Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zweren - (etteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zweren 2 ww. ‘etteren’
Mnl. sweren ‘pijn doen, zweren’ in die van groter ethede sijn ouet swert legghe de blade ghewreuen an sinen slaep ‘wiens hoofd pijn doet door grote hitte, moet de fijngewreven bladeren op zijn slapen leggen’ [1287; VMNW], Die vinger swoer hem so zere, dat hi niet en conste geduren ‘zijn vinger deed zo'n pijn, dat hij het niet kon uithouden’ [1351; MNW].
Mnd. sweren ‘zweren, etteren’; ohd. sweran ‘pijn doen’ (nhd. schwären ‘zweren’); < pgm. *sweran- ‘pijn doen’.
Verwant met: Avestisch xvara ‘wonde’; Tsjechisch chorý ‘ziek’; Oudiers serb, Welsh chwerw ‘bitter’, chwarren ‘zweer’; bij de wortel pie. *suer- ‘verwonden’ (LIV 613).
Oorspr. is zweren een sterk werkwoord van de vierde klasse, met verl.deelw. gezworen en met een oorspronkelijke, maar al in het Middelnederlands zeldzame verleden tijd swar, gewoonlijk swoer naar de verleden tijd van → zweren 1. In het Nieuwnederlands doorgaans met zwakke verleden tijd zweerde, of de sterke vorm zwoor naar analogie van het verl.deelw. gezworen.
zweer zn. ‘ontsteking’. Onl. swero ‘pijn’, als glosse suero [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. swere ‘ziekte, pijn; zweer’, als suere ‘abces’ [1240; Bern.], ni es die suere en wech geulowen Al sonder beide ‘is de pijn er onmiddellijk vandoor gegaan’ [1265-70; VMNW]. Afleiding van zweren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zweren2* [etteren] {sweren, swieren [pijn doen, pijn hebben, zweren] 1340-1350} middelnederduits sweren, oudhoogduits swĕran; buiten het germ. oudiers serb [bitter], russisch chvoryj [ziekelijk], avestisch xvara- [wond].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zweren 2 ww. ‘etterenʼ, mnl. swēren ‘pijn doen, zwerenʼ (verl. swoer naar zweren 1; het moest swar zijn), mnd. swēren, ohd. sweran (nhd. schwören). — Idg. *su̯er ‘snijden, steken, zweren, etterenʼ, vgl. av. xvara m. ‘wondeʼ, oiers serb, kymr. chwerw (< *su̯er-u̯o) ‘bitterʼ eig. misschien ‘stekend, brandendʼ, russ. chvó-ryj ‘ziekʼ (IEW 1050). — Zie ook: zweer.

De verbinding met zwaard, die Krogmann KZ 59, 1932, 204 voorstelt, is mogelijk wegens de bet. ‘snijden, stekenʼ. Voor de bet. ‘zwerenʼ zal men dus moeten uitgaan van een ‘stekende pijnʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweren II (etteren), mnl. swēren “pijn doen, zweren” (praeter. swoer voor *swar naar zweren I). = ohd. swëran (nhd. schwären), mnd. swēren “id.”. Met zweer van een idg. basis swer-, waarvan ook av. xxara- “wond”, wellicht ook russ. chwóryj, po. chory “ziek”, russ. dial. chíryj “id.”, serv.-ksl. pro-chyrělĭ “vilis” (ch door sandhi? Of uit een idg. anlaut qs-?). Verdere combinaties, zooals met gr. araiós “dun, zwak, ijl” of ier. serb “bitter” (zie zuur) of lit. svarùs “zwaar” (zie zwaar), zijn ongemotiveerde vermoedens.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwaard. Overweging verdient de combinatie van Krogmann KZ. 59, 204 met zweren II, waaraan dan een oudere bet. ‘steken, snijden’ zou moeten worden toegekend, die met de verwanten van zweren II buiten het Germ. wel te verenigen is. — Al te origineel Sperber WuS. 6, 39 vlg., die zwaard als een ablautsvorm naast germ. *swarðô-, *swarðu- (zie zwoerd) beschouwt: het stuk hout waaruit het ospr. houten zwaard bestond zou (evenals eng. flitch, hd. schwartenbrett), zijn benoemd met een woord dat eig. ‘zijde spek’ betekende.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zweer 3 v. (gezwel), Mnl. swere, verbaalabstr. van zweren, Mnl. sweren + Ohd. sweran (Mhd. swern, Nhd. schwären) + Av. xvara = wonde, Ru. chworyj = ziek.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zweer, van den Germ. wt. swer = pijnlijk zijn, Skr. svar = knellen. Zie Zwaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zweren ‘etteren’ -> Negerhollands swieren ‘etteren, wonden’ (uit Nederlands of Duits); Sranantongo sweri ‘etteren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zweren* etteren 1340-1350 [MNW]

Hosted by Meertens Instituut