Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zuinig - (spaarzaam)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zuinig bn. ‘spaarzaam’
Middelnederlands zunich ‘nauwlettend toeziend’ (1401–1500), sticksuynigh ‘scheel’ (1477; lett. ‘stijf kijkend’), onsunich (1430–1450) ‘onrein’, Nieuwnl. bi sunicheyt ‘waarschijnlijk’ (1525-1527), onzuynigh ‘verkwistend’ (1663), suynich ‘spaarzaam’ (1612), ‘behoedzaam’ (1618), ‘teleurgesteld’ (1683).
Zuinig betekende oorspronkelijk ‘toeziend, omzichtig’, en is een afleiding met -ig van het bn. dat we als suun ‘scheel’ (1340-1360, Brabant), suyn, suyne ‘waarschijnlijk’ (1477, ZO-Nl.) ook in het Middelnl. vinden. De vormen met de klinker ie die vooral in Vlaamse en Hollandse bronnen voorkomen zijn in feite hetzelfde woord: Middelnl. siene bn. ‘flink, strijdbaar’ (1285), ‘mooi’, siene bw. ‘op uitstekende wijze’ (1285), onsiene ‘hachelijk’ (1285), ‘lelijk’, tsienst ‘het beste’, selsiene ‘zeldzaam’.
De verdeling in het Nederlands van ie-vocalisme in het westen tegenover uu of ui in het oosten (waarbij in Holland beide vormen voor kunnen komen) wijst op een Westgermaanse klinker *iu, zoals bijv. ook in Diets tegenover Duits.
Verwante vormen zijn Middelnederduits sune ‘zichtbaar’, Oudengels gesīene ‘zichtbaar’, Ohd. -siuno bw. ‘zorgvuldig’, alle uit West-Germaans *siuni- ‘zichtbaar’ dat met i-umlaut teruggaat op Proto-Germaans *seuni-, waaruit ook Gotisch anasiuns en Oudnoors sýnn ‘zichtbaar’. Het lijkt erop dat dit bn. van een vrouwelijk zn. *seuni- ‘het zien, gezichtsvermogen’ is afgeleid, vgl. Got. siuns, ON sjón, OE sīen, Oudfries siūne, siōne, Oudsaksisch siun, Middelnederlands siene alle ‘gezichtsvermogen, blik’, het Mnl. woord ook ‘oog’. Dit PGm. *seuni- heeft zich, door vereenvoudiging van *gw tot *w, uit een oudere vorm *segw-ní- ontwikkeld. Die laatste is door het stemhebbend worden van *kw (de Wet van Verner) uit Proto-Indo-Europees *sekw-ní- ontstaan, een afleiding bij de wortel *sekw- ‘volgen’ die ook in het ww. zien zit.
Literatuur: Guus Kroonen.2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic, p. 434; Frank Heidermanns. 2003. Etym. Wb. der germanischen Primäradjektive, p. 473f.
[Gepubliceerd op 11-01-2018 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zuinig* [spaarzaam] {sunich [nauwlettend toeziend] 1401-1500} vgl. sticsienich naast -su(y)nich [bijziend], van middelnederlands sune, zune [het (ge)zicht], oudsaksisch siun, middelhoogduits siune, oudfries sione, oudnoors sýn, gotisch siuns; van dezelfde stam als zien, dus goed ziend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zuinig bnw., mnl. sūnich, suynich ‘nauwlettend toeziend(?)ʼ, vgl. mnd. sticsūnich ‘bijziendʼ. — Het 2de lid is afgeleid van zien en beantwoordt aan os. siun < germ. *seuni.

Gron. unzuun ‘onzindelijkʼ is te vergelijken met on. ūsȳnn ‘niet ziende, onzichtbaarʼ, vgl. fri. onsjuch ‘er vies uitziendʼ naast sjuch ‘ogelijkʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zuinig bnw., niet bij Kil., wel mnl. (noordndl.), ook ndd. Van germ. *seuni- > *siuni- “het zien”, os. siun enz. (zie bij zien): oorspr. bet. “goed kijkend, omzichtig”; identisch met ’t 2. lid van Teuth. stick-suynich “scheel, bijziend”, mnd. stik-sûnich “bijziend”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zuinig bijv., Mnl. sunich + Ndd. sunig = omzichtig: van *zuin = gezicht, Os. siun + Mhd. siune, Ags. síen, Ofri. síone, On. sýr, Go. siuns: Ug. *seu-ni-, *segw-ni-, van den stam van ʼt verl.dw. van zien. Cf. de uitdr. er op zien en Fr. être regardant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zuinig ‘spaarzaam’ -> Sranantongo soiniki ‘spaarzaam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zuinig* spaarzaam 1612 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2669. Zuinig zien (of kijken),

d.w.z. op zijn neus zien, sneu of sip kijken; eene uitdrukking van gekrenktheid of teleurgesteldheid op het gelaat hebben. Vgl. Sewel, 998: Zuinig zien, bang zien, to look demure, grave, peevish; een zuinig gezicht, a sullen or peevish look; C. Wildsch. III, 313: Keetje zweeg en zag zuinig; Molema, 583: zunig kieken, er bedrukt, niet opgeruimd uitzien. Voor de beteekenis ontwikkeling vgl. het adj. benauwd, dat dial. ook zuinig beteekent (Molema, 29; Hoeufft, 50; Ten Doornk. Koolm. I, 145; fri. binaud) en deun, nauw; schriel, zuinig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut