Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwenken - (wenden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwenken ww. ‘wenden’
Mnl. swenken ‘van richting veranderen’ in Van een pieck te swencken ‘voor het zwaaien met een piek’ [1479; MNW], Dat men hem van aldus grooter vroochden niet en dwonghe weder te keren totten onvallighe pilgremaedse te swinken ‘dat men hem niet zou dwingen vanuit zulk een grote vreugde terug te keren naar het ellendige zwerven op aarde als vreemdeling’ [1450-1500; MNW]; vnnl. swencken ‘waggelen’ [1599; Kil.].
Mnd. swengen ‘zich draaien, zwaaien’ (waaruit door ontlening nzw. svänga); ohd. swenken ‘met de zweep slaan, slaan’ (nhd. schwenken ‘zwaaien; draaien’); ofri. swenga, swanga, swenza ‘begieten’; oe. swengan ‘doen slingeren, zwaaien, slaan’; < pgm. *swangjan- ‘doen slingeren’.
Causatief bij het sterke werkwoord *swingan-, waaruit: os. swingan ‘zwaaien, slingeren’; ohd. swingan ‘met de zweep slaan, geselen’ (nhd. schwingen), mnl. swingen ‘slingeren, zwaaien’; oe. swingan ‘geselen, slaan’ (ne. swing); vergelijk got. afswaggwjan ‘doen aarzelen, wanhopen’ < pgm. *sweng(w)an- ‘zwaaien, slingeren’. Daarnaast bestaat ook oe. swincan ‘zich inspannen, zich aftobben, in moeilijkheden zijn’ (ne. swink ‘zich inspannen’ (vero.)), waarbij mogelijk ook mnl. swanken ‘heen en weer gaan, wankelen’ [1477; Teuth.], vnnl. swancken ‘wankelen’ [1599; Kil.]; mhd. swanken ‘wankelen, tuimelen’ (nhd. schwanken ‘aarzelen’), oe. swencan ‘lastig vallen, ergeren’. De -g- en -k-vormen lijken in de afzonderlijke talen door elkaar te lopen. Misschien moet men voor een deel van de vormen denken aan een ww. met s-mobile bij de wortel van → wankelen.
Pgm. *swengwa- wordt wel eens in verband gebracht met Oudiers seng ‘slank’; Sanskrit páriśvakta ‘eng omarmd’, meestal verbonden met de wortel pie. *sueng-, *suenk- ‘wijd uithalend heen en weer bewegen’ (IEW 1047-48). Het blijft echter een onzekere zaak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwenken* [van richting veranderen] {swenken, swinken [zwaaien, slingeren] 1451-1500} zowel overgankelijk als onovergankelijk, waarbij de vorm met e (vgl. middelnederduits swenken, hoogduits schwencken) oorspr. het causatief is van swinken, oudhoogduits swingen, oudengels, middelengels swincan; buiten het germ. middeliers seng [slank], oudindisch svajate [hij omslingert]; behoort tot de groep woorden met anlautend zw die de betekenis ‘zwaaien’ hebben, bv. zweep, zwieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwenken ww., mnl. swenken ‘zwaaienʼ, Kiliaen swencken ‘waggelenʼ, mnd. swenken (mit) ‘zich vrolijk maken overʼ (vgl. swank), ohd. swenkhit ‘verberaturʼ, mhd. swenken ‘slingeren, zwaaienʼ (nhd. schwenken), oe. swencan, swencean ‘lastig vallen, kwellenʼ. — Het zal een causatief zijn bij het sterke ww. nnl. zaans zwinken ‘zwenken, draaienʼ, ohd. swinkan ‘zwaaienʼ, oe. swincan ‘zich aftobbenʼ, vgl. ook het znw. mnd. mhd. swanc m. ‘wending, slag, kwinkslagʼ (nhd. schwank), nde. nzw. svank ‘dal, holteʼ, vgl. nnoorw. svekk, svokk v. ‘holte van de voetzoolʼ en eindelijk het bnw. mnd. mhd. swanc ‘buigzaam, slankʼ, oe. swancor ‘buigzaam, tengerʼ. — Idg. wt. *su̯e(n)g, vgl. oi. svájate ‘omslingertʼ, av. pairišxvaxta ‘in een kring beslotenʼ, oiers seng ‘slankʼ (IEW 1047).

Naast deze wt. kende het germ. ook *su̯e(n)k (die niet in het idg. vertegenwoordigd is), eventueel *su̯e(n)gh, die ten grond ligt aan de woorden zwang en zwengel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwenken ww. Kil. swencken “waggelen”, mnl. swenken “zwaaien”. = mhd. swenken “slingeren, zwaaien” trans. en intr. (nhd. schwenken; ohd. swenkhit “verberatur”), mnd. swenken (mit) “zich vroolijk maken over” (in bet. door ’t znw. swank beïnvloed), ags. swenc(e)an “lastig vallen, kwellen”. Denominativum resp. causativum bij Kil. swanck “trilling, beweging” (al mnl.? Zie bij zwang), mhd. mnd. swanc m. “wending, slag, grappige zet, kwinkslag” (nhd. schwank; ohd. reeds in hina-swanch “impetus”), ags. swenc m. “nood, smart” resp. ’t ww. Zaansch zwinken (trans. intr.) “zwenken, draaien”, ohd. swinkan “zwaaien”, ags. swincan “zich aftobben, in nood zijn”. Wij moeten uitgaan van een germ. basis sweŋk-, swaŋk-, idg. sweŋg-, swoŋg- “(zich) buigen, wringen”. Een deel der opgenoemde woorden zijn in associatie getreden met de woordgroep van zwang, zwengel, zwingel. Van sweŋk-, swaŋk- ook mnl. mhd. mnd. swanc “buigzaam, slank, dun” (nhd. schwank), ags. swoncor “id.”, noorw. dial. svekk, svokk v. “holte van de voetzool”. Buiten het Germ. vgl. ier. seng “slank”, oi. svájate, -ati “hij omslingert, omarmt” (a < eŋ, ŋ̣). De idg. basis sweŋg- is een anlautvariant van weŋg- “(zich) buigen”: zie wankelen. Zie nog zwak en zwingel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwenken (Slot). Over de verhouding tot de groep van wankelen liever geen uitspraak. — Zie nog zwak Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwenken o.w., Mnl. swenken + Hgd. schwenken: fact. van dial. zwinken + Ohd. swinkan, Ags. swinkan (Eng. to swink) + Skr. wrt. svaj = omslingeren, Oier. seng = slank: met wisselende s bij wankelen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwenken* van richting veranderen 1451-1500 [MNW]

Hosted by Meertens Instituut