Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwart - (roetkleurig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwart bn. ‘roetkleurig’
Onl. swart ‘zwart’ in de plaatsnaam Suartebruc ‘Zwartebroek (Oost-Vlaanderen)’ [11e eeuw; Gysseling 1960], in sin haar is also ... suarz samon ein rauon ‘zijn haar is zo zwart als een raaf’ [ca. 1100; Will.], Matheus uúr in morlant, tha her suarze liude uant ‘Mattheus trok naar Morenland, waar hij donker gekleurde mensen aantrof’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. swart; nnl. zwart, ook ‘illegaal’ in zwarthandel [1946; WNT], zwarte markt [1951; Koenen] enz.
Os. swart; ohd. swarz (nhd. schwarz); ofri. swart, swert (nfri. swart); oe. sweart (ne. swart); on. svartr (nzw. svart); alle ‘zwart’; got. in swartizl ‘inkt’; < pgm. *swarta- ‘zwart’, al in de persoonsnaam Swarta [2e eeuw; runeninscriptie van Illerup]. Daarnaast met ablaut: on. sorta ‘zwarte verf’ en sorti ‘donkere wolk’ en de naam van de reus Surtr.
Verwant met: Latijn sordēs ‘vuil’, sordidus ‘smerig’; Ossetisch xuarun (ww.) ‘kleuren’; < pie. *suord-, *surd- ‘zwart, vuil van kleur’ (IEW 1052).
De betekenis zwart ‘illegaal’ is vermoedelijk overgenomen uit het Duits: Schwarzhandel, schwarzer Markt, Schwarzarbeit enz.; de betekenisovergang is gegaan van ‘plaatsvinden in het donker’ naar ‘het daglicht niet kunnende velen’.
zwartgallig ‘bedrukt, zwaarmoedig’. Vnnl. zwartgallig ‘lijdend aan zwarte gal’ [1691; Sewel EN melancholiek], in Zwarte gal, gelyk in de koortsen der swart-gallige [1722; WNT] en vandaar ook ‘bedrukt, zwaarmoedig’, in Welk een haatlyk, zwartgallig, menschenvyand was dat toch [1784; WNT]. Het woord gaat terug op de middeleeuwse voorstelling van de lichaamssappen die iemands karakter bepaalden, zie ook → melancholie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwart* [kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst] {in de plaatsnaam Suartebruc, nu Zwartebroek (O.-Vl.) <1001-1100?>, swa(e)rt, swert 1220-1240} oudsaksisch, oudfries swart, oudhoogduits swarz, oudengels sweart, oudnoors svartr; buiten het germ. latijn sordes [onreinheid], sordidus [vuil], suasum [roetkleurige vlek].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwart bnw., mnl. swart, os. swart, ohd. swarz (ohd. schwarz), ofri. swart, oe. sweart, on. svartr, got. swarts. — Daarnaast abl.: on. sorta v. ‘zwarte verfʼ, sorti m. ‘duisternis, dikke mistʼ, Surtr ‘reuzennaamʼ. — lat. sordēs ‘vuilʼ, sordidus ‘smerigʼ (IEW 1052).

Zeer dubieus is de verbinding met warm, die Szereményi, Kratylos 2, 1957, 122 voorstelt; dan dus eig. ‘zwartgebrandʼ, vgl. osl. vranŭ ‘zwartʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwart bnw., mnl. swart. = ohd. swarz (nhd. schwarz), os. ofri. swart, ags. sweart, on. svartr, got. swarts “zwart”. Met ablaut on. sorta v. “zwarte kleur”, sortna “zwart, donker worden”. Buiten het Germ. zijn lat. suâsum “donkere vlek” (*suarsso-m), surdus “donker, dof, doof” verwant, misschien ook lat. sordês “het vuil”, dat echter ook anders bevredigend verklaard wordt. Of lat. sorbus “lijsterbesseboom” terecht als * sword-wo- “zwart hout, kernhout” (vgl. gr. melándruon “id.”) hierbij gebracht is, is dubieus. Een ongemotiveerd vermoeden is de combinatie met av. ka-xxarǝδa- naam van een soort daivische wezens, als “wat een zwarte kerel” opgevat.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwart. Lat. surdus ‘doof’ wordt beter anders verklaard. Veel meer voor de hand ligt verwantschap tussen zwart en lat. sordês ‘het vuil’, eventueel ook suâsum ‘donkere vlek’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwart bijv., Mnl. swart, Os. id. + Ohd. swarz (Mhd. id., Nhd. schwarz), Ags. sweart (Eng. swart), Ofri. swart, On. svartr (Zw. svart, De. sort), Go. swarts + Lat. sordidus = vuil, surdus = donker, doof: Idg. wrt. su̯erd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zwart: Korps Zwarte Jagers (het), (hist.) militaire eenheid van negerslaven, onder deze naam bestaande van 1772 tot 1818, onder andere namen vervolgens tot 1862. Redi* Moesoe of Korps Zwarte Jagers, opgericht door gouverneur Jan Nepveu in 1772 (Enc.Sur. 527). - Syn. Redi* Moesoe. Zie ook: Korps Vrijnegers*, ’s Lands Vrijkorps*.

braak: zwarte braak (de), (verouderend) gele koorts. Toen, te laat, zekerheid verkregen was dat men niet te doen had met gaalblaas-stoornissen maar met ‘zwarte braak’, de oude naam van de hevig besmettelijke virus ziekte, werd isolatie verplicht gesteld (Waller 126). Etym.: ‘Braak’ is veroud. AN voor ‘het braken’. Het braaksel is bij deze ziekte donker van kleur. Vgl. Sp. vomiti negro (vomito = braken; negro = zwart).

ga’ren (het), (ook:) dun touw. - Etym.: Ook in het Z. van Ned., elders veroud. - Samenst.: timmermansgaren*. Zie ook: bintegaar*, naaigaren*.
— : zwart garen, (niet alg.) shag. - Etym.: Lett. vert. van blakaté* (S; blaka = zwart; (ti)té = o.m. garen), dat ook als syn. gebr. wordt.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

swart: donker (teenoor wit); vuil; onwettig (bv. i. d. handel); Ndl. zwart (Mnl. swart), Hd. schwarz, Eng. swarth(y), wsk. verb. m. Lat. sordēs, “vuilis/vullis”, en suasum, “donker vlek”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwart ‘kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst’ -> Frans dialect zwat ‘lastig van humeur, twistziek’; Portugees zuarte ‘soort katoenen weefsel’; Petjoh dialect zwart-zwart, swart-swart ‘jodiumtinctuur’; Negerhollands swart, swat ‘kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst; duister, duisternis’; Skepi-Nederlands swati ‘kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † swatnis ‘duisternis’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

blauw. In 1859 is het eerste woordenboek van het Papiaments verschenen. Een exemplaar ervan werd in 1958 teruggevonden, maar zonder titelpagina, zodat auteur, titel, uitgever en plaats en tijd van uitgave onbekend waren. Recent onderzoek echter heeft de ontbrekende gegevens opgeleverd, en in 2004 is een heruitgave van het werk verschenen onder de titel Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken, door Bernardus Th.J. Frederiks en Jacobus J. Putman, 1859, Curaçao, Drukkerij van het vicariaat. Putman was verantwoordelijk voor het deel Zamenspraken (dialogen), dat een herdruk was van een reeds in 1853 gepubliceerd boek, terwijl Frederiks de woordenlijst had samengesteld. Op pagina 34 staat een overzicht van kleurnamen in het Papiaments en het Nederlands. Hier staan vermeld:

blankoe - wit, prétoe - zwart, koraal - rood, blaauw/azoel - blaauw, geel (heel) - geel, bérde - groen, bruin - bruin, grijs - grijs, cjinísji - aschgraauw, morá - paars, bleek - bleek.

Aan dit rijtje valt op dat een aantal Papiamentse kleurnamen ontleend is aan het Nederlands, namelijk blauw, geel, bruin, grijs en bleek. De overige namen gaan terug op het Portugees of Spaans. De genoemde Nederlandse leenwoorden komen nog steeds voor in het Papiaments, tegenwoordig op Curaçao gespeld als blou, hel, brùin, gris en blek (gris is inmiddels qua spelling aangepast aan het Spaanse gris). Blauw en geel zijn (naast rood) de primaire kleuren, kleuren dus waarvan je niet verwacht dat de namen uit een andere taal worden overgenomen. Als secundaire kleuren, die ontstaan door menging van twee primaire kleuren, gelden oranje, groen en violet. Van deze drie is de Nederlandse naam oranje door het Papiaments geleend in de vorm oraño. Tevens heeft het Papiaments ros geleend, teruggaand op roze.

Het Indonesisch heeft uit het Nederlands de kleurnamen belau 'blauw' en oranye 'oranje' geleend, en de mengkleuren lila, okér, pastél en violét. Het Sranantongo heeft geleend blaw 'blauw', breiki 'bleek', broin 'bruin', geri 'geel', grun 'groen', oranye 'oranje', persi 'paars' en misschien weti 'wit' (dat laatste kan ook uit het Engels komen; het Sranantongo is immers een Engelse creooltaal).

Nederlandse kleurnamen zijn niet alleen geëxporteerd naar de vroegere koloniën, maar ook naar enkele Europese landen. In dat geval echter beduiden ze niet een kleur, maar een specifieke záák met die kleur. Zo is in het Portugees zuarte de benaming voor een soort katoenen weefsel van zwarte kleur. Engels Bruin of bruin, uitgesproken als /broe-in/, wordt gebruikt als eigennaam ter aanduiding van de bruine beer, bijvoorbeeld: 'During the autumn Bruin may not unfrequently be seen near the vineyards' (in de herfst kan men regelmatig Bruin(tje) tegenkomen in de buurt van de wijngaarden). Het Engels heeft dit woord al in de tweede helft van de vijftiende eeuw overgenomen; het gaat terug op Bruin de Beer, de naam van de beer in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reinaerde. Dit dierenepos is in veel talen vertaald, waaronder het Engels. De naam Bruin wordt ook wel gegeven aan een bruingekleurd huisdier, zoals een abessijn.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat kleurnamen van de ene taal in de andere worden overgenomen: kleuren zijn toch universeel, dus iedere taal zal daarvoor toch wel een eigen benaming bezitten? Toch blijkt dat juist kleurnamen zeer regelmatig zijn geleend van de ene taal in de andere, kennelijk omdat de brontaal kleurnuances onderscheidde die tot dan niet voorkwamen in de ontlenende taal. Zo zijn de Germaanse namen voor kleuren die in de Nederlandse woorden blank, bruin, grijs en vaal zijn blijven voortleven, overgenomen door het vulgair Latijn en vandaar in de Romaanse talen. Waarschijnlijk duidden de Germaanse soldaten met deze namen de kleur van hun paarden aan; in ieder geval verwezen ze naar kleurnuances die voordien bij de Romeinen geen benaming hadden. In het Frans vinden we de Germaanse woorden terug als blanc, brun, gris en fauve. De Romeinen hebben ook het woord voor de typische haarkleur van de Germanen overgenomen, namelijk 'blond', dat in het Frans blond is geworden en in het Nederlands weer is teruggeleend. Het Nederlandse blond is op zijn beurt geleend door het Papiaments als blònt.

In een latere periode heeft het Nederlands allerlei kleurnamen ontleend aan het Frans, die kennelijk tinten aanduidden die tot dan bij ons onbenoemd waren, of die in een bepaalde periode in de mode raakten: in de dertiende eeuw de namen oranje, paars, scharlaken en violet, in de veertiende eeuw azuur en vermiljoen, in de vijftiende eeuw roze, in de zestiende eeuw oker, in de zeventiende eeuw tur­koois, in de achttiende eeuw pastel, en in de negentiende eeuw beige en lila. Een deel van deze geleende namen hebben we vervolgens weer uitgeleend aan andere talen, zo bleek hierboven. Uit de dateringen blijkt dat de kleurnamen niet allemaal tegelijk zijn geleend, maar geleidelijk naarmate het kleurenpalet, ook in het Frans, zich uitbreidde. Ongetwijfeld heeft de internationaal georiënteerde schilderkunst een belangrijke rol gespeeld bij de overname van de kleurnamen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwart* kleur waarbij licht niet wordt teruggekaatst 1001-1100 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Zwarte Maandag, de beurskrach van oktober 1987. De ineenstorting van de koersen op deze dag luidde het einde in van de effectenhandelboom die volgde na de deregulering en de Big* Bang. Op maandag 19 oktober zakte de Dow Jones-index lager dan bij de fameuze crash van 24 oktober 1929.

Maand na Zwarte Maandag: beurzen kijken naar Amerikaanse politiek. (De Morgen, 19/11/87)
Na de beurskrach van ‘Zwarte Maandag’ levert een blik op de economische horizon bovendien een weinig vrolijk beeld op. (Het Parool, 09/04/88)
De aandelenmarkten in sommige ontwikkelingslanden hebben een razendsnelle come back gemaakt en in andere landen zijn de koersen door ‘zwarte maandag’ niet of nauwelijks aangetast. (NRC Handelsblad, 23/04/88)
Na die Zwarte Maandag herstelde de beurs zich wel, maar de aandelen van RJR Nabisco bleven laag. (Vrij Nederland, 22/09/90)
Na Zwarte Maandag zakte de gemiddelde prijs van aandelen op de beurs van Tokio 3836 yen, oftewel 15 procent. (NRC Handelsblad, 27/07/90)
Wie herinnert zich nog de beurskrach van tien jaar geleden 19 oktober 1987: toen kelderde de Dow Jones-index met 508 punten naar 1738. Gemeten vanaf die ‘zwarte maandag’ is de koerswaarde op Wall Street vierenhalf keer gestegen en op de Amsterdamse beurs zelfs verzesvoudigd. (NRC Handelsblad, 18/07/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1238. Iets met een zwarte kool teekenen,

d.w.z. iets leelijk, zwart afschilderen, van iets een afschrikwekkende voorstelling geven; zwart is de kleur van al wat leelijk en slecht is; vgl lat. dies ater, ongeluksdag, carbone (zwarte kool) notare aliquid, waarvan onze uitdr. eene navolging zijn kan. Zie verder Hoogvliet, Abraham: Wanneer hij d'ondeugt met een zwarte kole maalt (aangehaald door Weiland), en Van Baerle in een brief aan P.C. Hooft: Ick ben beschroomt aen u Ed. int Nederduytsch te schrijven: vreesende met de swarte kool een streeck te krijgen ende door de spiesse van u geswint ende gescherpt oordeel te moeten danssenOud-Holland, 1888, bl. 88; Navorscher, 1880, bl. 30.; Huygens I, 151: Soo moet hy wat hy doet sien maelen met de koöl (ongunstig beoordeeld zien); Tuinman II, 203: Ymand met een zwarte kool tekenen. Dit is het Latynsche atro carbone notare; Nkr. V, 12 Febr. p. 6: En ik wed: bij 't kaartjes teek'nen straks op school, teekent ge de Maasstad met een zwarte kool. Hierbij behoort ook de uitdr. met een zwarte kool aangeteekend staan, d.i. slecht, te kwader naam en faam bekend staan (zie o.a. Nkr. VII, 26 April, p. 5: Dit jaar staat aangeteekend met een zwarte kool), in het zwarte boek (eng. the black book), in het ‘verdomboekje’ staan; zie no 273; Ndl. Wdb. III, 104 en vgl. to mark black.

1870. De pot verwijt den ketel dat hij zwart is (of ziet),

d.w.z. iemand verwijt een ander iets, waaraan hij zelf schuldig is. In het mlat. phi' sonuit fuscum ridens ardaria furnum of ecce quam niger es, sic dicit caccabus ollae; in de 16de eeuw bij Campen, 118: die Ketel verwyt den Pot; Idinau, 143:

 Siet, wat den ketel den pot verwijt
 Als hy swert is, en vuyl ten hande.
 Sulcks dickmael een ander in d'aenschijn smijt
 Daer hy self vol af is, tot sijnder schande.

 Eenen vuylen korf, wordt oock wel een slijck-mande.Zie verder Marnix, Byenc. 181 a: de pot den ketel verwijt dat hy becruyst isAangehaald in het Ndl. Wdb. II1, 1645.; Winschooten, 103: de pot wil de keetel verwijten dat hij swart is; Luichte Wigger, 1 v: de pot verwijt den heugel datse swart is; Coster, 504, vs. 214; Smetius, 131; Huygens VI, 155: de Pan sprack tot den ketel, fij. Wat doet het swartgat hier by my!Vgl. het Twentsche: de eene kräj wil de andere kräj ‘zwartgat’ hetten.; Kl. v.d. Schoester, 14: Zouw de pan de keetel gaan betijgen van zwart te zijn?; Sewel, 648; Adagia, 14: den Ketel wilt den Pot verwyten dat hy swart is, vae tibi tu nigrae dicebat cacabus ollae; enz. Syn. Wat verwyt de palle (paal) de loete (ovenkrabber), alsse beede in den hovene (oven) moeten (Goedthals, 30). Zie Harreb. I, 307 a; III, 223 b; Afrik. die pot verwyt die ketel dat hy swart is of die pot verwyt die ketel en hulle is ewe swart; Waasch Idiot. 338; 533; Antw. Idiot. 993; Schuermans, 305 a: de pot wil den ketel bekruizen; de pot verwijt den ketel dat hij kroust (Maastricht); Wander IV, 1267; vgl. het fr. la pelle se moque du fourgon; hd. der Topf lacht über den Kessel; der Kessel schilt die Pfanne dasz sie schwarz sei; eng. the pot calls the kettle black; voor het Nederduitsch Taalgids IV, 260; Eckart, 412; Dirksen I, 75; in het fri.: de pôt forwyt de tsjettel dat er swart is.

1396. Hij liegt, dat hij zwart ziet (of wordt),

d.w.z. hij is een aartsleugenaar, die zijne leugens met kracht en geweld volhoudt, zoodat hij rood en blauw in het gezicht wordt (Harreb. II, 515 b). In de 17de eeuw is de uitdr. al vrij gewoon; men vindt ze o.a. bij Idinau, 184:

Men seght, hy lieght dat hy swart werdt,
Want, die stijf liegen, doen t' bloet ver-kruypen.
Met dobbel-solde loghenen hy seer hardt terdt
Al moest veur sijn blaes-kaken, al booghen en stuypen.
Gods waerheyt en sal niemandt konnen ontsluypen.

Zie verder Klucht van Lichte Wigger 16 r; Tuinman I, 193; Van Effen, Spect. III, 221; Het Volk 17 Febr. 1914, p. 5 k. 3: De Vries kon liegen dat hij er zwart van werd; Nkr. VII, 8 Febr. p. 4; Jord. 252: Ze loog zich zwart, als 't niet waar was; Tuerlinckx, 367; Volkskunde XXIII, 198. In de 17de eeuw zeide men ook liegen, dat het rookt en zweren, dat men zwart wordt (Gew. Weeuw. I, 41). In Groningen: lijgen, dat 'e swart wordt; hij lucht, 't rookt hom boven de kop of de balken vlijgen in brand; fri.: hy liicht dat er swart wirdt, dat er sels mient dat it wier is; hy liicht as in wachter (Matth. XVIII, 11-15); hd. lügen, das einem der Kopf raucht, dasz sich die Balcken biegen, dasz ihm der Dampf zum Maul herausgeht (Wander III, 272-273; Molema, 166; 541). In het Land v. Aalst: hij liegt dat hij zwart ziet of dat het tipken van zijn neus zwart wordt ('t Daghet, VIII, 32); te Denderleeuw, tot kinders: drie keer gelogen, want gh' hebt drie zwarte plekken op uw voorhoofd; elders in Zuid-Nederland hoort men: liegen dat het schauwe geeft (De Bo, 976 b) en liegen om er zakken bij te droogen (De Bo, 1417); liegen alsof hij met daghuren loog (Rutten, 132); hij liegt dat hij blauw, zwart of geel ziet; ook dat hij stenkt, zweet, berst (Teirl. II, 212; Waasch Idiot. 404); vgl. verder nog: hij liegt, dat hij zelf meent dat het waar is (dat we o.a. aantreffen bij Everaert I, 203; Coster, 284, vs. 1574); hij liegt dat hij barst, tegen de klippen (der hel) aan (no. 1182) en hij is aan de eerste leugen niet gebarsten, gezegd van iemand die gewoon is te liegenVgl. Everaert I, 462: Al loghe hy dat ickem saghe splytten; Smetius, 57: Hij is van de eerste leugen niet gestorven; zie Ndl. Wdb. II1, 1044.; hij ken liegen, dat de luizen op zen kop barsten (Boekenoogen, 1339); hij liegt een koe de poot af (op Goeree en Overflakkee); liegen als een makelaar (in C. Wildsch. IV, 397) en andere zegswijzen vermeld in den Taalgids VIII, 112 en Ndl. Wdb. VIII, 2123. Syn. is ook liegen alsof het gedrukt staat (o.a. M. de Br. 49; Nkr. V, 19 Febr. p. 2) dat ook in Antwerpen en in hd. dial. (wie gedruckt, wie telegraphirt) bekend is (Antw. Idiot. 383; 762; Ten Doornk. Koolm. II, 486; Dirksen I, 54); Afrik. hy lieg of dit geskryf staan; eig. liegen zonder te haperen (Reyn. II, 4201: Dat hi niet en stamert in sijn tael), alsof men het van een blad oplas, zooals blijkt uit Reyn. II, 4223:

mer die een loghen gheeft een slot,
ende. seit sijn reden sonder sneven
als oft voor hem stont ghescreven,
dats die man.

eng. to swear, to lie till one gets black in the face (Prick2, 66); to lie like print.(Aanv.) Bij De Cock, Volksgeloof, 175 staat: Om de kinderen het liegen af te leeren maakt men hun wijs, dat de leugens zich door een uitwendig teeken op het aangezicht openbaren: drij keeren gelogen, want g' hebt drij zwarte plekken op uw voorhoofd, zegt men te Denderleeuw.

1975. Het zwarte schaap.

Hieronder verstaat men een onwaardig lid eener familie, iemand die uitgestooten moet worden, de verschoppeling; de naam kan ontleend zijn aan Genesis, 32, waar wordt medegedeeld, dat Jacob de zwarte schapen uit de kudde verwijderdeOf moeten we denken aan de gewoonte der Romeinen om zwarte schapen te offeren aan de onderwereld, aan Pluto, Proserpina, de Eryniën en Hecate?. Zie verder Harreb. II, 238: Er loopt al ligt een zwart schaap onder, men heeft meestal in elke familie een onwaardig lid; Kent. 73: Ik dacht gezorgd te hebben dat de familie zoo min mogelijk last had van het zwarte schaap, het afgesneden lid; Handelsblad, 12 Dec. 1920, p. 3 k. 3 (O): Een zwart schaap in de familie, één die z'n moraal evenwicht niet kan bewaren; Nkr. X, 8 Januari p. 8: Ze kwamen dikwijls op de pastorie om de geestelike ongevraagd in te lichten over de toestand van zijn parochie en over het levensgedrag van verscheidene zwarte schapen; Nkr. VIII, 17 Jan. p. 4: De stem van langen Jan, den onverlaat, het zwarte schaap (zondebok) van heel den Raad. Vgl. het fr. la bête noire, une personne qu'on ne peut souffrir; Antw. Idiot. 1057: een zwart schaap in huis, in de familie, enz. hebben, bet. dat er onder de kinderen van het huisgezin een slecht kind is; eng. a black sheep, een schurftig schaap (fig.). Syn. het zwarte beest zijn in Nkr. VI, 2 Nov. p. 4: Boykot staat je zelfs te wachten, ja jij bent nu 't zwarte beest; fri. it lilke beest wêze, de zondebok zijn; hd. er ist das schwarze Schaf in der Familie, von einem aus der Art geschlagenen Gliede; eng. the black sheep of the familyVoor de beteekenis van zwart, moreel slecht, zie Leuv. Bijdr. X, 79..

2611. Op zwart zaad zitten (of geraken),

d.i. zijn vermogen kwijt zijn of raken; bekrompen moeten leven, te weinig hebben om te leven en te veel om te sterven; uit zijne betrekking ontslagen zijn; eig. van vogels, met name kanaries gezegd, ‘die al het witte zaad in hun bakje hebben opgegeten, zoodat alleen het zwarte overblijft, dat zij minder lekker vinden’; Ndl. Wdb. IV, 1625; XI, 290. In Zuid-Nederland op droog zaad zitten of op het droge zitten (hd. auf dem Trocknen sitzen). Zie Harreb. II, 485 a; III, CLII; Schoolm. 30: Terwijl hij zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt en zijne ouders vertroost met de hoop op zwart zaad; bl. 137: Woont hij soms bij een boer in of gepensioneerden soldaat of bij een verloopen domenee op zwart zaad; Onderm. 85; Barb. 61: Prosper Bien-Aimé, pensionhouder met tien leege kamers en geen enkelen huurder zit op het allerzwartste zwarte zaad; Nkr. VII, 17 Mei p. 3:

Als j' op den troon
 Van maar zoo'n kleinen staat zit,
 Dan snap ik best, dat j' op t' eind van de maand
 Verschrikkelijk op zwart zaad zit.

Groot-Nederland, 1914, bl. 393: De Europeesche toestand zette me op zwart zaad; bl. 444: Wel alle jezis... eerst 'n end met me traktement de laagte in en nou op zwart zaad; Handelsblad, 30 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 6 k. 5: De kunstenaar zit op zwart zaad, want alles gaat per automaat; Joos, 94; Antw. Idiot. 381; Loquela, 367; in het fri.: op swart sied sitte of op 'e doppen sitte; Twente: op de bolstern zitten; vgl. de uitdr. op water en brood zitten, vroeger te water en broode, mnl. te borne ende te brode, van gevangenen gezegd; Ndl. Wdb. III, 1538. Schertsender wijs noemt men dit ook op witten wijn en tulband zitten (Harreb. II, 348 a). Voor 't fr. zie Nyrop IV § 339.

2683. Iemand zwart maken,

d.w.z. kwaad spreken van iemand; hem in een ongunstig licht plaatsen. Zwart is de kleur van den nacht en van alles wat slecht is (lat. niger) zooals wit die van de reinheid en alles wat goed is (lat. candidusLeuv. Bijdr. X, 79; Zeitschrift des Vereins für Volkskunde, XXIII, 146 vlgg.: Zur Symbolik der Farben.); de duivel wordt zwart voorgesteld, een engel wit. In de 17de en 18de eeuw is de uitdr. reeds zeer gewoon; o.a. bij Vondel, Rommelpot, vs. 141; Pers, 257 b; 596 a; 621 b; Van Effen, Spect. IV, 72; VI, 213; X, 201: Hier op antwoorde hy my, dat ze (de vertoogen) hem door zeer deftige en geleerde luiden zo zwart waren gemaakt, dat hy ze niet had durven leezen; Tuinman I, 198; 203; Sewel, 1002; Halma, 819. Vgl. ook iemand of iets zwart afmalen (sedert het begin der 17de eeuw) of afschilderen (in het Land v. Aalst meestal: iemand schilderen), met de donkerste kleuren afschilderen, waarvoor men bewijsplaatsen kan vinden in het Ndl. Wdb. I, 1190 en 1363. Ook in het Friesch: hy het my swart makke by myn folk; in het Hagelandsch: iemand beschilderen, ongunstig van hem spreken (Tuerlinckx, 63); afrik. iemand swart smeer; in het hd. einen anschwärzen, schwarz machen; fr. peindre noir les actions de qqn; rendre noir qqn; noircir la réputation de qqn; dénigrer qqn; eng. to blacken (or to tarnish) a person's reputation; to paint s. th. black.

2684. Zwart op wit hebben,

d.w.z. een schriftelijk bewijs van iets hebben, bijv. van eene schuld of eene overeenkomst; men denke aan de zwarte letters op wit papier; vgl. Hooft, Ged. I, 152, waar van een briefschrijver gezegd wordt, dat hij ‘de cleene swarten door 't witte veldt in 't gelit gestelt’ heeft, en zie Brieven, 537: Dat zwart, waarby U Ed. Gestr. zich verbonden heeft, Muide te koomen bestraalen, staat noch in 't wit, d' onderteekeningen zijn niet verflaauwt, de zeegels gaaf; bl. 402: Voorheene hadde ik slechts vlugge toezegging, nu 't zwart in 't wit: want U E. schrijven bekent een daageraadt aan onze pruimen belooft te hebben; Huygens, Korenbl. II, 199. Bij Tuinman I, 237 komt de uitdr. in den tegenwoordigen vorm voor: hij heeft zwart op wit, dat wil zeggen: hy heeft eigenhandig en schriftelyk bewys. Vgl. ook Rusting, 311: 'k Begaf my daad'lyk by myn boeken, om daar myn schryftuig op te zoeken, en drukte daar strak swart op 't wit; C. Wildsch. III, 50: Gij moet die beloften en eeden doen beschrijven op een zegel; zwart op wit, dat is de zaak; ook bl. 71; W. Leevend, II, 72; afrik. hy wil dit swart op wit sien; Rutten, 280; Antw. Idiot. 1454: zwart op wit zetten, zijn handteeken zetten; in het Friesch: swart op wyt, dat is prefyt; hd. schwarz auf weiss behält den Preis; Wander IV, 424 en 426: etwas schwarz auf weiss geben (haben); fr. mettre du noir sur du blanc; eng. to have it in black and white or black on white.

2685. Zwart van den honger zijn (of zien),

d.w.z. uitgeteerd en mager er uitzien; een groezelige, vale, bleeke gelaatskleur hebben (vgl. Franc. 9540). Het adj. zwart komt in de middeleeuwen ook met bleek en vaal verbonden voor o.a. bij Maerlant, die van Andromache (Troyen, vs. 5749) zegt:

 Andromaca weende ende versuchte
 Om die sake die sy vruchte.
 Dat rode blie (gelaatskleur), dat haer stont wale,
 Wert swert, bleec ende vale.

De uitdrukking dagteekent reeds uit de Middeleeuwen, blijkens Scaecspel, 47: Die een was van groten ellendighen hongher temael verzwertZie ook Mnl. Wdb. VII, 2499.. V. Moerk. 102: Daer is te eten, noch te breecken, sy sijn zwart van honger; Hooft, Ged. II, 335; Vondel, Sofomp. vs. 678; Olipodrigo, 79: Om haer wou hy honger lijden dat hy zwart wierd; Harreb. I, 323: Hij lijdt honger dat hij zwart wordt; II, 50 b: Hij is zwart van magerheid; Nest, 55: Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt; afrik. vaal van die honger wees; Rutten, 295: zwart van colereVgl. Schuermans, 897 b: hij werd zwart en blauw van gramschap; het hd. vor ärger schwarz werden (Grimm IX, 2303); en in het mhd.: si wart (van schrik) noch grüener danne ein gras., van dorst, van honger, van koude, fel gestoord zijn, grooten dorst hebben, enz.Is het toeval, dat men vroeger den zwarten doek, waarmede in de vasten het schilderwerk van het altaar bedekt wordt, den hongerdoek noemde?; Antw. Idiot. 1509: zwart zien van de kou, van honger, van magerheid. Vgl. fri.: swart fen meagerens wêze; eng. black fasting en het syn. scheel van (den) honger zien; Tuerlinckx, 273: grauw van honger zijn; Waasch Idiot. 121: blauw zien van honger.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut