Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zucht - (sterke uitademing)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zuchten ww. ‘hoorbaar uitademen’
Mnl. sugten (1240), suchten (1265–70), zwak ww., sugtinge ‘zucht’ (1240), versuchten ‘zuchtend weeklagen; een zucht slaken; begeren’ (1265–70), Nnl. suchten ‘zuchten’ (1515), ook ‘treuren, tobben, lijden’. De Oostnederlandse dialecten wijzen op een umlautsvorm, zoals we ook in het Duits vinden. Het woord vertoont de Oudnederlandse overgang van ft > cht (zie onder achter). Met het oog op de verwante talen kunnen we Laatoudnederlands *sxton reconstrueren, waarin de lange klinker werd verkort voor de combinatie cht (vergelijk kopen - verkocht).
Verwante vormen: Middelnederduits suften, suchten, Oudhoogduits sūfton, sūfteon, Middelhoogduits siuften, siufzen, MoHG seufzen ‘zuchten’, moderne Rijnlandse dialecten züchte, züüete, alle uit Westgermaans *siuftjōn. Daarnaast, zonder t-suffix, Mhd. siufen ‘zuchten’, Oudengels sēofian ‘klagen, beklagen’ uit WGm. *siuf(ō)jan.
De Proto-Germaanse wortel was *seuf-. De beste etymologische aansluiting is met Ned. zuipen, uit PGm. *sūp-, en Ned. soppen ‘drenken’, uit PGm. *supp- (zie onder sop), als we aannemen dat ‘zuchten’ overdrachtelijk als het ‘binnenslurpen’ van een teug lucht beschouwd werd (Seebold, Etym. Wb. der dt. Sprache, 25. Auflage, 2011, s.v. seufzen). Naast *sūp- en *supp- is *seuf- binnen het Germaanse systeem van werkwoorden de te verwachte basisvorm, die op Proto-Indo-Europees *seup- terug moet gaan. Kroonen (Etym. Dict. of Germanic, 2013, p. 493) verklaart *sūp-, *supp- uit een Indo-Europese combinatie van *seuH- ‘gieten’ en *peh3- ‘drinken’. Dat zou qua betekenis wel passen maar een dergelijke samenstelling is in het PIE zeer ongebruikelijk.
Een alternatief is om uit te gaan van het PIE ww. *seup- ‘strooien, schudden’, waartoe Proto-Slavisch *sup- ‘gieten, strooien’ (o.a. Tsjechisch souti, Sloveens súti ‘gieten, strooien’), Litouws sùpti ‘wiegen, omringen’, en Latijn supāre ‘gooien’, dissipāre ‘verstrooien’, īnsipere ‘ingooien’ behoren. De Germaanse betekenissen ‘zuipen, drenken’ en‘zuchten’ wijzen natuurlijk niet dwingend op een verband met ‘strooien, schudden’. Maar indien het ww. in het Germaans, net als in Slavisch, eerst ‘gieten’ betekende, zouden daaruit zuipen en soppen makkelijk te begrijpen zijn (‘binnengieten’). ‘Zuchten’ was dan, overdrachtelijk, het ‘uitgieten’ van de adem.
zucht zn. ‘hoorbare uitademing’
Laatmnl. zucht m. (1351–1400), Nnl. zucht (1516).
Verwante vormen: Mhd. sūft m. ‘zucht, inademing’, ook siufte, siufze m. ‘zucht’
Zowel in het Duits als het Nederlands is het zn. later geattesteerd dan het ww., hetgeen suggereert dat zucht werd afgeleid van zuchten, en niet andersom zoals Seebold (op de aangegeven plaats) aanneemt. Hij leidt Mhd. sūft af van Ohd. sūfan ‘zuipen’, maar -t is geen productief Mhd. suffix voor het maken van mannelijke zn., en bovendien kan Mhd. ū vaak ook de umlautsklinker iu weergeven.
[Gepubliceerd op 09-06-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zucht1* [sterke uitademing] {sucht, socht 1350} middelnederduits sucht, middelhoogduits sūft (vgl. zuchten); de verbinding cht ontstond uit ft, vgl. bv. graft > gracht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zucht 1 znw. m. ‘het zuchtenʼ, mnl. sucht, socht met cht < ft, vgl. mnd. sucht, mhd. sūft. — Bij het ww. zuchten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zucht I (het zuchten), mnl. sucht (socht) m. Met overgang van ft in cht en klinkerverkorting vóór cht (vgl. zacht) = mhd. sûft, mnd. sucht m. “zucht, diepe ademhaling”. Bij het ww. zuchten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zucht 1 m. (ademhaling), Mnl. sucht + Mhd. suft: verbaalabstr. van zuchten, Mnl. suchten, uit *zuften + Ohd. sûfteôn (Mhd. siufzen, Nhd. seufzen): intensief van zuipen (z.d.w.); andere afleid. zijn Ags. séofian, Meng. sobben en Eng. to sob.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zöch (zn.) zucht; Middelnederlands sucht <1350>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1sug s.nw.
Diep, hoorbare uitaseming, gewoonlik as uiting van moegheid, teleurstelling of verligting.
Uit Ndl. zucht (Mnl. sucht). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Sucht (8ste eeu), Eng. sigh (14de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sug I: sagte asemhaling m. geruis en gevoel; Ndl. zucht (Mnl. sucht/socht), Hd. sucht, (ww.) seufzen, hou misk. verb. m. Ndl. zuipen, Afr. suip (n.a.v. inaseming/insuiping v. lug), verb. m. Eng. sigh twyfelagtig, maar albei kan v. kn. aard wees.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zucht ‘sterke uitademing’ -> Negerhollands sucht ‘sterke uitademing’; Sranantongo soktu ‘sterke uitademing’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zucht* sterke uitademing 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2436. In een vloek en een zucht,

d.i. in een oogwenk; eig. in den tijd, dien men noodig heeft voor een vloek en een zucht. Vgl. De Genestet I, 217: Een vloek en een zucht en de Prins stond gekleed; Nw. School VI, 381: Het vak, waar-ie na een opleiding van een vloek en een zucht in was komen rollen; Falkl. 11: Heit-ie lang geleeje? - Nee man - Die was 'r uit in 'n vloek en 'n sucht; VI, 47; VII, 183: We waren op Katwijk en de Scheveningsche pier leek in 'n vloek en 'n zucht nabij; Allerz. 60: Eten dat in 'n vloek en 'n zucht mot worden klaar gemaakt; Handelingen St. Gen. 1913-1914, p. 2924: Gaat niet op het laatste oogenblik in een vloek en een zucht even dit wetsontwerp voteeren; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 8 k. 2. Ook in twee (of drie) vloeken en een zucht (Harreb. II, 392 b), hetzelfde als het 17de-eeuwsche in of met drie haasten, fri. mei saun (of túzen) hasten, in Zuid-Nederland met zeven (d.i. veel) haasten; dat is op een wind, een vloek gedaan (Tuerlinckx, 124; Schuermans, 822 b; De Bo, 1337 b); op 'nen vloek of op nen zucht en nen vloek (Schuerm. 822 b; Antw. Idiot. 1387); op 'nen slag en 'nen keer (Waasch Idiot. 593 b); op 'nen waai en 'nen draai, op 'nen draai en 'nen keer (Waasch Idiot. 187 a); op nen zucht, op een vloeksken, op nen ja en nen neen (Schuerm. 206; Ndl. Wdb. VII, 9); in eenen aai en eenen draai (Schuerm. 1 a); met eenen haai en eenen draai of in eenen haai en eenen zwaai (De Bo, 397); Land v. Aalst: op ne vloek en ne sakker; hd. in ja und nein. Ook alleen in een zucht in Handelsblad, 16 Maart 1914 (avondbl.) p. 9 k. 2: De vierduizend kaarten door den Belgischen bond in Nederland ten voorverkoop aangeboden waren in een zucht weg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut