Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoopje - (drank, teug sterkedrank)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoopje*, zopie [drank, teug sterkedrank] {1645} ook in de uitdrukking koek-en-zopie [tent op het ijs], verkleiningsvorm van middelnederlands sope, soop [teug, slok] {1483} middelnederduits sope, oudengels sopa, oudnoors sopi; van zuipen, vgl. zog van zuigen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoopje znw. o. verkleinwoord van zoop, laat-mnl. söpe ‘teug, slok’ (sopekijn echter ook ‘saus’), mnd. sōpe m. ‘slok, drank’, oe. sopa, on. sopi m. ‘slok’ < germ. *supan; daarnaast stond *supi vgl. vla. zeup ‘dronk, teug’, westf. süǝp ‘het zuipen’, mhd. suf, sof m. ‘soep’, oe. sype m. ‘het opzuigen’. — Afl. van zuipen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoopje znw. o. Demin. van ’t weinig gebruikte zoop, laat-mnl. sōpe “teug, slok” (en “saus” in ’t demin. sōpekijn o., bij Maerlant) =. mnd. sōpe m, “slok, drank”, ags. sopa, on. sopi m. “slok”, germ. *supan-. Bij zuipen evenals *supi-, vla. zeup “dronk, teug”, mhd. suf (sof) m. “soep”, westf. süǝp “het zuipen”, ags. sype m. “het opzuigen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zoopje. Mnd. sōpe kan ook als sȫpe met vla. zeup enz. op germ. *supi- berusten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sopie s.nw.
Slukkie, of glasie sterk drank.
Uit Ndl. zoopje (1634 in die vorm soopje), 'n verkleiningsvorm van Mnl. sope, soop 'teug, sluk' en is 'n afleiding van Ndl. zuipen. Eerste optekening in vroeë Afr. op 12 Julie 1712 in die vorm soopties Glaasje 'sopieglasie' (Scholtz 1972: 165), waarna in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm soopi.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1696).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zoop’je (het, -s), (veroud.) borrel. Die gebruik ik niet, of er moet eens iemand komen, - maar jenever; als ik zo nat uit de grond* kom, dan moet ik een of twee zoopjes hebben () (Kuhn 1828: 60; oudste vindpl.). - Etym.: AN z. = slokje sterke drank, veroud., thans alleen nog in ’koek-en-zoopje’ = stalletje, i.h.b. op het ijs, waar men koeken e.d. en dranken kan kopen. Zie ook sopi*. - Syn. half achtste*, iets korts*, shot* (1), snap(je)*, sopi* (2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sopie: drankie (veral v. st. drank); Ndl. (ook gew. dim.) zoopje, by vRieb soopie, hou verb. m. so(e)p en suip.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

zoopje In het algemeen Nederlands wordt de borrelnaam zoopje niet of nauwelijks meer gehoord, behalve dan in de verbinding koek-en-zopie voor ‘kraam op het ijs waar koek en drank worden verkocht’. Maar in het Fries en in verscheidene dialecten is het woord nog springlevend, vooral in Noord-Nederland. Zo drinken de Friezen een sûpke, de Drenten een zeupie en de Groningers een zeupke. Het woord is in de afgelopen decennia ook aangetroffen in Limburg, Twente, Vlaanderen en Zeeland.
De borrelnaam is in 1645 voor het eerst gevonden. Zoopje is een verkleiningsvorm van het Middelnederlandse soop ‘slok, teug’ en is afgeleid van het werkwoord zuipen. Aan het eind van de 16de eeuw werd het gebruikt voor ‘kleine hoeveelheid wijn’, sinds het midden van de 17de eeuw voor ‘klein glaasje brandewijn’ en sinds het begin van de 18de eeuw voor ‘glaasje jenever’. Soldaten en zeelieden kregen dagelijks een vast aantal zoopjes. Dit werd in decreten vastgelegd. Zo besloten de bestuurders van de Verenigde Oostindische Compagnie op 2 oktober 1760 dat ‘het volk, aan boord der schepen, zal worden verstrekt twee soopjes daags, bestaande ieder soopje uit een half mutsje’. Blijkbaar vond men dit toch te veel, want in 1768 werd bepaald: ‘Het volk zal genieten drie soopjes ’s daags, ieder soopje van een quart mutsje’ — op een kwart minder dus, hoewel het op het eerste gezicht meer lijkt.
Soldaten begonnen de dag vaak met een zoopje, vandaar de samenstelling morgenzoopje, die aan het begin van de 17de eeuw is gevonden. Men sprak ook van een zoet zoopje voor ‘jenever met siroop of brandewijn met suiker’.
Het zoopje is in vele uitdrukkingen terechtgekomen. In een spreekwoordenverzameling uit 1874 staan hij wou zijn zoopje nog eens herkauwen, maar het schoot bij ongeluk te hoog naar boven voor ‘hij braakt’; hij is van den drank en gebruikt niets anders dan oud bier en zoopjes; zoo’n zoopje smaakt naar meer en die drinkt te veel zoopjes, doet slechte koopjes. Een dronkaard werd wel een zoopjesdrinker genoemd, een kroegbaas of slijter een zoopjesman, de kroeg zoopjeskit. Ook de uitdrukking hij is een pimpelmees wordt met zoopje in verband gebracht. Een spreekwoordenboek uit 1874 licht toe:

Zoopjes drinken wordt ook wel pimpelen genoemd; daarom verkrijgt de zoopjes-drinker, bij woordspeling, den naam van pimpelmees, een vogel, die ook gewoon is, herhaaldelijk met kleine slokjes te drinken.

Vanzelfsprekend namen de Nederlanders hun zoopie mee op reis en zo belandde het in andere talen. In het Afrikaans is het sopie geworden en in het Surinaams-Nederlands sopi en zoopje. In het Surinaams-Nederland is ook switsopi bekend, van het Engelse sweat. Het Maleis heeft zoopje geleend als sopi. Verrassend genoeg kwam het woord ook in het Engels terecht, als sopie. Het vroegste citaat in de Oxford English Dictionary dateert van 1696 en luidt: ‘The common Dutch are satisfied with a sopie of Brandy-Wine.’
Vergelijk zoenwater.

[Dam 155; Donselaar 344, 362, 413; EWB2; Herroem 4, 13, 41, 129, 135; Joos 1900:768; Kocks 1472; Ter Laan 1929:112; Nijm.vr. 80; Mullebrouck 335; Oemar 6; PJM 55; WFT sûpke; WNT XXVIII 2207-2212]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoopje, zopie ‘drank, teug sterkedrank’ -> Fries soopje ‘drank, teug sterkedrank’; Engels sopie ‘(teug) sterkedrank’; Zuid-Afrikaans-Engels sopie ‘een borrel, sterkedrank’ ; Indonesisch sopi ‘alcoholische drank’; Ambons-Maleis sopi ‘arak’; Atjehnees supi ‘jenever’ ; Boeginees sôpi ‘jenever’; Kupang-Maleis sopi ‘arak’; Letinees sopi ‘jenever’; Madoerees supi ‘jenever’; Makassaars sôpi ‘jenever’; Menadonees sopi ‘arak’; Minangkabaus sopi ‘likeur’; Nias sofi ‘brandewijn’; Sasaks supi ‘portwijn’; Ternataans-Maleis sopi ‘arak’; Petjoh sopi ‘borreltje’; Singalees † zōppi ‘borrel’; Negerhollands soopi, soopie, soopje, sopi, supi ‘sterkedrank, rum’; Berbice-Nederlands sopi ‘sterkedrank’; Skepi-Nederlands sopi ‘sterkedrank, rum’; Papiaments † soppi ‘teugje’; Sranantongo sopi ‘sterkedrank; rum’; Saramakkaans sópi, adjobí ‘sterkedrank’ ; Arowaks supi ‘sterkedrank’ ; Warau sobi ‘rum’; Surinaams-Javaans sopi ‘sterkedrank’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † sopi ‘rum’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoopje, zopie* drank, teug sterkedrank 1645 [WNT zoop]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut