Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwerven - (ronddolen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwerven ww. ‘ronddolen’
Vnnl. swerven ‘ronddolen’ in van d'een Dorp tot het ander swerfden sonder eenighe hope [1564; iWNT], werden ... de Walsche soldaten uytgebannen, omdat vuele in stat bleven draeyen en swerven ‘... omdat velen in de stad bleven rondzwerven’ [1567; iWNT uitbannen].
Os. swerban ‘afvegen’; ohd. swerban ‘id.’ (mhd. swerben ‘wervelend bewegen’); ofri. swerva ‘zwerven’ (nfri. swerve); oe. sweorfan ‘wrijven, vijlen’ (me. swerven ‘(doen) uitwijken, afwijken, afdwalen, zwenken’, (v)ne. swerve ook ‘zwerven’); on. sverfa ‘vijlen’; got. af-, bi-swairban ‘afvegen’; < pgm. *swerban-. De overgeleverde betekenissen lijken op een oorspr. betekenis ‘wrijven, een wrijvende beweging maken’ te wijzen (FvW). Hieruit zijn ‘vijlen’ en ‘vegen’ rechtstreeks af te leiden. De Middelengelse betekenis ‘(doen) uitwijken, (doen) afwijken’ moet wellicht verklaard worden uit ‘opzij vegen’ en is zelf veralgemeend tot ‘voortdurend uitwijken’ > ‘ronddolen’. In het Nederlands kan hetzelfde zijn gebeurd, maar de betekenis ‘ronddolen’ kan ook rechtstreeks als overdrachtelijke betekenis bij ‘(ongericht) wrijven’ zijn ontstaan; een vergelijkbare overdrachtelijke betekenis heeft slingeren ‘ordeloos liggen (van voorwerpen)’.
Voor een Germaanse grondbetekenis ‘draaien’ (NEW, Toll.) lijkt in het overgeleverde taalmateriaal geen steun te bestaan.
Verdere herkomst onduidelijk. Wellicht verwant met Russisch svrbět ‘jeuken’ (< Proto-Slavisch *svĭrběti), svórob ‘jeuk’; < pie. *suerbh-, *surbh-, *suorbh- (LIV 613). En anders met: Lets svar̃pst ‘boor’; Welsh chwerfu ‘het wervelen, omdraaien’; < pie. *suerp-.
Zie ook → zwaaien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwerven* [ronddolen] {swerven [ronddraaien, dwarrelen] 1599} oudsaksisch swerƀan [afvegen], oudhoogduits swerban [vegen], oudfries swerva [zich bewegen, kruipen], oudengels sweorfan, oudnoors sverfa [schuren, vijlen], gotisch afswairban [afvegen]; buiten het germ. grieks surein [trekken, slepen], surma [het bijeengeveegde vuil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwerven ww., mnl. swerven ‘ronddraaien, dwarrelenʼ, os. swerƀan ‘afwisselenʼ, ohd. swerban ‘afvegenʼ (mhd. swerben ‘draaienʼ), ofri. swerva ‘zich bewegen, zwervenʼ, oe. sweorfan ‘wrijven, vijlenʼ (ne. swerve ‘afdwalen, zwervenʼ), on sverfa ‘vijlenʼ, nnoorw. sverva ‘wervelenʼ, nzw. dial. svärva ‘afwissenʼ, got. afswairban ‘afvegenʼ. — Men kan uit­gaan van een bet. ‘draaienʼ en dan aannemen dat uit een draaiende beweging betekenissen als ‘afwissenʼ en ‘vijlenʼ afgeleid zijn. De idg. wt. is dan *su̯erbh, waartoe behoren kymr. chwerfu ‘wervelen, omdraaienʼ, chwyrn ‘snel draaiendʼ, russ. sverbít ‘jeukenʼ, lett. svar͂pst ‘boorʼ; misschien ookgr. súrphos o. ‘vuil, afvalʼ (Persson UUÅ 1891, 55; Much ZfdA 42, 1898, 169; IEW 1050-1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwerven ww., volgens Kil. “Holl.”, mnl. swerven blijkens laat-mnl. swervelinghe v. “draaiing” = ohd. swërban “afwisschen”, mhd. swërben “draaien” (intr.), os. swërƀan “afwisschen”, ofri. swërva “zich bewegen, zwerven”, ags. sweorfan “wrijven, vijlen” (eng. to swerve “afdwalen, zwerven”), on. svërfa “vijlen”, noorw. dial. sverva “zich in de rondte bewegen”, got. af-, bi-swaírban “afvegen”. De chronologie der overgeleverde bett. maakt een oergerm. bet. “vegen, strijken” wsch.; vgl. dan gr. surphetós “het bijeengeveegde, vuilnis, uitvaagsel”, misschien ook russ. swerbé̌ť “jeuken”, swórob “jeuk” (obg. svrabĭnŭknēsmṓdēs”); de bet. “zich in de rondte bewegen” kan tengevolge van associatie met *χwerƀanan (werven) zijn opgekomen. De mogelijkheid bestaat echter, dat naast oergerm. *swerƀanan “vegen” een ander *swerƀanan “ronddraaien”, verwant met kymr. chwerfu “id.”, bestaan heeft. Reeds ohd. komt swirbil m. “draaiing” voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwerven ono.w., Mnl. swerven, Os. swerƀan + Ohd. swerban, Ags. sweorfan (Eng. to swerve), Ofri. swerva, On. sverfa (Zw. svarfva, De. svarve), Go. bi-swairban + We.. chwerfu = ronddraaien. De Os. en Go. w. = afvegen, de Ags. en On. = afvijlen; daarom zijn dat misschien andere w. behoorende bij Gr. surphetós = uitvaagsel, Ru. swerběť = jeuken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

swerf ww. Ook swerwe.
Rondtrek sonder vaste woonplek, plan of roete.
Uit Ndl. zwerven (Mnl. swerven).
Vgl. Eng. swerve (1741) 'wegswenk, afdraai'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zwerven (vervoeging?), (hist.) handelen in Indiaanse slaven. () deeze Man, genaamd Philippe le Croix, van Barbados gekomen, begaf zich tot het zwerven, om met de Indiaanen te handelen, waartoe hy een verdrag met een Bootsman van een daar liggend Schip had gemaakt, om samen te gaan () (Hartsinck 1770: 274; oudste vindpl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

swerf: – swerwe – , rondtrek; Ndl. zwerven (Lmnl. swervelinghe, by Kil swerffen/swerven), Eng. swerve, “afdwaal, afwyk”; blb. hoofs. Germ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwerven ‘ronddolen’ -> Papiaments † zwerf ‘ronddolen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwerven* ronddolen 1588 [Kil.]

Hosted by Meertens Instituut