Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwanger - (een kind dragend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwanger bn. ‘een kind dragend’
Mnl. swanger ‘vervuld zijn met’ in Der goeder maren wart hi zwangher ‘hij was vervuld van het goede bericht’ [1470-90; MNW-R]; vnnl. swanger maken ‘zwanger maken’ [1573; Thes.].
Mnd. swanger ‘zwanger’; ohd. swangar ‘zwanger, drachtig’ (nhd. schwanger); oe. swongor ‘log, traag’; < pgm. *swangra- ‘zwaar, zwaarlijvig’.
Wrsch. verwant met Litouws sunkùs ‘zwaar’ en suñkti ‘zwaar worden’, Oudlitouws sunkinga ‘zwanger’; < pie. *s(u)enk- (IEW 1048). Wrsch. is er geen verband met on. svangr ‘dun, slank; hongerig’, dat eerder behoort bij de wortel van pgm. *swingan- ‘heen en weer bewegen’ > ‘buigzaam zijn’, zie → zwang.
De huidige betekenis ‘een kind dragend’, dat door Kiliaan nog Duits, Saksisch, Rijnlands genoemd werd en pas in de 17e eeuw gebruikelijk. Mogelijk is deze betekenis overgenomen uit het Duits. In het Middelnederlands werd het begrip ‘zwanger’ uitgedrukt door groot (van kinde) of swaer (met kinde).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwanger* [een kind dragend] {swanger 1573} middelnederduits swanger, oudhoogduits swangar, oudengels swongor, swangor [log, traag]; buiten het germ. litouws sunkus [zwaar].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

zwanger

In plaats van het woord zwanger gebruikt men dikwijls omschrijvingen als: in blijde verwachting, in positie, in gezegende omstandigheden. Blijkbaar rust er een taboe op het woord en dat is begrijpelijk: het drukt immers het resultaat uit van seksuele bedrijvigheid en het seksuele was en is soms nog met taboe beladen. Er is verwantschap met het bijvoeglijke naamwoord zwaar en zwanger is dus: zwaar in het bewegen. Het Angelsaksisch kende swongor voor: traag. Het is de vraag of zwang in de zegswijze: in zwang zijn voor: in gebruik zijn, gewoon zijn, tot de woordfamilie van zwanger behoort. Figuurlijk betekent zwanger van iets zijn: van iets vervuld zijn, iets als voornemen in zich omdragen. In het Middelnederlands zei men niet zwanger, maar: swaer of: met kinde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwanger bnw., eerst Kiliaen, die het ‘Ger. Sax. Sicamb.ʼ noemt, vgl. mnd. swanger, ohd. swangar (nhd. schwanger) ‘zwangerʼ, oe. swongor ‘zwaar in het bewegen, zwangerʼ. Men vergelijkt lit. sunkùs ‘zwaarʼ, sunkstù, suñkti ‘zwaar wordenʼ, ouder lit. sunkinga ‘zwangerʼ (IEW 1048).

Opvallend is dat hiernaast staat het woord mnl. swanger ‘wankelend in het gaanʼ, mhd. swanger, on. svangr ‘dun, slankʼ, die te verbinden zijn met zwenken (IEW 1047).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwanger bnw., volgens Kil. “Ger. Sax. Sicamb.”, in onze bet. niet mnl. = ohd. swangar (nhd. schwanger), mnd. swanger “zwanger”, ags. swongor “zwaar in ’t bewegen, traag”. Verwant met lit. sunkùs “zwaar”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwanger bijv., + Ohd. swanger (Mhd. swanger, Nhd. schwanger), Ags. swongor (= traag) + Lit. sunkus = zwaar: cf. dial. synon. zwaar; dus niet verwant met zwingen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

swanger b.nw.
1. (t.o.v. 'n vrou) Bevrug, verwagtend. 2. (fig.) Vol verwagting.
Uit Ndl. zwanger (1557 in bet. 1, 1627 in bet. 2).
Ndl. zwanger gaan met Middelnederduits swanger 'swaar in die beweeg', Oudhoogduits swangar (8ste eeu), Nieuhoogduits schwanger en Oudengels swangor 'swaar, plomp' terug op 'n W.Germ. grondvorm *swangra- 'log, swaar'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

swanger: bevrug, dragtig; (fig.) wat belofte inhou van; Ndl. zwanger (Mnl. swanger, “met iets vervuld” (met betrekking tot gemoed), by Kil swangher in huidige bet., asook in 16e-eeuse OMnl. swancbaer), Hd. schwanger, Oeng. swonger, “wat swaar/traag beweeg”, wsk. verb. m. Lit. sunkus, “swaar”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwanger ‘een kind dragend’ -> Deens svanger ‘een kind dragend’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors svanger ‘een kind dragend’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands swanger ‘een kind dragend’; Sranantongo swanger ‘een kind dragend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwanger* een kind dragend 1542 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut