Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwemen - (enige gelijkenis hebben)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zweem zn. ‘vleugje’
Nnl. sweem (1635), zweem (1715) ‘de minste gelijkenis’, ‘geringe hoeveelheid, glimp, vleugje’. Vanaf de oudste attestaties in veel gevallen in ontkennende context, met geen of zonder.
zwemen ww. ‘enige gelijkenis hebben’
Mnl. sweymen ‘over de grond slepen’ (1410–1430), ‘zweven’ (1450–1470), in hss. met Hollandse, Utrechtse en Gelders-Overijsselse kenmerken, nasweymen ‘naäpen’ (1451–1500). Een rijmend tekstvoorbeeld uit het Brabants, handelend over ‘zwevende’ of ‘dwalende’ zielen: O duvels alle, versterct u neringe! / Hier wert soo over grote geeringe / vanden sielen die hier zweymen, / wi en selense waer weten heymen, in Die erste Bliscap van Maria r. 739–742, Brussel, hs. ca. 1470–1530 (de Vreese 1931).
Nnl. swemen (1615), zweemen (1649) ‘lijken op, de kenmerken vertonen van’. Eenmaal verswemen: ickversweemde in mijn traenen ‘ik verdwaalde/verdronk in mijn tranen’.
In het Nederlands heeft het ww. duidelijk de oudste papieren, waarbij zich in nasweymen reeds de betekenisovergang naar sweemen ‘lijken op’ aftekent. Het zn. zweem moet dus van het ww. zijn afgeleid. De verdeling in het werkwoord tussen ee in de kustprovincies en ei in het binnenland komt overeen met de gebruikelijke reflex van WGm. *ai met i-umlautfactor in het Nederlands.
Verwanten vormen: Middelnederduits swemen, sweymen ‘fladderen, zweven’, Middelhd. sweimen ‘zweven, heen en weer zwaaien’, sweim m. ‘het zweven, heen en weer zwaaien’, Oudengels swǽmen ‘treurig maken’, áswǽmen ‘treuren’, swǽm ‘nietsnut’; Oudnoors sveima ‘rondzwerven’, sveim n., sveimr m. ‘lawaai, opschudding’.
PGm. *swaimjan- ‘zweven, doelloos rondfladderen’ is waarschijnlijk van het eveneens overal aangetroffen zn. *swaima- ‘zweven’ afgeleid. Met een andere stamklinker vinden we Nnl. zwijm, Mnl. swijm ‘flauwte, bewusteloosheid’, Oudsaksisch swīmo ‘duizeling’, Oudfries swīma m. ’bewusteloosheid’, uit PGm. *swīman-, en ON svimi ‘duizeligheid’ < *swiman-. De verdere analyse is onzeker. Kroonen (2011: 251) reconstrueert een afleiding *swéi-mn-, *swi-mén- bij MoIJsl. svía ‘afnemen’ < PGm. *swīan-, en daarnaast een afzonderlijk *swai-ma- bij hetzelfde ww. Dat is mogelijk, maar de betekenis ‘zweven, rondzwerven’ is niet evident van ‘afnemen, duizelig worden’ afkomstig. Een alternatief is daarom, *swaima- af te leiden van PGm. *swīban- ‘zwaaien, zwenken’ (Mnl. swiven) uit PIE *kwseibh- ‘zwaaien, zwiepen’ (Kroonen 2013: 500). In dat geval kunnen we een zn. PIE *kwséibh-mn, *kwsoibh-mén- ‘zwaai, zwiep’ postuleren, waarvan *swaima- een afstammeling zou zijn.
Literatuur: Guus Kroonen. 2011. The Proto-Germanic n-stems. Amsterdam/New York: Rodopi; Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden/Boston: Brill. : W. L. de Vreese (ed.). 1931. Die eerste Bliscap van Maria. Den Haag: Nijhoff.
[Gepubliceerd op 09-02-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwemen* [enige gelijkenis hebben] {zweemen [gelijken] 1783} middelhoogduits sweimen [zweven, zwaaien], oudengels aswæman [weggaan, ronddwalen], oudnoors sveima [heen en weer gaan]; ablautend naast zwijmen, behoort bij de groep met zw anlautende woorden die de betekenis ‘zwaaien’ hebben, zoals zweep, zwieren, zwad, zwei.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwemen ww., eerst na Kiliaen bekend, mnd. swēmen, sweimen ‘zich onvast bewegen, zwevenʼ, mhd. sweimen ‘zweven, zwaaienʼ, oe. ā-swœman ‘weggaanʼ (ook ‘bedroefd zijnʼ), on. sveima ‘heen en weer gaanʼ. — Zie verder: zwijmen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zweemen ww., nog niet bij Kil., met ê voor ei naar ’t znw. zweem, = mhd. sweimen “zweven, zwaaien, zich bewegen”, mnd. swêmen, sweimen “zich onvast bewegen, zweven”, ags. â-swæ̂man “weggaan” (en “bedroefd zijn”), on. sveima “heen en weer gaan”. Met mhd. swîmen “id., zweven”, noorw. dial. svîma “rondzwerven” van een basis swī̆- “slingeren, zweven, zich onvast bewegen”; zie zweep, zweven, zwieren, zwijm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zweemen ono.w., denom. van zweem + Mhd. sweim = zwaai, On. sveimr = opschudding, abl. bij zwijmen; cf. de oudere synon. swinken, swinksel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zweemen, caus. van zwijmen (z. d. w.): dus naar iets doen wankelen, overhellen, een neiging tot iets hebben, een overeenkomst, gelijkenis. Vgl. Bredero: „sy swenten malkander”; en bij Hooft: „Al draeghen (deze verzen) eenig swijmsel van mij” (= al hebben ze eenige gelijkenis met mij, al hebben ze iets van mijn dichttrant weg).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwemen* enige gelijkenis hebben 1615 [WNT]

Hosted by Meertens Instituut