Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zuid - (tegenover noord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zuid bw. ‘tegenover noord’
Onl. sūth ‘zuid’ in de glossen suthost, suth en suthuuest voor resp. ‘zuidoost’, ‘zuid’ en ‘zuidwest’ [1001-50; CG II-1, 120], eerder alleen in toponiemen (sūth-, sūthar-, sūthan-), o.a. Sutrachi, letterlijk ‘Zuiderooi (gebied in Friesland)’ [845, kopie 901-55; Künzel], Suthmeeth ‘Zuidmeet (West-Vlaanderen)’ [1162, kopie ca. 1225; Gysseling 1960], ook in thu suthenewind, thurghwaie minen gardon ‘jij zuidenwind, waai door mijn tuin’ [ca. 1100; Will.]; mnl. suut ‘in het zuiden, naar het zuiden’ in recht zud van das vorseits hus ‘precies ten zuiden van het genoemde huis’ [1265; VMNW], dat die wint suut gaet ‘dat de wind naar het zuiden draait’ [1287; VMNW].
Mnd. sūt; ohd. sund- (nhd. süd); ofri. sūth(ar) (nfri. súd); oe. sūð (ne. south); on. suðr (nzw. söder, nde. sønder, nno. sør); < pgm. *sunþ(r)a- ‘zuid’. De vorm zuiden gaat terug op het bijwoord pgm. *sunþanō-, met Noordzee-Germaanse wegval van de n en compensatierekking. Nhd. süd ‘zuid’, Süden ‘(het) zuiden’ zijn, net als nde./nzw. syd, uit het Nederlands of Nederduits overgenomen.
Omdat de woorden → oost en → west teruggaan op woorden die verwijzen naar het opkomen en het ondergaan van de zon, ligt het voor de hand te veronderstellen dat pgm. *sunþa- van*sunnō- is afgeleid, zie → zon .

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zuid* [ten zuiden] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Suthempe <1046>, suut, zûd 1265} middelnederduits sut-, oudsaksisch, oudfries sūth, oudhoogduits sund, oudengels sūð, oudnoors suðr; mogelijkerwijs samenhangend met zon.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zuiden znw. o., mnd. sūden o. ‘het zuidenʼ, ohd. sundan ‘het zuiden, zuidenwindʼ, ontstaan uit verbindingen als ohd. fon sundana, waarin sundana eig. bijw. ‘van het zuidenʼ, vgl. onfrank. sūthon ‘ab austroʼ, mnd. suden ‘zuidelijkʼ, ofri. fon sūtha, oe. sūðan, on. sunnan ‘van het zuidenʼ. — Afl. van zuid.

zuider- in samenst., mnl. sūder-, os. sūthar ‘zuidwaartsʼ, ohd. sundar ‘austerʼ, oe. sūð(e)ra, sūðerne bnw. ‘zuidelijkʼ (ne. southern), on. sunnari, syðri ‘zuidelijkʼ, suðr ‘zuidwaartsʼ, znw. ‘het zuidenʼ. — Afl. van zuid.

zuid bijw. znw. v. o., mnl. suut bijw. ‘in of naar het zuidenʼ, mnd. sūt-, ohd. sund o. ‘het zuidenʼ, ofri. sūth, ‘het zuidenʼ, oe. sūð bijw. ‘zuidelijk, in, naar het zuidenʼ (ne. south). — Zie: zuiden en zuider-.

Uit te gaan van een germ. grondvorm *sunþa, die verschillende mogelijkheden ter verklaring openlaat. — 1. Indien ‘zonwaartsʼ dan verband met zon (IEW 881). — 2. Indien ‘rechtsʼ in verband met de oost-oriëntatie dan bij gezwind (F. R. Schroder PBB 47, 19, 23, 345). — 3. Zeer onwaarschijnlijk < idg. *sṇto ‘druipend, nat, bedauwdʼ vgl. gr. nótos ‘zuidenwindʼ (die de regen brengt). (Wood Lang. 3, 1927, 185). — 4. Uit te gaan van *sunþra < *sumnpra en dan de stam *sumn naast: *sup vgl. lat. super, gr. húper ‘bovenʼ; dan dus eig. ‘de bovenkromming van de eclipticaʼ, zo Huisman KZ 71, 1953, 101. (tegenstelling tot noord). — De vorm zuid is inguaeoons; daarnaast staat frankisch zond in plaatsnamen als Zonderveld, Zonderwijk (N. Brabant).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zuid, zuiden bijw. znw. en als eerste compositielid, mnl. suut bijw. “in of naar het zuiden”, oudnnl. ook znw. o. “het zuiden” (laat-mnl. eens die zuyde “zuidzijde”). Hiernaast mnl. sûden znw. o. (nnl. zuiden), ook als bnw. de sûden(e) wint, de wint is sûden. Zuid = laat-ohd. sund o. “het zuiden”, mnd. sût- in samenst., owfri. sûd “het zuiden”, ags. sûð bijw. “zuidelijk, in of naar het zuiden” (eng. south). Zuiden znw. o. = ohd. sundan (m. o.?) “’t zuiden, zuidenwind”, mnd. sûden o. “het zuiden”; geabstraheerd uit verbindingen als ohd. fon sundana, waarin sundana oorspr. een bijw. was = “van het zuiden”: vgl. onfr. sûthon “(ab) austro”, mnd. sûden bijw. “zuidelijk”, ofri. fon sûtha, ags. sûðan, on. sunnan “van het zuiden”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zuid, zuiden, zuider-. De opvatting van Fr.R.Schröder PBB. 47, 345 en H.Schröder GRM. 17, 424 vlg., dat germ. *sunþ- met de onder gezwind genoemde woorden zou ablauten en ospr. ‘rechts’ zou hebben betekend (zuid = rechts, wanneer men naar het oosten ziet: vgl. noord Suppl.), is moeilijk te aanvaarden, omdat de bet. ‘rechts’, die alleen in het Ags. voorkomt bij de comparatief van swîð in de groep van gezwind, blijkbaar secundair en niet oergerm. is. — Onaannemelijk F.A.Wood Language 3, 185, die het opnieuw opneemt voor de combinatie met gr. nótos ‘zuidenwind, regenbrengende wind’ (*snoto-), dat met gr. noterós ‘vochtig’ (zie nat) bij lat. nato ‘ik zwem’, arm. nay ‘vochtig, vloeibaar’ behoort.
Als mond tegenover Muiden staat Zonder- in plaatsnamen (Zonderwijk, Zonderveld in Noord-Brabant) tegenover de ingwaeoonse vorm zuid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zuid o., Mnl. suut, Os. sûth + Ohd. sund (Mhd. id.), Ags. sûđ (Eng. south), Ofri. súth, On. súdr (Zw. en De. syd): Ug. *sunþ-: wel een afleid. van zon; vergelijk Oost en West. — Hgd. süd is, evenals Fr. sud, ontleend aan ʼt Ndd.-Fri.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zuid, Ohd. sund, Oudgerm. sunth, vermoedelijk van zon, Got. sunno, als zonzijde.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zuid* windstreek 0918-948 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut