Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwemmen - (zich in het water drijvend houden en voortbewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwemmen ww. ‘zich in het water drijvend houden en voortbewegen’
Mnl. swemmen ‘zwemmen, drijven’ [1240; Bern.], die starcste swemmet uoren ‘de sterkste zwemt voorop’ [1287; VMNW], Quam dat out bouen ende suam ‘kwam het hout boven water en dreef’ [1285; VMNW], ook wel swimmen [1276-1300; VMNW].
Mnd. swemmen, ohd. swimman (nhd. schwimmen); ofri. swimma, swomma (nfri. swimme); oe. swimman (ne. swim); on. svima, svimma (nzw. simma); alle ‘zwemmen’, < pgm. *swimman- ‘zwemmen, drijven’, met het causatief *swammijan- ‘doen drijven’, waaruit o.a. nhd. schwemmen ‘aanspoelen’.
Daarnaast met ablaut: on. svamla ‘spartelen’ en mhd. swamen en swummen (zwak) ‘zwemmen’. Hierbij behoren got. swumfsl ‘vijver’ en os. giswemmia ‘vijver’ en verder ook oe. sund ‘het zwemmen; zee, water’ (zie ook → sonde) en on. sund ‘het zwemmen, zeeëngte’ (‘plaats waar men over kan zwemmen’) en onl. sondolino ‘watervogel’ [8e eeuw; LS].
Verdere herkomst onbekend. Soms wordt aangenomen dat ook Oudiers to-senn ‘achtervolgen’ hierbij behoort, maar die aanname is zowel op formele als semantische gronden af te wijzen. Indien het woord een s-mobile bevat, is het te verbinden met een wortel pgm. *vem- die voorkomt in nnl. wemelen, nhd. wimmeln, nde./nno. vimse ‘heen en weer lopen’; vimre ‘zich onrustig bewegen’. De veronderstelde wortel pgm. *suem- of *(s)uem- ‘zich bewegen’ (IEW 1046) komt uitsluitend in het Germaans voor, en is mogelijk ontleend aan een onbekende taal, al pleit de regelmatige ablaut van de stam tegen een niet-Germaanse oorsprong.
De klankwettige vorm van dit sterke werkwoord is mnl. swimmen, dat slechts sporadisch is geattesteerd; wrsch. is er al vroeg verwarring opgetreden met het causatief swemmen ‘doen drijven’ en is daarvan de stamklinker overgenomen in de infinitief en de tegenwoordige tijd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwemmen* [drijven, zich drijvend houden] {swemmen, swimmen [zwemmen, drijven] 1201-1250} daarbij is middelnederlands swemmen oorspr. het causatief van swimmen, vgl. hoogduits schwimmen, met causatief schwemmen, maar de beide ww. zijn samengevallen, vgl. middelnederduits swemmen, oudsaksisch, oudhoogduits swimman, oudnoors svimma; met ablaut hoort hierbij mogelijkerwijs oudnoors sund [het zwemmen] (vgl. sond); de etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwemmen ww., mnl. swemmen ‘drijven, zwemmenʼ, mnd. swemmen, een sterk ww., maar met een inf. *swammian; de eig. sterke vorm swemman vertonen mnl. swimmen, ohd. swimman (nhd. schwimmen), oe. swimman (ne. swim), on. svimma. De vorm mnl. swemmen is die van de causatief, die als zwak ww. voorhanden is in mhd. swemmen, oe. beswemman (vgl. J. Heinsius Ts 31, 1912, 77-81). Nultrap vertonen ofri. swommia en on. symja. Er zijn ook vormen met -m- zoals on. svima en mhd. swamen. — Afl. zijn got. swumfsl o., os. giswemmia ‘vijverʼ en mnd. sunt m. ‘zeeëngteʼ, oe. sund o. ‘het kunnen zwemmen, zee, waterʼ (ne. sound ‘zeeëngteʼ), on. sund o. ‘het zwemmen, sont, zeeëngteʼ (de laatste bet. zou dan ontstaan zijn uit die van smal water, dat men overzwemmen kan; niet geheel bevredigend, vgl. AEW 561).

De etymologie is niet geheel zeker. Men verbindt gewoonlijk oiers to-senn (< *su̯em-d-ne) ‘vervolgenʼ (IEW 1046), waarbij men voor de idg. wt. de vage bet. ‘zich bewegenʼ moet aannemen. Ook lit. sùmdau, sùmdyti ‘jagen, vervolgenʼ (WP 2, 524). Even onzeker is de verbinding met kymr. chwyf ‘bewegingʼ (Stokes Urkelt. Sprachschatz 323). — Het is bevreemdend, dat voor dit begrip geen duidelijke aanknopingen in het idg. zijn aan te wijzen; misschien een substraatwoord?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwemmen ww., mnl. swemmen “drijven, zwemmen”. = mnd. swemmen “id.”, germ. *swammianan, met sterk praet. en verl. deelw. In dezelfde bet. germ. *swemmanan, Kil. mnl. swimmen (naast swemmen; kan deels ook dial. i uit e hebben), ohd. swimman (nhd. schwimmen), ags. swimman (eng. to swim), on. swimma. Voor *swammianan in bet. = *swemmanan vgl. bij brengen, klimmen, krimpen, rennen. Mhd. swemmen (nhd. -schwemmen), zwak, heeft ook causatief-bet. ’t On. kent nog symja “drijven, zwemmen” (alleen praesensstam) en een zwak svima “id.”, ’t Mhd. een zwak swamen “id.”, ’t Ofri. swomma “id.”. Verder vgl. ohd. swummôth m. “het zwemmen”, got. swum(f)sl o., os. gi-swemmia v. “vijver”, ijsl. en dial. noorw. svamla “ploeteren” en germ. *sunða- < *sumða- < idg. *sum-tó-, on. sund o. “het zwemmen, sont, zeeëngte”, ags. sund o. “het kunnen-zwemmen, het zwemmen, zee, water” (eng. sound “zeeëngte”), mnd. sunt m. “zeeëngte”. Men houdt (kymr. chwyf “motus”; eer van den bij zwaaien besproken wortel), ier. do-seinn “hij jaagt, drijft”, lit. súmdyti “jagen, vervolgen” voor verwant. Dat is in ieder geval aannemelijker dan de combinatie met zwam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwemmen. Causatieve bet. heeft ook ags. be-swemman. — “Ofri. swomma”, beter: ofri. swommia.
Alle verbindingen buiten het Germ. onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwemmen ono.w., twee ww. nl. zwimmen en zijn factit. zwemmen zijn samengevallen, Mnl. swemmen, swimmen, Os. swimman + Ohd. id. (Mhd. swimmen, Nhd. schwimmen), Ags. swimman (Eng. to swim), On. svimma (Zw. simma, De. svømme): oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwumme (ww.) zwemmen; Vreugmiddelnederlands swemmen <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwemmen, van den Germ. wt. swem = zwemmen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwemmen ‘drijven, zich drijvend houden’ -> Zweeds svämma över ‘overstromen’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo swemmen ‘drijven, zich drijvend houden’; Negerhollands swim, zwem, zwim ‘drijven, zich drijvend houden’; Berbice-Nederlands swem ‘drijven, zich drijvend houden’; Skepi-Nederlands swemwa ‘drijven, zich drijvend houden’; Sranantongo swen (ouder: swem) ‘drijven, zich drijvend houden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwemmen* drijven, zich drijvend houden 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2416. Visch moet zwemmen,

d.i. bij het eten van visch behoort een glas wijn gedronken te worden. Dat deze meening al oud is, bewijst de lat. schrijver Petronius, die in zijn Satiricon, bl. 39 zegt: pisces natare oportet. Bij ons komt ze in de 17de eeuw voor o.a. bij Six v. Chandelier, 224:

 De visch bemint het vocht, en wil wel drymaal swemmen.
 In 't waater eerst, daar naa in sausse en dan in wyn.

Huygens, Zeestraet, vs. 797: All is de Schelvisch dood, hem komt wat swemmens toe in beter als sout natt; Smetius, 2: Visch is int water gevangen; hij will schwemmen. Vgl. Harreb. II, 386 a; afrik. vis moet swem; Joos, 211: een visch wilt drijmaal zwemmen; Antw. Idiot. 2136: 'ne visch moet drij keeren zwemmen: eens in 't water, eens in de boter en eens in de(n) wijn; in het hd. der Fisch will (dreimal) schwimmen; eng. fish must swim thrice (once in the water, once in the sauce, and the third time in wine); fr. poisson sans boisson est poison.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal