Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwabber - (dweil aan een stok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwabber zn. ‘dweil aan een stok’
Vnnl. swabber ‘uit stukken touw of lappen bestaande dweil’ in haelt de Swabber Veeght het uyt dat qualijck staet ‘haal de zwabber en veeg naar buiten hetgeen ongewenst is’ [1612; iWNT], swabbers van touwerck [1629; iWNT], bij uitbreiding ook wel ‘scheepsjongen (die de zwabber hanteert)’ [1671; iWNT].
Wrsch. afgeleid van zwabben ‘in het water heen en weer bewegen, spoelen’ in zoo zal den verwer alle lakenen, zoo wanneer die geverwet zijn, wel ende schoon doen zwabben [eind 15e eeuw; iWNT]. De herkomst van dit werkwoord is onduidelijk. Mogelijk is het een klanknabootsend woord, dat zich in elk geval heeft gevoegd bij de groep zw-woorden zoals besproken onder → zwaaien. Zie ook de woorden voor ‘vegen’ bij → zweep.
De frequentatieven zwabbelen ‘in het water spartelen, spatten enz.’ (in de vorm swabbelde [1572; iWNT], maar inmiddels verouderd) en zwabberen ‘id.’ [1691; iWNT zwabberen I], waren frequenter dan zwabben. Het zn. zwabber zou in theorie van zwabberen afgeleid kunnen zijn, maar dat lijkt op grond van de dateringen minder wrsch. (WNT).
Het woord is als scheepvaartterm ontleend door andere talen, o.a. Fries swabber, Engels swabber [1607; OED], later ook swab [1659; OED], Duits Schwabber, Zweeds svabber (vero.), svabla, Russisch švábra.
Bij zwabb(el)en: mnd. swabben ‘door de modder slepen’; vnhd. schwappen ‘klotsen’ [16e eeuw; Kluge21], schwaplen [eind 15e eeuw; Kluge21]; vne. swable ‘klotsen’ (ne. dial. swabble). Ne. swab ‘zwabberen’ is daarentegen afgeleid van het zn. swab.
zwabberen ww. ‘met de zwabber schoonmaken’. Vnnl. in Swabber, beteekend eigendlijk een langwerpige dweil, aan een stok vast gemaakt: om iets op te dweilen: dat men ook swabberen noemd [1681; iWNT zwabberen II]. Afleiding van zwabber en daarmee te onderscheiden van het bovengenoemde frequentatief zwabberen van zwabben ‘in het water heen en weer bewegen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwabber znw., zwabberen ww., niet bij Kil. of mnl.; bij Houwaert swabbelen = nhd. schwappe(l)n, schwabbeln “trillen, slingeren”; bij mnd. swabben “ploeteren in water of vuiligheid”, eng. to swab “dweilen”, noorw. dial. svabba “plassen”. Wsch. een jongere onomatop. woordgroep, wellicht onder invloed van andere woordgroepen (die van kwab? Ook met die van zwadder bestaan associatiebetrekkingen) ontstaan. Ook echter is ablaut met on. sôfl m. “bezem” (*swôƀala-) en verdere verwantschap met ksl. svepiti sę “agitari”, obg. sŭpą, suti “schudden, strooien” mogelijk, waarbij sommigen nog lat. supâre “gooien”, dis-sipâre “verstrooien” brengen: basis sewep-, sū̆p- “een heen-en-weer-gaande beweging maken”. NB. De verhouding van on. sôfl tot sôpa “vegen” is niet voldoende verklaard.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zwabber: 1) (zeemanstaal) matroos 3e klas, die belast is met het schoonmaken of ‘zwabberen’ van het schip. Reeds in de zeventiende eeuw opgetekend. Een zwabber is een scheepsdweil.

’k Stond voor Liesbeth met m’n mond vol tanden als een zwabber, die een puts overboord laat vallen. (Justus van Maurik, Van allerlei Slag. Novellen en Schetsen. 3de druk, 1883)
Den naam zwabber hoort men overigens aan boord nog gebruiken voor den matroos derde klas en voor den luit. ter zee, die met het toezicht in het benedenschip belast is, doch dan ‘zwabber-kapitein’ genoemd wordt. In het benedenschip immers kan men niet zooals aan dek, waar het water door de spuigaten gemakkelijk verdwijnt, dekspoelen, d.i. met veel water gooien en het met bezems verwerken. In het benedenschip moet men op gewone dagen volstaan met zwabberen en nog eens zwabberen. Een andere lezing is, dat. de toenaam ‘zwabber’ ,ook gegeven wordt op de groote schepen met een drie-divisie-rol voor de drie luit. ter zee Ie klas, die officier zijn van een divisie. (Albert Chambron, Marinetermen, 1941)

2) dronkenlap; liederlijk persoon; dweil*; pierewaaier; doordraaier; zwerver. Dateert uit de zeventiende eeuw. Ook in het Bargoens. Aan de zwabber zijn of zwabberen betekent: ‘de kroegen aflopen; boemelen’.

Ze kon een poen-vrijer krijgen, tienmaal meer bollebof dan zoo‘n zwabber, had hij uitgekrijscht… (Israël Querido, De Jordaan, 1912)
De zoon van Moeke van Geuns, uit ‘de Nachtkaars’, het zoete kitje voor allerhande nachtzwabbers, die nooit van den lurk genoeg konden krijgen. (Israël Querido, Van Nes en Zeedijk, 1914)
Kom je weer om te bedelen – jou doordraaier, jou zwabber? (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16/05/1925)

3) (jeugdtaal) namaakgabber (vaak kaalgeschoren jongere in hippe kleding, die van gabberhouse houdt): iemand die in de ogen van een echte gabber niet aan de normen voldoet.

En niet voor niets blijven jongeren nieuwe woorden verzinnen voor leeftijdgenoten die er net niet ‘bijhoren’: ‘zwabbers’ (voor would be gabbers) of – opgetekend uit de mond van een 13-jarig skatertje – ‘wannabe’s’. (Elsevier, 15/02/1997)
Zwabbers: nepgabbers. (Frank Bierens & Mo Veld, Gigataal. Stijlwoordenboek voor het nieuwe millennium, 1999)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zwabber, doordraaier, nathals, uitgaander; eig. dweil aan een stok, op de schepen gebruikt; zoo gebruikt men het woord dweil (uit dwegel van dwaen = wasschen) ook, doch meer voor vrouwen, meisjes van slordige leefwijze: ’t is een dweil van een meid. Zwabberen gebruikt men ook voor handelen, doen als een zwabber, een zwabber zijn; en daarvan: aan den zwabber zijn = aan den rol zijn. Zwabber heeft ook wel de bet. landlooper, zwerver.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwabber ‘dweil aan een stok; (verouderd) viezerik, pierewaaier’ -> Fries swabber(t) ‘dweil aan een stok’; Engels † swabber ‘zwabbergast; onbeschoft persoon; stokdweil’; Duits Schwabber ‘dweil aan een stok’; Deens svaber ‘dekzwabber; scheldwoord’; Noors svaber ‘dweil aan een stok’; Zweeds † svabber; svabel ‘dweil aan een stok’; Fins swaaperi ‘soort schoonmaakinstrument van oude aan elkaar gebonden touwen’ ; Frans fauber(t) ‘dekzwabber’; Pools szwabra ‘soort bezem’; Russisch švábra ‘scheepsbezem, luiwagen; onrein, laag mens (Wolgagebied); (jongerentaal) vrouw, meisje, slordige of lange en magere vrouw; echtgenote; prostituee’; Oekraïens švábra ‘scheepsdweil’ ; Wit-Russisch švábra ‘scheepsbezem, luiwagen’ ; Indonesisch selabar ‘dweil aan een stok’; Javaans slaber ‘dweil aan een stok’;? Menadonees slaber ‘dweil’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwabber* dweil aan een stok 1612 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zwabber, gabber* in wording. Informele jeugdtaal.

Maar in dit boekje — leuke handleiding voor de ‘zwabbers’ die nog gabbers moeten worden, leerzaam voor hun bezorgde ouders — rijst een heel ander beeld op van de verborgen driften van nu. (Elsevier, 01/11/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2677. Zwabber,

een zwerver, bedelaar, landlooper, doordraaier; eene afleiding van het wkw. zwabberen, zwalken, zwerven; ook dweilenVgl. eng. to swab, dweilen; en zwabber, een langwerpige dweil aan een stok; ook scheepsjongen die 't dek opdweilt (Winschooten, 306; De Jager, Frequ. II, 736)., dat eveneens in den zin van rondslenteren voorkomt (zie Cam. Obsc.19 bl. 74: Van Ginneken I, 518; Kmz. 125; Nkr. VIII, 21 Febr. p. 2; Ndl. Wdb. III, 3734). Vgl. Köster Henke, 76: zwabber, dronkenlap; Jord. 246: Ze kon een poen-vrijer krijgen, tienmaal meer bollebofVgl. Köster Henke, 10: bollebof, baas; commissaris van politie, kastelein, kostbaas; bl. 76: zwijnenbollebof, fietsen verhuurder (vgl. no. 1841); Jord. 244: Hij was en bleef met zijn wijf, een pronkstuk van de buurt. De Oranje-klanten eerden hem als een bollebof; II, 14; 15; II, 460: bollebof van de bazar, inspecteur van politie; Het Volk, 6 Oct. 1913 p. 5 k. 1: Een prachtstuk van een werrekman, een extra bolleboffie; Dievenp. 171: De bollebof van de bezar (Commissaris van Politie); Dukro, 134: Hij heeft weer 'n betrekking. Nou alweer? dan is-i'n bollebof (een heer); gelukkig voor je, ik feliciteer je. Het vr. luidt bolleboffin (o.a. in Landl. 307; 372). Zie verder Kluge, Rotw. 394: balboff, der Hauswirth, Eigenthümer eines Hauses oder Grundstückes. Voorzanger en Polak verwijzen bij bollebof naar balboos (zie no. 283). dan zoo'n zwabber, had hij uitgekrijscht; fri. swabber, swabbert, zwerver, landlooper.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut