sweten, oudengels swætan, oudnoors sveitask, (sk = sik [zich]), oudhoogduits sweizen [braden], hoogduits schweißen [lassen]; buiten het germ. latijn sudare [zweten], grieks idiein, (< ∗swidiein) [zweten], welsh chwys, lets sviedri (mv.) [zweet], oudindisch sveda- [zweet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zweten ww., mnl. swêten (met ê naar het znw.), mnd. swēten oe. swœtan (ne. sweat), on. sveitast ‘zwetenʼ, maar ohd. sweiʒen ‘braden, roosterenʼ, mhd. sweiʒen, sweizen ‘metaal witgloeiend aaneenhamerenʼ (nhd. schweiszen). — gr. ĩdos, hidrṓs ‘zweetʼ, lat. sudor, kymr. chwys, arm. ǩirt-n, lett. sviêdri ‘zweetʼ en oi. svidyati ‘zwetenʼ, lett. svîstu, svîst ‘zwetenʼ (IEW 1043).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweeten ww. Van zweet. Mnl. swêten, met ê voor ei naar zweet, = mhd. sweiʒen (reeds ohd. met de bet. “roosteren, braden”; nhd. schweissen), mnd. swêten, ags. swæ̂tan (eng. to sweat), on. sveitast “zweeten” (resp. “bloeden”). Met ablaut ohd. swizzen (nhd. schwitzen) “zweeten”. Buiten ’t Germ. vgl. kymr. chwys “zweet” (*swidso-), lat. sûdor “id.” (*swoidos-), gr. hidrṓs, lett. swëdri, arm. kʿirtn (rt < dr), oi. svéda- “id.”, svédate, svídyati “hij zweet”, ’t laatste = ohd. swizzen. Een anlautvariant is oi. kṣvédate, kṣvídyati “hij zweet uit”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zweite (ww.) zweten; Vreugmiddelnederlands sweten <1201-1250>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2sweet ww.
1. Vog afskei wat in druppels op die vel uitslaan. 2. Nat uitslaan. 3. Hard werk.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. zweten (1544 in bet. 1, 1582 in bet. 2). In bet. 3 uit Eng. sweat (897).

swot ww. (studentetaal)
Studeer, veral vir 'n eksamen.
Uit Eng. swot (1860).
Eng. swot is 'n gewestelike vorm van sweat 'sweet', so genoem omdat harde werk jou laat sweet.
Vgl. opswot.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zweten (vervoeging?), (veroud., ook.) gisten (van cacaobonen). De vruchten worden met een sikkel afgestooten en daarna opengespleten; de cacaobonen worden er dadelijk uitgehaald en te gisten gelegd, of, zoals ’t heet, te zweeten (A.C. Wesenhagen 1896, cit. volgens Hira 194; enige vindpl.). - Etym.: AN z. bet. ook allerlei processen en procedés waarbij vloeistof uit een substantie treedt of wordt gedreven. - Zie ook: zweethok*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zweeten, van den Germ. wt. swit, Idg. swid = zweeten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zweten ‘transpireren’ -> Negerhollands sweet, swēt ‘transpireren’; Berbice-Nederlands swete ‘transpireren’; Sranantongo sweti ‘transpireren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zweten* transpireren 1240 [Bern.]

Hosted by Meertens Instituut