Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwerm - (drom)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwerm* [drom] {swa(e)rm, swerm [zwerm, vooral van bijen] 1261} oudsaksisch swarm, oudhoogduits swaram, oudengels swearm, verwant met oudnoors svarra [zwermen]; buiten het germ. latijn susurrus [gemurmel], grieks huron, (< ∗swuron) [bijenkorf, zwerm], oudindisch svarati [hij klinkt]; de zwerm is naar het geluid genoemd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwerm znw. m., mnl. swarm, swerm, swaerm, sworm m. o., os. swarm, ohd. swaram (nhd. schwarm), oe. swearm (ne. swarm), nijsl. svarmr ‘dwarreling, zwijmelʼ; daarnaast abl. nhd. dial. (beiers) schwurm. Men zal wel mogen uitgaan van een ‘verwarrend geruisʼ, blijkens mhd. surm ‘gezoemʼ, on. svarra ‘bruisenʼ, mnd. swirren, nhd. schwirren ‘gonzen, brommenʼ, on. sverra ‘zwaaien, wervelenʼ en mnd. surren nhd. surren ‘gonzenʼ. — Van een klankwortel *su̯er vgl. lat. susurrus ‘fluisteren, sissenʼ, oi. svárati ‘geeft geluid; weerklinktʼ, gr. kret. húron ‘bijenzwermʼ, kymr. chwyrnu ‘brommenʼ (IEW 1049-1050).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwerm znw., mnl. swarm, swerm (swaerm, sworm) m. o. Met e uit a vóór r + labiaal (vgl. derven). = ohd. swaram (nhd. schwarm), os. swarm, ags. swearm (eng. swarm) m. “zwerm”, nijsl. svarmr m. “dwarreling, zwijmel”. Met ablaut bei. schwurm m. “id.”. Als er een oergerm. *swerƀanan “zich draaiend bewegen” (zie zwerven) bestaan heeft, dan wellicht hierbij als *swarƀma-, *swurƀma- (voor den vorm vgl. stoom, voor de bet. bei. swurbel “zwerm”), anders bij on. (poët.) svarra “bruisen”, noorw. dial. surla “neuriën”, mnd. (nhd.) surren “brommen”, kymr. chwyrnu “id., schelden”, ier. sibra-se (*si-swerâm; ook echter als verschrijving opgevat) “modulabor”, lat. susurro “ik fluister, sis”, obg. svirati “fluiten” (secundaire formatie bij svĭr-), lit. surmà “fluit”, oi. svárati “hij maakt geluid”; deze woordgroep is hoogerop met die van zwaan verwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwerm m., Mnl. swerm, swarm, Os. swarm + Ohd. swaram (Mhd. swarm, Nhd. schwarm), Ags. swearm (Eng. swarm), IJsl. svarmr, Zw. svärm, De. sværm: bij den wortel van zweren 2.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwerm, van den Skr. wt. svar = ruischen, klinken, gonzen. Een (bijen)zwerm ziet dus op het gegons; hieruit fig. om de menigte: een zwerm menschen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwerm* drom 1261 [CG I1, 75]

Hosted by Meertens Instituut