Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwepen - (met een zweep slaan)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweepen ww. Kil. sweepen. Zie verder bij zweep.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zwepen (zweepte, heeft gezweept), 1. slaan met een (zwiepend) stokje. Ze zou zich laten zwepen als het moest, dacht Nettie, maar ze zou niet gaan gillen (Doelwijt 1972b: 103). Hij zweepte met water met zijn stokje (J&L 1920a: 8). - 2. (fig.) ervan langs geven. Leo Victor heeft Coronie Boys gezweept (voetbalwedstrijd). - Etym.: Vroeger bet. het, evenals in veroud. AN, ’met een zweep (o.i.d.) slaan’. S wipi, E to whip, hebben dezelfde bet. - Zie ook: rieten*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwepen ‘met een zweep slaan’ -> Frans dialect zoèper, zwèper, èrzwèper ‘met een zweep slaan’; Negerhollands swip ‘het gebruik van de zweep, (min of meer) krachtig heen en weer gaande, zwiepende beweging’; Papiaments zuip, zjuip ‘met een zweep slaan’.

Hosted by Meertens Instituut