Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zweren - (een eed afleggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zweren 1 ww. ‘een eed afleggen’
Onl. sweren ‘een eed afleggen’ in Alla thia suerunt an imo ‘allen die bij hem zweren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sweren ‘een eed afleggen’, in de vorm swerren ‘zweren, een eed afleggen’ [1240; Bern.], in Die bi gode of bi den helegen dorperlike eed suerd ‘wie bij God of bij de heiligen een schandelijke eed zweert’ [1236; VMNW].
Os. swerian; ohd. swerien, swerren (nhd. schwören); ofri. swera, swara (nfri. swarre); oe. swerian (ne. swear); on. sverja (nzw. svära ‘zweren; vloeken’); got. swaran; alle ‘een eed afleggen’, < pgm. *swarjan-, een sterk werkwoord van de vijfde klasse (met j-infix in het pres., behalve in het Gotisch). Bij de wortel *swar- horen ook: on. svara ‘antwoorden, borg staan’ (nzw. svara ‘antwoorden’), svör ‘antwoord’ (nzw. svar ‘antwoord’), en zie → antwoord.
Verwant met: Oskisch sverrunei ‘woordvoerder’; Sanskrit vratá- ‘gelofte’, svárati ‘luid klinken’; Oudkerkslavisch svarŭ ‘woordentwist’, svariti ‘schelden’; bij de wortel pie. *suer- ‘klinken, luid spreken’ (LIV 613).
samenzweren ww. ‘conspireren’. Mnl. sich to samen sweren ‘samenzweren’ [1477; Teuth.]; vnnl. tsamensweren [1573; Thes.]. Samenstelling van → samen en zweren, wrsch. gevormd als leenvertaling van Latijn coniurāre ‘samenzweren’, uit → com- en iurāre ‘zweren’, een afleiding van iūs ‘recht’, zie → juridisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zweren1* [een eed afleggen] {oudnederlands suerunt [zij zweren] 901-1000, middelnederlands sweren} oudsaksisch, oudengels swĕrian, oudhoogduits swer(r)en, oudfries swĕra, oudnoors sverja, naast svara [antwoorden], gotisch swaran; buiten het germ. oscisch sverrunei (3e nv.) [tot de spreker], tochaars A, B ṣärp- [wijzen op], oudkerkslavisch svariti [honen], oudindisch svara- [klank]; de oorspr. betekenis is: een verklaring afleggen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zweren 1 ww. ‘een eed afleggenʼ, mnl. swēren ‘zweren, vloekenʼ, os. swerian, ohd. swerien, swerren (nhd. schwören), ofri. swera, oe. swerian (ne. swear), on. sverja ‘zwerenʼ; st. ww. 6de kl. met j-praesens; waarnaast got. swaran. Daarnaast mnd. swuor (nhd. schwur) en on. sœri mv. ‘eedʼ. Verder het ww. on. svara ‘antwoorden, borg staan voorʼ, vgl. svǫr mv. ‘antwoordʼ en andsvar ‘gerechtelijke uitspraakʼ = os. antswōr ‘antwoord, verantwoordingʼ, oe. andswaru ‘antwoordʼ (ne. answer). — Idg. wt. *su̯er ‘sprekenʼ, vgl. osk. sverrunei ‘aan de woordvoerderʼ (wellicht ook lat. sermo ‘rede, gesprekʼ); osl. svarŭ ‘woordentwist, strijdʼ, svariti ‘schelden, honenʼ (IEW 1049). — De grondbetekenis van zweren is dus ‘plechtig uitspreken van een formuleʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweren I (een eed doen), mnl. swēren “zweren, vloeken”. = ohd. swerren, swerien (nhd. schwören), os. swerian, ofri. swera, ags. swerian (eng. to swear), on. sverja “zweren”, een ww. van de 6. sterke klasse met j-praesens (vgl. lachen). Hiernaast zonder j got. swaran “zweren”. Oorspr. bet.: “spreken”; vgl. voor de bet. ksl. rota “eed” bij woord. Met on. svara (zwak) “antwoorden”, svǫr o. mv., and-svar o., ags. ond-swaru v. (eng. ansver) “antwoord”, ofri. ond-sē̆r(e) (m. o.?) “verantwoording”, os. and-swôr m. “antwoord” (zie antwoord), ohd. eid-swuor m. “eed” (nhd. schwur), on. sø̂ri o. mv. “id.” van een idg. basis swer- “spreken”, waarvan ook osk. sverrunei “aan den spreker, woordvoerder”, obg. svarn̆ “twist, strijd”, svariti “schelden, hoonen”; lat. sermo “gesprek”, russ. ssóra “twist” worden wel van een hoogerop met swer- identische basis ser- afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zweren I (een eed doen). Zie nog bij antwoord Suppl.
Oi. svárati ‘hij maakt geluid’, door Meillet MSL. 19, 187 verbonden, blijft wegens de algemenere bet. beter afzijdig (zie zwermen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zweren 2 o.w. (een eed doen), Mnl. sweren, Os. sverian + Ohd. sweren (Mhd. swern, Nhd. schwören), Ags. swerian (Eng. to swear), Ofri. swera, On. sverja (Zw. svärja, De. sverge), Go. swaran + Skr. svaras = klank, Osk. sverrunei = aan den spreker, Osl. svariti = schelden, Lat. sermo = gesprek (stam ser- nevens su̯er-), susurrus = gegons. De oorspr. bet. was wel (uit)spreken; het w. kreeg zijn bepaalde bet. van de uitdr. een eed zweren.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zweren bij hoog en bij laag, zweren bij alles wat men maar kan bedenken (zowel verheven als aards).

Een bijbelse herkomst van deze uitdrukking is beslist niet zeker. Misschien moet gedacht worden aan invloed van de volgende uitspraak van Jezus: 'Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: "Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost." En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken' (Matteüs 5:33-36, NBV). De hemel is dan bij hoog en de aarde bij laag. Ook andere werkwoorden dan zweren worden gebruikt: volhouden, beweren, e.d., in de betekenis 'zeer stellig'.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 44, 16-20. Mar ic seggv dat gi nit en suert noch bi den hemele, want dats de troen Gods, noch bi der erden, want dats dat schemel van sinen voeten, noch bi Iherusalem, want dats de stat des hogsts konings, noch bi dijns selfs hoefde en soutv sueren, want du ne canst een hare ghemaken wit ochte suart.
Voorzitter Frans Van Mechelen heeft dinsdag in Brussel bij hoog en laag gezworen dat zijn Bond van Grote en Jonge Gezinnen (BGJG) met zijn 300.000 aangesloten gezinnen nooit een 'belasting op kinderen' zal aanvaarden. (De Standaard, nov. 1995)
Koerbagh hield bij hoog en laag vol dat hij Een Bloemhof alleen had geschreven. (Onze Taal, 1992, nr. 5)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zweren (een eed), van den Germ. wt. swar = verklaren, bevestigen; men moet er waarschijnlijk bijvoegen: onder eede = met een eed bevestigen, zooals bijv. het Os. eth-swaru = eed-zwering.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zweren ‘een eed afleggen’ -> Indonesisch suér, swér ‘ik zweer’; Negerhollands sweer, swē ‘een eed afleggen’; Sranantongo sweri ‘een eed afleggen; samenzweren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zweren* een eed afleggen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1282. Bij kris en (bij) kras zweren,

eig. zweren bij Christus; bij alle heiligen; het tweede gedeelte is er voor de alliteratie achtergevoegd; 16de eeuw volgens Sart. II, 7, 8: by kasreliquiekast? en by kruys sweeren, waarnaast een ww. kassen en kruisen, bij hoog en laag zweren (Ndl. Wdb. VII, 1701). Bij Huygens IV, 311 lezen we: maer by kris en by kras; evenzoo bij Van Effen, Spect. IX, 216: by kris en kras; Brieven van Betje Wolff, 369; C. Wildsch. IV, 388; V. Janus, 270; III, 100. Vroeger ook: by kruis en by kras, by kruis en kras (Snorp. II, 12; V. Moerk. 357; in Nkr. V, 19 Febr. p. 6: by kras en krisIn de uitdr. kriskras, door elkander, in alle richtingen, hebben we in kris een allitereerende ablautende afl. van den stam van krassen te zien; Franck-v. Wijk, 351; Ndl. Wdb. VIII, 284; dial. ook kruis en kras, dial. hd. krüz und kraz (zie Gunnink, 157; Claes, 126; Rutten, 125).). Zie De Jager, Verscheidenheden, 152 en Ons Volksleven, VIII, 228.

Hosted by Meertens Instituut