Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwam - (sporeplant)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwam* [sporeplant] {swam [spons, paddestoel] 1477} middelnederduits, oudhoogduits swam, oudengels swamm, gotisch swamms [spons], naast oudhoogduits swamp, oudnoors svǫppr [zwam], engels swamp [moeras], en middelnederlands (t)somp, middelhoogduits sumpf, engels dial. sump, fries sompe [moeras]; buiten het germ. grieks somphos [sponzig]. In oorsprong een klanknabootsend woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwam znw. v., mnl. swam, swamme m. ‘spons, paddestoelʼ, mnd. swam, ohd. swam (mhd. ook swamme, nhd. schwamm), oe. swomm m. ‘zwamʼ, got. swamm(s) ‘sponsʼ. Hiernaast *swamba in ohd. swamp m. ‘zwamʼ en *swampu in on. soppr m. ‘balʼ. Verder zeker ook wel de onder zomp genoemde woorden. — gr. somphós ‘zwammig, poreusʼ (IEW 1052).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwam znw. (de, het). Kil. swamme, Teuth. swam. = ohd. swam (gen. swammes; nhd. schwamm; mhd. ook swamme m.), mnd. swam, ags. swomm m. “zwam”, got. swamms m. of swamm o. “spons”. Hiernaast *swamƀa- in ohd. swamp (b) m. “zwam” en *swampu- in on. sǫppr m. “zwam, bal”; wsch. ook hierbij eng. swamp “moeras”, westf. swampen “op-en-neer gaan” (van drassigen grond). De onderlinge verhouding der vormen is onzeker. In ieder geval zullen we wel van een idg. basis swaxm- moeten uitgaan; daarvan kan ook arm. kʿamem “ik pers uit, filtreer” komen. Germ. *swamƀa- kan met gr. somphós “sponzig, poreus” op idg. *swom-bho-, een afl. van deze basis, teruggaan. Met germ. *swampu-, idg. *swom-bu- kan mhd. (nhd.) sumpf, mnd. sump, mnl. tsomp m., ndl. dial. en fri. sompe “moeras”, formeel = on. soppr m. “bal” (noorw. dial. ook “zwam, paddenstoel”), in ablaut staan. Anderzijds is ’t ook verleidelijk om met germ. *swampu-, *swamƀa- lat. fungus, gr. spóngos, sphóngos, obg. gąba, lit. gum̃bas, eventueel ook arm. sunk, sung, allemaal woorden voor “zwam, spons” te combineeren, maar een bevredigende verklaring der klankafwijkingen is niet gevonden. Zie nog zwemmen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwam v., Kil. swamme, geassim. uit swambe + Ohd. swamb en swam (Mhd. swam, Nhd. schwamm), Ags. swamm, On. svǫppr (Zw., De. swamp), Go. swamms + Gr. somphós (d.i. su̯ombhos) = zwammig: oorspr. onbek.; hier en daar in verband gebracht met zwemmen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwam ‘sporenplant; spons van de sporenplant’ -> Negerhollands swam ‘spons’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwam* sporeplant 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut