Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zucht - (ziekte, ziekelijke neiging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zucht zn. ‘ziekte; begeerte’
Onl. suhti met een overdrachtelijke betekenis ‘(moreel) verderf’ en in een hypercorrecte vorm met -ft- (zie → achter) in in stuote (lees stuole) suffte ‘de zetel van verderf’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sucht, socht ‘ziekte, i.h.b. koorts’ in die ... socht no rede Noch quale en dogde ‘die geen ziekte, koorts of kwaal had’ [1265-70; VMNW], hem die leghet jn heeter sucht ‘degene die koorts heeft’ [1287; VMNW].
Os. suht (mnd. sucht); ohd. suht (nhd. Sucht); ofri. sechte, siochte (nfri. sjocht(e)); oe. suht; on. sótt (nzw. sot); got. sauhts; alle oorspr. ‘ziekte’, < pgm. *suhti-.
Afleiding met het achtervoegsel *-ti- van de nultrap van de wortel *seuk- van → ziek, met *-kt- > *-ht-.
Mnl. sucht was het algemene woord voor ‘ziekte’ en kwam ook voor in vele namen van specifieke ziekten, bijv. bloedzucht ‘dysenterie’ (blutsogt [1240; Bern.]), voetzucht ‘voetjicht’ (uoet sogt [1240; Bern.]) slaapzucht ‘slaapziekte’ (Slapende sucht [1567; iWNT], Slaep-sucht [1642; iWNT]). Zucht in de algemene betekenis heeft het afgelegd tegen ziekte, en ook de meeste samenstellingen zijn vroeg of laat verdwenen; min of meer bekend zijn nu onder meer nog geelzucht ‘icterus’ (gheilsucht [1300-25; MNW-R]), bleekzucht ‘bloedarmoede’ en waterzucht ‘oedeem’.
Vanaf de 16e eeuw kreeg zucht, met name als tweede lid in samenstellingen, ook de betekenis ‘begeerte’, wrsch. onder invloed van het niet-verwante werkwoord → zuchten in de overdrachtelijke betekenis ‘(zuchtend) verlangen, begeren’, zoals in weetzucht, eerzucht, geldzucht, alle uit de 16e of begin 17e eeuw. Veelal wordt een corresponderend bn. op -ziek gevormd, bijv. koopzucht (zn.) naast koopziek (bn.). Bij Duits Sucht vond vanaf de 17e eeuw eenzelfde betekenisverschuiving plaats o.i.v. het niet-verwante werkwoord suchen ‘zoeken, trachten te verkrijgen’. Veel jonge Nederlandse samenstellingen met -zucht zijn gevormd als leenvertaling uit het Duits.
Lit.: M. Mooijaart (1997), ‘Geen geelzucht, maar geldzucht: zucht als tweede lid van samenstellingen in de geschiedenis van het Nederlands’, in: A. van Santen & M.J. van der Wal (red.), Taal in tijd en ruimte, Leiden, 95-104

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zucht2* [ziekte, ziekelijke neiging] {socht(e), sucht, zocht 1265-1270} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels suht, oudfries sechte, oudnoors sōtt, gotisch sauhts; ablautend naast ziek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zucht 2 znw. v., ‘ziekte, sterke begeerteʼ (vgl. waterzucht, eerzucht), mnl. sucht, socht v., os. ohd. suht (nhd. sucht), ofri. seht, oe. suht (éénmaal in uit os.), on. sōtt, got. sauhts < germ. *suhti, verbaalabstr. bij het ww. alleen bewaard als got. siukan. — Zie verder: ziek.

De bet. ‘heftig verlangenʼ is ontstaan door associatie met zoeken, misschien door hd. invloed, waar de verhouding sucht: suchen daartoe eerder leiden kan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zucht II (ziekte, sterke begeerte; veel in samenstt. als waterzucht, eerzucht), mnl. sucht, socht v. = ohd. suht (nhd. sucht), os. suht, ofri. secht, ags. (eenmaal, uit ’t Os.) suht, on. sôtt, got. saúhts v. “ziekte”. Ablautend met ziek. De bet. “sterke begeerte, streven naar” kwam op, doordat het taalgevoel zucht met zoeken combineerde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zucht 3 v. (trek), + Hgd. sucht: is hetz. w. als zucht 2, dat zijn bet. wijzigde omdat men het in verband bracht met zoeken, zocht.

zucht 2 v. (ziekte), Mnl. sucht, Os. suht + Ohd. suht (Mhd. id., Nhd. sucht), Ags. suht, Ofri. secht, On. sótt (Zw., De. sot), Go. sauhts: afgel. van den stam van ʼt meerv. imp. van een st. werkw. * zieken = ziek zijn + Ohd. siohhan, Go. siukan (z. ziek).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3sug s.nw.
1. Siekte, ongesteldheid, bv. geelsug. 2. Vog wat by ontsteekte plekke in die liggaam vorm. 3. Sterk begeerte, soms oordrewe en sieklik. 4. Slymerige syferwater.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. zucht (Mnl. socht in bet. 1, 1599 in bet. 2, 1627 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die samestelling sugsloot.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zucht hebben in (had, heeft gehad), zin hebben in. Geen enkele wachtsoldaat in zijn hokje - () - geen enkele adjudant had de man tegengehouden, hij was zomaar de huiskamer binnengestapt. Omdat hij zucht in thee had... (Doelwijt 1972b: 131). - Etym.: AN zucht = o.m. sterke begeerte, vroeger ook gericht op concrete zaken, tegenwoordig echter alleen op iets abstracts (bijv. ’de zucht tot zelfbehoud’).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sug II: bep. siekte; verskyn veral in ss. soos geel- en watersug; Ndl. zucht (Mnl. sucht/socht), Hd. sucht, Oeng. suht, Got. sauhts, “siekte”, hou wsk. verb. m. siek(te).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zucht (ziekte), zie Ziek. Ook sucht als trek, begeerte: zucht naar sterken drank, naar eer, enz. behoort hierbij; het volk bracht dit woord echter in verband met zoeken (Hgd. suchen), dus: het zoeken, verlangend naar iets.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zucht* ziekte, ziekelijke neiging 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut