Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwang - (gebruik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwang zn. ‘gebruik’
Mnl. swanc ‘buigzaamheid’ in een haseline roede, die groene was ende hadde swanc ‘een tak van een hazelaar die groen en buigzaam was’ [1400-50; MNW]; vnnl. zwang in de uitdrukking in swanc of in swange gaen ‘zich krachtig vertonen, in algemeen gebruik zijn’ [1599; Kil.]; vnnl. ook in swangh sijn ‘aan de gang zijn, in beweging zijn’ [ca. 1800; WNT].
Mnd. swank ‘zwang, gewoonte’; ohd. hinaswang ‘zwaai, draai’; ofri. sweng, swang ‘het begieten’ (nfri. swang); < pgm. *swang(w)a- ‘draai, zwaai’, een abstractum met ablaut bij het sterke werkwoord *swing(w)an- ‘zwaaien, heen en weer bewegen’: os. swingan ‘zwaaien, heen en weer bewegen’; ohd. swingan ‘met de zweep slaan, geselen’ (nhd. schwingen, zie ook → schwung); oe. swingan ‘met de zweep slaan, geselen, slaan’ (ne. swing). Een zwakke afleiding erbij verschijnt in got. afswaggwjan ‘wanhopen’, zie ook → zwenken. Verdere herkomst onduidelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwang* [gebruik] {in swanc (swange) gaen [in algemeen gebruik zijn] 1573} middelnederduits swank [gewoonte], middelhoogduits swanc [het zwaaien], oudfries sweng, swang, oudengels sweng [slag]; van zwenken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwang znw. m., sedert 1600 in swanck, swange gaen ‘zijn gang gaan, in zwang zijnʼ; het is mnl. swanc m. ‘het op en neer gaan, heen en weer gaan, bewegenʼ, mnd. swank m. ‘zwang, gewoonteʼ, mhd. swanc m. ‘het zwaaien, bewegen, slaanʼ, ofri. sweng, swang m. ‘slag; het begietenʼ, oe. sweng m. ‘slagʼ. — Zie: zwingel en zwenken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwang znw. ± 1600 komt reeds in swanck, swange gaen “zijn gang gaan, in zwang zijn” voor. Dgl. uitdrr. ook elders. Zwang = mnl. swanc (als ’t met gh en niet k flecteert; anders bij zwenken) m. “het op-en-neer-gaan, heen-en-weer-gaan, slaan, bewegen”, mhd. swanc (g) m. “het zwaaien, bewegen, slaan”, mnd. swank (g) m. “zwang, gewoonte”, ofri. sweng, swang m. “slag, begieting”, ags. sweng m. “slag”, germ. *swaŋʒi-. Ablautend met zwingel. Zie nog bij zwenken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwang m., + Hgd. schwang: van denz. stam als ʼt oud enk. imp. van zwingen; — eigenlijk = zwingende beweging.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwang, in zwang zijn, van zwingen = zwaaien, draaien (Hgd. schwingen; intens, ons: zwenken); het woord bet. dus: in omloop zijn. Voor de oorspr. bet. zwaaien vgl. ’t Mnl.: „Hi droech (een stok en ging er mee) swinghen.” Zwengel: werktuig om te draaien of zwaaien.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwang* gebruik 1573 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2682. In zwang komen (of raken),

d.w.z. in gebruik komen; eig. aan den gang, in beweging komen, mnl. in roere werden, van het wkw. swingen; fri. swinge; hd. schwingen; vroeger ook in zwang gaan in verschillende beteekenissen. Zie Noord en Zuid XX, 212-213; De Jager, Frequ. I, 986; Franck-v. Wijk 839 i.v. zwingel en vgl. het mnd. swanck, üblichkeit, gebrauch; Kil.: Swanck, vibratio, libratio, motus (vgl. zwenken); Plantijn: In swanck gaen oft in swange gaen, aller son train, continuer sa course, procedere, suo incedere cursu; Rabelais I, 437: De Vrouw-luy zelf, hoe oud en wijs sy waaren, zag men overal in de weer en in swang; Roemer Visscher, Sinnepoppen, 2de Schock, VI: Daer hooghmoet in swangh gaet, daer is min veyligheydt en meer moeyten; Hooft, Brieven, 82; 363; Vondel, Palamedes, 1729; Pers, 626 b; Asselijn, 233; Sewel, 1002; Halma, 818 en het Ndl. Wdb. IV, 83. Ook in het hd. kent men im Schwange sein; in Schwang bringen, kommen; oostfri.: in swang wesen; eng. to be in full swing (aan den gang, in beweging zijn); fri. in swang komme, wêse. Syn. was in trein raken (o.a. Sacspiegeltje, 188); vgl. fr. mettre, être en train.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut