Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwaluw - (zangvogel)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zwaluw zn. ‘zangvogel’
Vroegmiddelnederlands swalwe (1240), swalewe (1270–90), swalue (1287), zwaluwen (mv., 1340–1360), zwalu (1465–1485), zwallewe (1440–1460). Nieuwnederlands swalwe (1515), swaluwe (1517), swalewe (1528), swaluw (1635); swaleme (1528), swaelmen (mv., 1565), swaelem (1599), swalm (1613); swaelve (1596), swalefjen (dim., 1622), swaelf (1646), swalven (mv., 1612); swalcke (1573, Gelders, Nederduits).
De moderne dialecten vertonen vormvarianten die voor het grootste deel al in de 16e en 17e opduiken: (1) zwallewe, zwaaltje, zwaluw, enz.; (2) zwalf (NO-Brabants, N-Limburg), zwalef (N-Brabant, Gelderland, N-Holland), zwaal(e)ve (Overijssel), zwaalfke (Groningen). Hier is lw tot -lv-, -lf geworden (vgl. murw, uitgesproken als murf); in enkele dialecten is daaruit zwalg ontstaan (Limburg) of, met metathese, zwaveltje (N-Holland); (3) zwalver, zwelver, zwalber, zwarbel (Limburg), hetzelfde als (2) maar met toevoeging van -er; (4) zwalm, zwaalm (Vlaanderen, Zeeland, Brabant; met metathese ook zwamel), waarin -lw tot -lm is geworden.
Verwante vormen: OS swala, Middelnederduits swale, swaleke, Oudhoogduits swalawa, Mhd. swalwe, swalbe, swalme, Mohd. Schwalbe; Modern Westerlauwers Fries swel(tsje), sweal(tsje) (Noordfries swalk, swålk, enz. is uit het Nederduits ontleend); Oudengels swealwe, MoE swallow; Oudijslands svala ‘zwaluw’. Uit Proto-Germaans *swal-wōn-, een vrouwelijk zn. van een wortel *swal-.
Zwaluwen worden vaak benoemd naar hun gevorkte staart, vgl. Iers gabhal ‘vork’ en gabhln ‘zwaluw’. Lockwood (1982) leidt Germaans *swal-wōn- ‘zwaluw’ af van ‘gevorkte stok’ op basis van Oudnoors sla ‘pilaar; twee gekruiste houtjes; jan-van-gent’, Faroers en Noors sla ‘gevorkte stok’, hetgeen een Germaanse ablaut *sūl- tegenover *swal- inhoudt (Kroonen 2013: 405). Verwant met zuil, maar de verdere herkomst van deze woordfamilie is onduidelijk. De jan-van-gent heeft overigens geen gevorkte staart, maar in rust vormen de uiteinden van de veren een aparte punt boven de staartpunt, zodat beide punten samen de indruk van een vork wekken.
Lockwood, W.B. 1982. Faroese Bird-Name Origins (VIII). In: Frðskaparrit 30, 103–109. (http://timarit.is/view_page_init.jsp?pageId=930658&issId=49335&lang=da)
Dialectkaart: http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/kaart/dialectkaart.html?id=16144
[Gepubliceerd op 21-01-2016 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwaluw* [zangvogel] {swaluwe, swalewe, swelve 1201-1250} oudsaksisch swala, oudhoogduits swalawa, oudengels swealwe, oudnoors svala; denkbaar is verband met grieks alkuōn [ijsvogel] ofwel met russisch solovej [nachtegaal], dan wel met albaans dalendüse [zwaluw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwaluw znw. v., mnl. swaluwe, swalewe, os. swala, ohd. swalwa (nhd. schwalbe), oe. swealwe (ne. swallow), on. svala < germ. *swalwō, maar misschien ook *swalhwō (Collinder APhS 7, 1932, 215 vlgg. wegens de lapse leenwoorden spalfo, svalfo).

De verklaring is onzeker. Russ. solovéj betekent ‘nachtigaalʼ en is misschien niet verwant. Wood MLN 21, 1926, 228 vergelijkt lett. swelpju ‘fluitenʼ, wat weinig bevredigt. Collinders grondvorm *swalhwō maakt de door de Saussure reeds voorgestelde verbinding met gr. halkuṓn ‘ijsvogelʼ niet onmogelijk. Alles even hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwaluw znw., mnl. swāluwe, swālewe v. = ohd. swalwa (nhd. schwalbe), os. swala, ags. swealwe (eng. swallow), on. svala v. “zwaluw”, germ. *swalwôn-. Formeel mogelijk, maar wegens de bet. onzeker is de verklaring uit ouder-oergerm. *swalʒwôn-, dat dan bij gr. alkuṓn “ijsvogel” wordt gebracht. Ook de afl. van de bij zwalpen besproken idg. basis swel-, swol- “zich draaiend bewegen” is niet meer dan een mogelijkheid. Een opvallende bijvorm van zwaluw is Kil. swalcke (“Sax. Sicamb.”), nog ndd. dial.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwaluw. Zeer onzeker is de verbinding met russ. solovéj, po. słowik ‘nachtegaal’ (de combinatie met gr. halkuṓn is hiermee niet te verenigen). Daarentegen schijnt alb. dałɛndüše ‘zwaluw’ terecht door M.E.Schmidt KZ. 50, 236 vlg. gecombineerd te zijn (dałɛn- = germ. *swalwôn-; of -nd- formantisch met Vasmer t.a.p. 247 vlg.?).
Vla. zwalm is geen andere formatie, maar heeft m < w (vgl. Kil. swaelem).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwaluw v., Mnl. swaluwe, Os. swala + Ohd. swalawa (Mhd. swalwe, Nhd. schwalbe), Ags. swealwe (Eng. swallow), On. svala (Zw. id., De. svale): wellicht bij den wortel van zwalken; cf. synon. Kil. swalcke en Vla. zwalm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwalber (zn.) zwaluw; Vreugmiddelnederlands swaluwe <1240> < Duits Schwalbe.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zwalber, zjwalber, zwalver, zwarbel, sjwarbel, zn. : zwaluw. D. Schwalbe ‘zwaluw’. Zwarbel/sjwarbel door metathesis.

zwalg, zn.: zwaluw. Door v/g-wisseling uit zwalf < zwaluw.

zwalm, zwolm, zwalmer, zwammer, zn.: zwaluw. Ook Vl. en Br. zwalm, zwolm. Vnnl. swaelem, swaeluwe (Kiliaan). Door wisseling van de bilabialen w/m/b, D. Schwalbe, vgl. murm, murw, D. mürbe.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zwaalm, zwalm, zwolm, zwamel, zwelling, zn.: zwaluw. Vnnl. swaelem, swaeluwe (Kiliaan). Door wisseling van de bilabialen w/m/b, D. Schwalbe, vgl. murm, murw, D. mürbe. Zwamel door metathesis.

zwalf, zwelf, zwolf, zwaluuf, zn.: zwaluw. Zwalf < zwaluw, naast D. Schwalbe, met auslaut-f uit -w, vgl. verf < Mnl. varwe, naast D. Farbe, Wvl. gilf/gilwe < geluw, D. Gelb. Zwaluuf met svarabhaktivocaal. Ook afl. zwalver, zwelver , zwolver.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zwalm, zwaalm(e), zwelm, zwielm zn.: zwaluw. Door wisseling van de bilabialen w/m/b, D. Schwalbe, vgl. murm, murw, D. mürbe. Door metathesis ook zwamel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

zwaalm(e) (G, W, ZO, ZV), zwalm, zn.: zwaluw. Door wisseling van de bilabialen w/m/b, D. Schwalbe, vgl. murm, murw, D. mürbe.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

zwalm, zn. m.: zwaluw. Door wisseling van de bilabialen w/m, vgl. murw/murm.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

swael I: – swawel – , bep. trekvoëltjie (spp. Hirundo, fam. Hirundinae); Ndl. zwaluw (Mnl. swāluwe/swālewe), Hd. schwalbe, Eng. swallow, herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ZWALUWENHirundinidae
De betekenis van Hirundo is niet bekend. Over de betekenis van de Nederlandse naam bestaan enkele vermoedens. Er is gedacht aan golven, zwenken en zwalken – vergelijk Engels to shake –, wegens de manier van vliegen. Juister lijkt dat de vogelnaam afstamt van het proto-germaanse swalwo, dat is ‘gespleten stokje’, een typering van de gevorkte of gekerfde staart van een zwaluw.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zwaluw (één -- maakt nog geen zomer) (vert. van Grieks mia chelidōn ear ou poiei)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Reade Swel Officiële friese naam voor de Roodstuitzwaluw ↑ [Boersma 1972/1981]. De soort werd pas op 16 oktober 1983 voor het eerst in de provincie Friesland waargenomen; de naam van het lemma zal dus nog jong en recent verzonnen zijn. Daarbij zullen D Rötelschwalbe (letterlijk ‘Zwaluw met kleur als rode aarde’) of F Hirondelle rousseline (rousseline <vrouwelijke vorm van roux ‘rossig’ + l + suffix -ine) als voorbeeld gediend hebben, maar het nadeel van deze namen is dat ze niet aangeven wat er nu aan de vogel rossig (of rood) is.

Skiere Swel Een friese volksnaam voor de Oeverzwaluw [ViF p.1041]. Deze soort is van boven vaal van kleur (vaalbruin); fries skier ‘grijs, grauw, vaal’.

Swel Sweal Swjel Swelver Friese namen voor Zwaluw ↑ waarmee ze etymologisch verwant zijn [kaartje in ViF III p.1018]. In Gesner 1555 wordt schwaelken als fries opgegeven [ViF III p.1017]. Uit deze verkleinvorm zal dan fries Sweltsje ontstaan zijn (met ingweoonse k > ts). Swel komt in verschillende uitdrukkingen in het fries voor, o.a. Ien swel makket noch gjin simmer en Babbelje as in sweltsje op in beanestôk (= druk keuvelen).

Zwelf Zwelfie Limburgse naam voor een (Boeren)zwaluw [Hens 1926; B&TS 1995], ws. overeenkomend met mnl swelve (vgl. sub Zwaluw). Ook: Zwerfie.

Zwelmpje Volksnaam voor de ‘Zwaluw’ (Boeren- en Huiszwaluw) op Zuid-Beveland en Walcheren (Zld) [B&TS 1995; Warren 1996].
ETYMOLOGIE Verkleinvorm van *zwelm of *zwalm. De -m in dit woord, ontstaan uit een -w, is een zeeuwse eigenaardigheid, die ook teruggevonden wordt bij de Val(m)duive ↑. In Zeeuws-Vlaanderen komt ook de naam Zwalum voor en in het aangrenzende Vlaanderen de naam Zwolm [B&TS 1995].

Zwaluw Algemene benaming voor een aantal Zangvogels uit de in naam overeenkomende familie der Hirundinidae, waarvan de Boeren- en de Huiszwaluw in N de meest voorkomende en bekendste soorten zijn. Bij uitbreiding ook voor de niet-verwante vogelsoorten als Gierzwaluw Apus apus, Nachtzwaluw Caprimulgus europeus en de Zeezwaluwen (= Sterns Sternidae).
De VK (c.1618) kende alleen nog maar de “SWAELUWE J. SWAELM”, waarmee, evenals met de vele volksnamen zoals Zwaalf/Swaalf (Groningen), Schwalg, Schwarbel en Zwelf (Limburg), Zwelmpje (Zeeland) en Zwaalm (Vlaanderen), ws. toch vooral de Boerenzwaluw werd aangeduid. Daarnaast vermeldt Kiliaan (c.1618) het woord in een ss. met spier, te weten SPIER- SWALCKE, SPIER-SWALUWE (ws. ‘Gierzwaluw’, gezien D Spierschwalbe = ‘Gierzwaluw Apus apus’) (N spier ‘spits, puntig’, duidend op de vleugelvorm).
ETYMOLOGIE N Zwaluw <mnl swaluwe, swalewe (JvM c.1266), swelve, swalwe (Bern. c.1240 [VT]); nederduits Swalwe, Swale <oudsaksisch swala; D Schwalbe <mhd swalwe, swalbe, swale, swal <ohd swalwa, swalawa; fries Swel, Swael; E Swallow <middelengels swalowe <oudengels swealwe; oudnoords svala (>zweeds, ijsl svala, noors, deens svale); germ *swalwo, maar misschien ook *swalhwo (wegens de lapse leenwoorden spalfo en svalfo) [Wahrig: germ *swalwon (= ‘Nachtegaal’) <idg *suolui, suolen-?]. Misschien is het germ woord verwant met R Солове́й Solovéj, bulgaars Slavej, pools Slowik, tsjechisch Slavik en servo-kr Slavuj, dat echter ‘Nachtegaal’ betekent en/of met albaans Dallëndyshe ‘Zwaluw’ of met Gr ἀλκυών alkuṓn ‘IJsvogel’1. (Gr χελιδών chelidṓn ‘Zwaluw’). Volgens Lockwood 1993 betekent het germ *swalwo zoiets als ‘gespleten stok’, duidend op de vorkstaart van de (Boeren)Zwaluw. Hij geeft echter geen uitleg hoe hij aan deze betekenis (van het hypothetische woord!) komt. Het staat de vergelijking met de slavische woorden voor Nachtegaal wel in de weg, want de Nachtegaal heeft geen gevorkte staart. De betekenisovergang van Nachtegaal > Zwaluw (áls die er geweest is) is denkbaar via de gemeenschappelijke betekenis van ‘Lenteaankondiger’. Zie ook D Utenschwalb sub Zwarte Ooievaar.

==

1 De Saussure 1868+; gaat daarbij uit van germ *swalzwôn [Suolahti p.23], maar de z hierin is hypothetisch; *swalzwôn (met z) sluit de andere genoemde verwantschappen (met slavisch en albaans) uit [FWH supplement p.205], en komt daarom m.i. niet als beste mogelijkheid in aanmerking.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwaluw ‘zangvogel’ -> Sranantongo zwaluw ‘zangvogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwaluw* zangvogel 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1265. Eén bonte kraai maakt nog geen winter,

hetzelfde als één zwaluw (of één ooievaar) maakt nog geen zomer (Harreb. II, 146), d.w.z. men kan geen algemeene gevolgtrekking maken uit een enkel voorkomend geval, evenals men uit het verschijnen van een enkele bonte kraai kan besluiten, dat de winter in aantocht is of zeer koud zal zijn. Sedert de 16de eeuw is dit spreekwoord bekend; zie Servilius, 49*: een bonte craye en maect geenen winter; zoo ook bij Campen, 101: eene kreye can ghien colt winter maecken; bij Sart. I, 8, 61: een bonte kray maeckt geen koude winter; Spieghel, 286; Brederoo II, 369, 666: Een kray geen winter maakt; Sewel, 415; Tuinman I, 369; Rutten, 279; enz. De Franschen zeggen une hirondelle ne fait pas le printemps; de Eng. one swallow does not make the spring; hd. ein bunte Krähe macht kein Winter (Wander II, 1563); eine Schwalbe macht keinen Sommer (Wander IV, 412-413); mlat. una hirundo non facit ver; ver non una dies, non una reducit hirundo; gri. μια χελιδων ου ποιει εαρ (Aristoph.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal