Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zot - bn. en (dwaas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zot bn. en zn. ‘dwaas’
Mnl. sot (zn.) ‘dwaze, dwaas persoon’ in dien sotte (datief) ‘de zot’ [1220-40; VMNW], als toenaam zot [1267; VMNW] en desot [1269; VMNW], dat becochti als een sot ‘daar moest hij als een krankzinnige voor boeten’ [1285; VMNW]; mnl. sot (bn.) ‘dom, dwaas’ in Daer omme es sot die enen wiue Geloeft te uerre ‘daarom is degene die een vrouw al te zeer gelooft dwaas’ [1265-70; VMNW].
Ontleend aan Oudfrans sot (zn.) ‘domme, krankzinnige’ [1250-1300; TLF], het zelfstandig gebruikte bn. sot ‘dom, krankzinnig’ [1155; TLF], van middeleeuws Latijn sottus ‘dwaas’ [ca. 800; TLF]. Hiervan is de herkomst onbekend, wellicht een expressieve vorming, vergelijk de Franse negatieve interjectie zut! ‘verrek!’.
In het Nederlands kon het zn. in predicatief gebruik als bn. worden geïnterpreteerd. Deze overgang van zn. naar bn. treedt vaker op bij ontleende woorden die betrekking hebben op personen, zoals → idioot, → favoriet, → katholiek, → militair.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zot [dwaas] {sot 1201-1250} < frans sot [idem] (vgl. sottise).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zot bnw., znw. m., mnl. sot, mnd. mhd. sot ‘zot, krankzinnigʼ < fra. sot ‘dwaas, gekʼ, dat zelf van onbekende herkomst is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zot bnw. znw., mnl. sot (tt). Ook mhd. mnd. sot “zot, krankzinnig” komen als bnw. en znw. voor. Wsch. uit fr. sot “dwaas, gek”, van onzekeren oorsprong. De bett. “slecht, van weinig waarde” van mnl. sot zijn blijkbaar secundair.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zot bijv., Mnl. sot + Mhd., Ags. id. (Eng. id.) + Mlat. sottus (Fr. sot, Sp.-Po. zote) + Ier. suthan, sotaire. Men neemt gewoonlijk aan dat de Rom. woorden ontleend zijn aan het Kelt. en de Germ. aan ʼt Fr.: niets is echter daarvan zeker. Voor met iemand den zot houden vergel. gek 1 en gek 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sot: s.nw. en b.nw., dwaas, gek; Ndl. zot (Mnl. sot), soos Eng. sot uit Fr. sot, “dwaas, gek”, herk. onbek.

sot: s.nw. en b.nw., dwaas, gek; Ndl. zot (Mnl. sot), soos Eng. sot uit Fr. sot, “dwaas, gek”, herk. onbek.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zot: iemand die op een onverstandige of redeloze manier handelt; gek; dwaas. Soms meer specifiek ‘verliefde of hoogmoedige dwaas’. Dit scheldwoord werd al opgetekend in de zestiende eeuw.

Onder de societeit der zotten zyn deze drie niet van de allerminste; een getrou Minnaar; een barmhartig Soldaat en een oprecht Speelder. (Jacob Campo Weyerman, De Rotterdamsche Hermes, 1720)
Ja Broêr, de jonge is met al zijn beleefdheid, tog een ondraagelijke wijsneus! een zot, een aap. (Betje Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zot ‘dwaas, gek’ -> Duits dialect sotten ‘(over kinderen) huilend aanstellen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sot ‘dwaas, gek’; Berbice-Nederlands soto ‘dwaas, gek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zot dwaas 1240 [Bern.] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

van de dolle, dwaze, gekke, zotte, informeel voor ‘te gek voor woorden; belachelijk; idioot’. Deze uitdrukking, die eind jaren zeventig plotseling opgang maakte, is wellicht ontstaan onder invloed van de populaire tv-serie Pipo de Clown uit de jaren zestig. Daarin werden regelmatig uitdrukkingen met van de in de mond genomen, bijvoorbeeld van de jarige.

Voorzichtigjes natuurlijk want ze denken meteen van de gekke van je. (Heere Heeresma: Eén robuuste buste, 1989)
Het is toch eigenlijk van de zotte dat we hier zo amateuristisch bezig moeten zijn om bij elkaar te puzzelen welke plannen de Philip Morris-directie heeft. (Elsevier, 11/04/92)
De makelaar, de computerjongen en de autodealer praten er graag over die knotsgekke beurs, het gedonder op de zaak of over het parkeerbeleid in Amsterdam dat werkelijk van de zotte is. (HP/De Tijd, 18/07/97)
Beide maatschappijen zeggen het goed te vinden dat er meer concurrentie komt, maar betitelen onderdelen van het kabinetsplan als ‘een stukje concurrentievervalsing’ en als ‘van de gekke’. (Trouw, 17/04/98)
Volgens de politie is de rol van de wijkagent op dit moment absoluut geen punt van discussie. ‘Dat zou toch van de zotte zijn. Als ze liever een wijkagent hebben die met zijn handjes op zijn rug over straat loopt, dan moet ik ze teleurstellen,’ aldus een woordvoerder. (NRC Handelsblad, 24/04/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal