Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zwaar - (veel wegend; moeizaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zwaar bn. ‘veel wegend; moeizaam’
Mnl. swaer ‘veel wegend, moeilijk’ in lanc ende swaer dat is míjn gere ‘lang en zwaar, dat is mijn wens’ [1220-40; VMNW], swar ‘zwaar; moeilijk’ [1240; Bern.], overdrachtelijk in Her Gawijn was herde swaer ombe sinen oem ‘Heer Gawein was zeer droevig vanwege zijn oom’ [1326; MNW].
Os. swār ‘zwaar, roemvol’ (mnd. swār); ohd. swāri (nhd. schwer); ofri. swēr (nfri. swier); oe. swǣre; on. svárr; alle ‘zwaar’, < pgm. *swēr-, swēri- ‘zwaar’. Overdrachtelijk in got. swers ‘geacht’ (vergelijk met de betekenis van gewichtig ‘zwaar wegend’ > ‘belangrijk’).
Wrsch. verwant met: Litouws svarùs ‘zwaar’, sver̃ti ‘wegen’; Russisch dial. osvér ‘hefboom’. Wellicht zijn ook lat. sērius ‘ernstig’ en Latijn Hittitisch suwaru- ‘zwaar, machtig’ verwant. Verdere herkomst onzeker. Volgens IEW 1151 behoren de Germaanse vormen met een s-mobile bij de wortel *uer- ‘binden, ophangen’ (IEW 1150-51) die in het Germaans verder alleen in oe. weorn, wearn ‘schaar, troep’ en met een dentale afleiding mogelijk in oe. wrǣð ‘kudde’, got. wreþus ‘(varkens)kudde’, ode. vrāþ ‘kudde’ voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zwaar* [veel wegend] {swa(e)r, zwaer 1220-1240} oudsaksisch, oudhoogduits swār(i), oudfries swēr, oudengels swær, oudnoors svārr, gotisch swērs [waard, geacht]; buiten het germ. latijn serius [ernstig], litouws sveriu [ik til op], svarus [zwaar], albaans vjer [ophangen], en mogelijk, maar omstreden grieks herma [stut, ballast].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zwaar bnw., mnl. swaer, swāre, os. swār, ohd. swār, swāri (nhd. schwer), ofri. swēr, oe. swær, on. svārr ‘zwaarʼ, got. swērs ‘geëerdʼ. — gr. aeírō, aírō (< *au̯eriō) ‘heffenʼ, herma ‘scheepslastʼ, lit. svarùs ‘zwaarʼ, sveriù ‘opheffen, wegenʼ, svārus ‘pond, weegschaalʼ, svoris ‘gewichtʼ (IEW 1151).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zwaar bnw., mnl. swaer, swâre. = ohd. swâr, swâri (nhd. schwer),os. swâr, ofri. swêr, ags. swæ̂r, on. svârr “zwaar”, got. swers “geëerd” (vgl. voor de bet. os. swâr “roemvol”, verder o.a. hebr. kâbêd “zwaar zijn”, in den pi’êl “eeren”, en ons gewichtig “aanzienlijk”), germ. *swêra-, *swêria-, Verwant met lit. svarùs “zwaar”, sveriù, sver̃ti “heffen, wegen”, alb. vjer “ik hang op”, gr. hérma “stut, scheepsballast”. De verdere combinatie met gr. aeírō “ik hef op” (basis wer-: swer-) is onzeker, die met lat. sérius “ernstig” (anlaut s-: sw- komt meer voor) is niet voldoende gemotiveerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zwaar. Als men lat. s- < sw- aanvaarden wil, is verwantschap van lat. sêrius ‘ernstig’ toch wel zeer aannemelijk; semantisch vgl. lat. gravis ‘zwaar, ernstig’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zwaar bijv., Mnl. swaer, Os. swâr + Ohd. swâr en swâri (Mhd. swære, Nhd. schwer), Ags. swǽr, Ofri. swér, On. svârr, Go. swers ( = waard, geacht) + Gr. hérma = ballast, Alb. vjer = ophangen, Lit. svarus = zwaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zwoer (bn.) zwaar; Vreugmiddelnederlands swaer <1220-1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zwaar bn., (ook:) 1. stoer, flink (man of jongen t.a.v. drank en vrouwen). We nemen Sèmmie een avondje mee, dan zullen we zien of hij ze [de vele glazen drank] kan bolwerken. Wat vind je er van Sèm? - Eh? Ik? Wel kijk, zo zwaar ben ik nog niet. Nou jaa (Rappa 1981: 24). - 2. zedeloos, ’licht’ (vrouw of meisje). Naast hem zat een ’zij’, eentje van het zware type, wan hebi oema [S, een zware vrouw]. Die ’hij’ kon zich gewoon niet houden; steeds vlogen zijn handen naar haar, waarbij zij, zogenaamd preuts, gierend en gillend van de lol zijn handen wegstootte (Rappa 1981: 100). - 3. goed beschermd. Het kamp* van baas Dingo, zoals de tweede bonoe* heette, was ’zwaar’, niets kon er zomaar onder*, daarom verborg de geest zich in de badkamer* achter op het perceel* () (Bradley 1975: 6).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zwaar, van den Germ. wt. swer = drukken, wegen, lastig zijn. Zie Zweer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zwaar ‘veel wegend’ -> Creools-Portugees (Ceylon) swar ‘overmatig’; Negerhollands swaar, swar, swā, swē ‘veel wegend’; Berbice-Nederlands swari ‘veel wegend’.

zwaaranker, zwaar anker ‘normale, zware anker’ -> Russisch švart ‘vijfde zware anker, noodanker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zwaar* veel wegend 1220-1240 [CG II1 Aiol]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zwaar metaal, luide hardrock; vertaling van heavy* metal.

In de sector zwaar metaal is het heilige vuur weer gaan branden bij oud Iron Maiden-zanger Paul Di’anno. (Oor, 02/11/85)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

663. Grof (of zwaar) geschut.

In eigenlijken zin verstaat men onder grof geschut een vuurmond, waarvan de schacht eene groote middellijn heeft, dus een vuurmond van groot kaliber, dien men in de 17de eeuw een grove bus noemde. Overdrachtelijk wordt deze uitdrukking ook toegepast op de alleruiterste hulpmiddelen, waarvan men zich in woord of daad tegenover anderen bedient; veelal dreigementen en vloeken; ook wel gebezigd, wanneer men groot geld (vgl. grof geld = groot geld) geeft om eene kleinigheid te betalen. Vgl. het hd. grobes Geschütz anfahren (oder auffahren), einem Gegner mit groben Worten entgegentreten. In Antwerpen wordt het ook gezegd van eene menigte (dieren of menschen), die woest komt aanloopen. Zie Ndl. Wdb. IV, 1748; V, 886.

1428. De laatste loodjes wegen het zwaarst,

d.w.z. het laatste gedeelte van een langdurigen, zwaren arbeid valt dikwijls het moeilijkst, het zwaarst; van een laatste inspanning hangt dikwijls het meeste af; de verre weg maakt den moeden man (Waasch Idiot. 689 b); mnl. lichte bordene es verre swaer, ja die se verre draghen moet; Goedthals, 75: lichte burden swaren op langhe wegen; ook in het Oostfri.: de leste lôdjes wegen swâr; in het fri.: de leste leadtsjes weage swierst. De zegswijze kan ontleend zijn aan het wegen, waarbij de laatste kleine gewichtjes, de laatste loodjes den doorslag geven; Molema, 241 b: de leste loodjes wegen; Harreb. II, 35 b; Villiers, 74; eng. the last mile is the longest one.

1451. Maag.

In verschillende zegswijzen komt de maag voor. Zooals in dat ligt me hard in de maag, dat kan ik niet verkroppen, verduwen (Tuinman I, 110; C. Wildsch. II, 213); dat zit me dwars in de maag, daar ben ik mee verlegen (o.a. S.M. 108; Villiers, 75); dat ligt me dwars in de maag (of 17de eeuw in den zin), dat bezwaart me, daar zie ik tegen op (Ndl. Wdb. III, 3718; VIII, 2158); fri. it leit my dwers yn 'e mage, ik ben ongerust over die zaak; met iets of iemand in zijn (of de) maag zitten, er geen weg mee wetenHet Volk, 15 Dec. 1913, p. 1 k. 1; De Arbeid, 8 Nov. 1913, p. 3 k. 3,; dat zal hem koud (of zwaar) op zijn maag vallen, dat zal hem onaangenaam zijn te vernemen (Antw. Idiot. 785); hd. das liegt mir im Magen, das ärgert oder bekümmert mich; einen auf dem (oder im) Magen haben, wenn uns jemand sehr widerwärtig ist, wenn man sich über ihn ärgert (Wander III, 333; 334); eng. to stick in one's gizzard; zie no. 1113; 1289.

2674. Zwaar op de hand zijn,

d.w.z. lastig zijn door veel of onbelangrijk gepraat; in 't algemeen vervelend, vermoeiend zijn; als adjectief ook: zwaarwichtig. De uitdrukking is ontleend aan het paardrijden, waarbij men van een paard, dat den kop naar beneden laat hangen zegt, dat het zwaar op de hand is daar dit de hand van den ruiter vermoeit; vgl. Chomel II, 751: Om te maken dat een Paard niet op de stang leune, maar licht in de hand schijne, enz.; Halma II, 506: Un cheval pesant à la main, een paerd zwaar op de hand (hd. schwer in der Faust liegen; eng. to be heavy in (on) hand); fig. moeilijk te regeeren; fr. peser à la main (dit ook in fig. zin). Vgl. Harreb. I, 19 b; Ndl. Wdb. V, 1829; Jord. 123: Hij leek wat lijzig in z'n gang en zwaar-op-de-hand in 'n praatje; Nw. School III, 336; Handelsblad, 18 Juli 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: 'n Stille, ernstige, eenigszins zwaar-pp-de-hande en tot gezetheid neigende jongeling; Nkr. VIII, 3 Oct. p. 7: Hij had nu alle zwaar-op-de-handsche redeneeringen terug geduwd; I, 5 Jan. p. 3; V, 5 Maart p. 4; Kmz. 71: O! Hij 's weer zwaar op de hand! Da's nou toch zoo'n zwaar op de hande; Het Volk, 18 Juli 1914 p. 5 k. 2: Mijn grimmige, zwaar-op-de-handsche land- en partijgenooten; 26 Maart 1914 p. 1 k. 4: Ministers van oorlog zijn zwaar op de hand als het zooiets betreft; Schoolblad XLIV, 6: De man, met wien hij - om een zwaar-op-de-handsche uitdrukking te gebruiken - zieleverwant is; De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 17 k. 3: Zwaar-op-de handsch, moeizaam en houterig Hollandsch; fri. swier op 'e hân wêze.

2676. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen,

d.w.z. aan het voornaamste moet het meeste gewicht toegekend worden; het belangrijkste gaat voor. Een oud spreekwoord, dat o.a. staat opgeteekend in Rein. II, 4848: Dat swaerste moet noch meeste weghen; Prov. Comm. 704: t Swaerste moet meest weghen, scitur quod gravius praeponderat undique pondus; zoo ook Campen, 99; Spieghel, 89; 267; De Brune, 490; Hooft, Brieven, 351: 't Zwaarst behoort meest te weeghen; Ged. II, 184, 1083: Het swaerste meest moet wegen; Brederoo II, 389, vs. 1347: 't Swaarst' moet het meeste weghen; J. Zoet, 5: 't Zwaarst weegt meest; Pers, 481 a; Tuinman II, 101; V. Janus, 371 en Harreb. II, 514 a. Ook in het Friesch: hwet swierst is, moat swierst weage; hd. das Schwerste musz am schwersten wiegen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut