Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zuigeling - (kindje dat nog gezoogd wordt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zuigen ww. ‘lurken, sabbelen’
Onl. sūgan ‘zuigen’: thaz ich thich, bruother min, sehe sugan thie spunne minero muoder ‘dat ik jou, mijn broer, zie zuigen aan de borsten van mijn moeder’ [1100; LW]; mnl. sugen ‘zuigen’, in de vorm suken [1240; Bern.], in ende suget bloet [1287; VMNW], sughende an der weelde reten ‘zuigend aan de honingraten der weelde’ [1339; MNW].
Os. sūgan (mnd. sugen); ohd. sūgan (nhd. saugen); nfri. sûge, sûgje; oe. sūgan; on. súga (nzw. suga); alle ‘zuigen’, < pgm. *sūgan-.
Daarnaast staan vormen met -k-: mnl. suken ‘zuigen’; oe. sūkan ‘id.’ (ne. suck). Zie ook het causatief → zogen.
Verwant met: Latijn sūgere ‘zuigen’, sūcus ‘sap’; Litouws suñkti ‘uitpersen, filtreren’; Oudkerkslavisch sŭsati ‘zuigen’; < pie. *seuḱ-, *seuǵ-, souḱ- ‘zuigen’ (LIV 539). Schrijver (2001: 423) veronderstelt gemeenschappelijke ontlening aan een voor-Indo-Europese taal en mogelijk verband met Proto-Oeralisch *śoxi of *śuwe ‘mond’. Bjorvand/Lindeman (874-875) veronderstellen daarentegen dat het woord een vorm met s-mobile is van de stam pie. *H1ew-H- ‘melk geven, zogen’ die ook in → uier te vinden is. Volgens Kroonen (2009: 51-52) zijn de Germaanse vormen met k beïnvloed de een frequentatief *sukkōn-.
zuigeling zn. ‘baby’. Mnl. sogelinc ‘zuigeling’ in soghelinghe die niet ghespeent en sijn [1483; MNW]; vnnl. suigeling in Wt den monde der onmondigher ende suyghelinghen ‘uit de mond van minderjarigen en zuigelingen’ [1526; WNT]. Oorspr. afgeleid van → zogen ‘moedermelk geven’ met het achtervoegsel → -ling; later is de vorm aangepast aan de stam van zuigen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zuigeling* [kindje dat nog gezoogd wordt] {suyghelinck 1526} middelhoogduits sugelinc, van zuigen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zuigeling znw., sedert Kil. = mhd. sûgelinc m. Hiernaast Kil. laat-mnl. sôghelinc, hd. säugling m. (md. 14. eeuw sôgelinc) van zoogen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zuigeling (Duits Säugling)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zuigeling ‘kindje dat nog gezoogd wordt’ -> Fries sûchling ‘kindje dat nog gezoogd wordt’; Fries sûgeling ‘kindje dat nog gezoogd wordt’; Engels suckling ‘kind of dier dat nog gezoogd wordt’; Negerhollands sygligen ‘kindje dat nog gezoogd wordt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zuigeling kindje dat nog gezoogd wordt 1526 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut