Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwad - (snede koren of gras)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwad*, zwade [snede koren of gras] {in de plaatsnaam Suadenburg, nu Zwammerdam (Z.-H.) 1165, swat, zwad 1340} middelnederduits swăde, swat, middelhoogduits swade (hoogduits Schwad Schwaden), oudfries swethe [grens], middelengels swathe (engels swath swathe); vermoedelijk bij zwaaien (met de zeis).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwad znw. o. of zwade v. ‘hoeveelheid gras op eenmaal met de zeis afgemaaid; gras of graan op rijen gelegdʼ, mnl. swat, swaet, swāde o. ‘op een rij liggend gras of graanʼ, mnd. swat, swāde o. ‘rij afgemaaid gras of koren; streep geploegde aardeʼ, mhd. swade m. ‘op een rij liggend afgemaaid gras of korenʼ, oe. swaðu v., swæð o. ‘spoorʼ (ne. swath ‘rij, zwadʼ), on. svað o. svaði m. ‘het glijden, gladde plaatsʼ, nnoorw. svad, sva(-berg) ‘naakte bergvlakte, waar de aardlaag weggespoeld isʼ, nzw. dial. svad ‘kleine en vochtige terreininzinkingʼ; daarnaast ofri. sweththe (< *swaþjō) ‘grensʼ (vgl. plaatsnaam Zwet); verder on. svaða ‘glijdenʼ.

De etymologie is onzeker; het is zelfs mogelijk dat hier twee verschillende woordgroepen te onderscheiden zijn. — 1. FW 831 herinneren nog aan mnl. mnd. swāde ‘zeisʼ en Kiliaen swadel, ohd. swedil, oe. sweðel ‘zwachtelʼ en oe. besweðian ‘omwikkelenʼ en voeren terug op een idg. wt. *su̯e: *su̯o ‘over iets heen strijkenʼ, die echter verder niet bekend is. Ook de abstracte grondbet. is weinig aanlokkelijk. — 2. De verbinding met een idg. wt. *su̯e ‘buigen, draaien, zwaaienʼ en daarmee dus verder met nl. zwaaien te verbinden (IEW 1041), is ook vaag; moet men denken aan het zwaaien van de zeis, waarmee een hoeveelheid gras afgemaaid wordt en zou dan de bet. ‘rijʼ eerst secundair zijn ? — 3. Kluge-Mitzka 687 vergelijken on. svǫðusar ‘wonde door af schampenʼ en willen daarom zwad verklaren als ‘door een snede gemaakt spoorʼ; ook dan ontbreken verdere aanknopingen buiten het germ. — 4. Beschouwt men de rij van afgemaaid gras als de oudste bet., dan kan men uitgaan van de door IEW aangevoerde idg. wt., indien men het ‘buigen of draaienʼ concreet opvat als het maken van een vlechtwerk; uit de bet. ‘gevlochten heiningʼ kan zich dan die van ‘rij, grensʼ ontwikkelen. De verdere door Pokorny aangevoerde verwanten wijzen echter alle op een wt. *su̯ei, waarvoor zie: zweep en zwijmen. — Dit woord wordt gebruikt in Friesland, Groningen, NO. Drente, Gelderland, Utrecht, Brabant en Noord-Holland; daarnaast vinden wij in Overijsel en ZW. Drente het woord geen, gee, gein, gei, gang: zie de kaart 2 in K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl., vgl. verder ook Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955 blz. 41-56. — Voor het hiermee wel samenhangende dial. woord zwade ‘zeisʼ, vgl. K. Heeroma, Driem. Bl. NR 10, 1958, 23-6, die het wil afleiden van een ww. zwaden ‘maaienʼ, eig. ‘met een zwaaiende bewegingʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwad, zwade (hoeveelheid gras in eens met de zeis afgemaaid, gras of koren in een rij gelegd). Kil. swade “op een rij gelegd hooi” (“Fris. Holl. Sicamb.”), mnl. swat, swaet, swāde o. (m.?), vooral als landmaat. = mhd. (md.) swāde m. “op een rij liggend afgemaaid gras of koren”, mnd. swat (swāde) o. “id., streep geploegde aarde” (nhd. schwad, schwaden), ags. swaðu v., swæð o. “spoor”, eng. swath “rij, zwad”, on. svað o. “het glijden, gladde plek”, svaði m. “id.”; hierbij *swaþjô(n)-, ofri. sweththe v. “grens” en de ww. on. svaða, sveðja “glijden”. Wsch. met mnl. dial. Kil. swade (“Fris. Hol. Sicamb.”) “zeis” (mnl. dial. ook voor een deel hiervan), mnd. swāde v. “id.” van een idg. basis swet-, swot- of met formans -to-, -tâ- van een basis swe-, swo- “strijken over iets” (vandaar “maaien, glijden”), welke bases van elders niet bekend zijn, maar waarvan nog wel de woordgroep van Kil. swadel (zie bij zwachtel) alsmede mnd. swēde v. “pleister” kunnen komen. Misschien hoogerop identisch met de bij zwaaien besproken basis sewē̆(i)-?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwad, zwade v., Mnl. swat, swade = de zwaai van een zeis, snede gras, zeis + Mhd. swade (Nhd. schwad, schwaden), Ags. swæđ, swađu (Eng. swath), On. svadi: Germ. *swaþ-, van zwaaien met hetz. suff. als naad, zaad.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwad (of zwade) van zwaaien: de zwaai met de zeis.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwad* snede koren of gras 1165 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut