Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwager - (schoonbroer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwager zn. ‘schoonbroer’
Mnl. swager ‘aangetrouwd mannelijk familielid’ [1220-40; VMNW], swager ‘schoonzoon, schoonvader’ [1240; Bern.], swager ‘aangetrouwd persoon, echtgenoot van zus; nabuur’ [1477; Teuth.]; vnnl. eerst nog swagher ‘aangetrouwd persoon’ [1562; iWNT], dan steeds meer swagher ‘schoonbroer’ [1573; Thes.], zwager ‘id.’ [1710; iWNT].
Mnd. swager ‘schoonvader; zwager; schoonzoon’ (en door ontlening nde. svoger en nzw. svåger ‘zwager’); ohd. swāgur ‘schoonvader; zwager; schoonzoon’ (nhd. Schwager ‘zwager’); ofri. swāger, swēger ‘schoonvader; schoonzoon’ (nfri. sweager); < pgm. *swēgra- ‘door huwelijk met iemand verwant persoon’, dat als afleiding met ablaut en grammatische wisseling is gevormd bij pgm. *swehra- ‘schoonvader’, waaruit: mnl. sweer ‘aangetrouwd familielid; schoonvader’; ohd. swehur ‘schoonvader’ (nhd. Schwäher); oe. swēor ‘schoonvader’; ozw. svær ‘schoonvader’ (nzw. svär-far ‘id.’); got. swaihra ‘schoonvader’.
Verwant met: Latijn socer ‘schoonvader’; Grieks hekurós ‘schoonvader’; Welsh chwegr; Litouws šẽšuras ‘schoonvader’; Oudkerkslavisch svekry ‘schoonmoeder’, svekrŭ ‘schoonvader’; Sanskrit śváśura- ‘tot de schoonvader behorend’; < pie. *sueḱuro- ‘schoonvader’, *sueḱrúH- ‘schoonmoeder’ (IEW 1043). Verdere herkomst is onduidelijk.
In NN is zwager het gewone woord, in BN schoonbroer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwager* [schoonbroer] {swager(e) [ieder door huwelijk vermaagschapt persoon, zwager, schoonzoon, schoonvader] 1220-1240} middelnederduits swager, oudhoogduits swagur, oudfries swager en ablautend en met gramm. wisseling h/g, middelnederlands swere, sweer, oudhoogduits swehur, oudengels sweor, gotisch swaihra; buiten het germ. latijn socer, grieks hekuros, (< ∗swekuros), welsh chwegr, armeens skesur, litouws šešuras, oudkerkslavisch svekrŭ, oudindisch śvaśura- [schoonvader] (vgl. zuster, zweer2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwager znw. m., mnl. swāgher m. ‘zwager, schoonzoon, schoonvaderʼ, mnd. swāger, ohd. swagur (nhd. schwager); uit het mnd. zijn ontleend ofri. swager, nde. svoger, nzw. svåger; volgens Kluge-Mitzka ook mnl. swagher). — idg. *su̯ēḱuro, vgl. oi. śvaśura- ‘tot de schoonvader behorendʼ, vgl. lat. sveceriō ‘zwager, zoon van de schoonvaderʼ, staat in abl. met idg. *su̯ēḱuro ‘schoonvaderʼ, vgl. mnl. sweer, ohd. swehur (ohd. schwäher), oe. swēor, ozw. sver, svær, got. swaihra en lat. socer, gr. hekurós, oi. śvaśura-, lit. šēšuras. Verder nog vrouwelijk idg. *su̯ekru- vgl. mnl. swēgher, ohd. swigar (nhd. schwieger), oe. sweger, on. sværa, got. swaihrō ‘schoonmoederʼ en oi śvaśru-. gr. hekurấ, lat. socrus, kymr. chwegr, osl. svekry (arm. skesur < *ḱu̯eḱerā) (IEW 1043-1044).

De vormen on. sværa en got. swaihrō zijn onklankwettig ; zij hebben de gramm. wiss. opgegeven door de invloed van het m. woord. — Of men in de eerste lettergr. het pronomen *su̯e ‘zich, eigenʼ mogen zien, is zeer hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwager znw., mnl. swâgher m. “zwager, schoonzoon, schoonvader” (voor de bet. vgl. snaar II). = ohd. swâgur m. “cognatus, zwager” (nhd. schwager), mhd. mnd. swâger m. “id.”, ook van andere aangehuwde verwanten gebruikt, ofri. swâger, -ar m. “schoonzoon”, idg. *swêḱuró- (= oi. çvâçura- “bij, aan den schoonvader hoorend”; misschien ook hierbij lat. svêcerio “zwager, zoon van den schoonvader”), een dehnstufige vorm (vgl. hoen), met de oorspr. bet. “hoorend bij den schoonvader”, bij idg. *swekuro- “schoonvader”, waarop mnl. sweer, ohd. swëhur (nhd. schwäher), ags. swêor, ozw. svêr, svær, got. swaíhra (zwak geworden) m., lat. socer, gr. hekurós, obg. *svekrŭ (alg. slav.), lit. szẽszuras, alb. vjehɛr̄, oi. çváçura- “id.” (deels een weinig vervormd, de slav. en alb. vormen met afwijkende gutturaal) teruggaan; hierbij de feminina idg. *sweḱrû- en *sweḱ(u)râ- (de laatste vorm wsch. jonger, bij *sweḱuro- gevormd), mnl. swēgher, ohd. swigar (nhd. schwieger), ags. swëger, on. svæ̂ra, got. swaíhro v. (de beide laatste met χ naar ’t m.), kymr. chwegr (m. chwegrwn), lat. socrus, gr. hekurā́, obg. svekry, alb. vjéher̄ɛ, arm. skesur (m. skesrair), oi. çvaçrū́- “schoonmoeder”. In de eerste syllabe zullen we wel den pronominaalstam *swe- “zich, eigen” moeten zien, die bij zijn I besproken is en die ook aan andere verwantschapsnamen ten grondslag ligt: vgl. bij zuster, verder o.a. mnl. swâselinc (gh) m. “zwager,schoonzoon” (ook swâghelinc), v. swaesnēde, die zich bij germ. *swêsa- (zie zijn I) aansluiten. — De hypothese, dat zwager uit slav. svâk < svojâk(ŭ) “aangehuwde verwant” ontleend zou zijn, is onaannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwager. Ofri. swâger, -ar is ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwager m., Mnl. swagher + Ohd. swâgur (Mhd. swâger, Nhd. schwager), Ofri. swáger: het woord komt elders niet voor; toch moet het zeer oud zijn, blijkens den gramm. wechsel (zwager en zweer, d.i. *zweher: z. zweer 1). Zwager beantw. aan Idg. *su̯ēkurós, zweer aan Idg. *su̯ékuros.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwaoger (zn.) schoonbroer; Vreugmiddelnederlands swager <1220-1240> < Duits Schwager.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

swaer: man v. suster; broer v. vrou; (soms ook) maat, vriend; Ndl. zwager (Mnl. swagher), Hd. schwager – vroeër toeg. op allerlei aangetroude verw., veral dié na aan skoonvader – hou verb. m. Lat. socer, “skoonvader”, Gr. (h)ekuros, “skoonvader; stiefvader”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zwager, mnl. swagher, nu aangehuwde broeder, vroeger ook schoonzoon en schoonvader; ohd. swâgur (nhd. Schwager) = zwager, doch ook = andere aanverwant; ofri. swager = schoonzoon. Verwant ermede is ook het mnl. sweer= schoonvader, ohd. swëhur, nhd. Schwäher, ags. swêor, go. swaihra, lat. socer, grie. hekuros en het vr. swegher, go. swaihro, lat. socrus, grie. hekura, schoonmoeder. De stam is waarsch. swe, dat ook zuster (uit zwester, hgd. Schwester) gevormd heeft en: zich, eigen beteekent. Oudaan, Poëzy 3, 403: “Komt Zonen, Dochteren, komt Zwageren en Snaren”. Meijer, Spreekw. 58: “Hy wil twee swagers mit eene dochter maecken”. In deze citaten is de bet. schoonzoon duidelijk. Verg. het art. Snaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwager ‘schoonbroer’ -> Deens svoger ‘schoonbroer’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors svoger ‘schoonbroer’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds svåger ‘schoonbroer’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands swaeger ‘schoonbroer’; Berbice-Nederlands swagri ‘schoonbroer’; Papiaments sua ‘schoonbroer (amicale aanspreekvorm)’; Sranantongo swagri ‘schoonbroer’; Saramakkaans suági ‘schoonbroer of schoonzus (beleefde aanspreekvorm van vrouw tegenover haar mans broer, en van man tegenover vrouws zuster)’; Surinaams-Javaans swagri ‘schoonbroer’ ; swaer ‘schoonbroer’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwager* schoonbroer 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut