Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoon - (mannelijke nakomeling)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zoon zn. ‘mannelijke nakomeling’
Onl. suno, sun ‘zoon’ in gelobistu in crist godes suno ‘geloof je in Christus, Gods zoon’ [791-800; CG II-1, 26], sun min bis thu ‘jij bent mijn zoon’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sone, soon ‘zoon’ in no an enehge dinc sire sonen ‘noch aan iets van zijn zonen’ [1237; VMNW].
Os. sunu (mnd. söne); ohd. sunu, suno (nhd. Sohn); ofri. sunu, sune (maar nfri. soan is ontleend aan het Nederlands); oe. sunu (ne. son); on. sunr, sonr (nzw. son); got. sunus; alle ‘zoon’, < pgm. *sunu-.
Verwant met: Sanskrit sūnú-; Avestisch hūnu-; Oudpruisisch soūns, Litouws sūnùs; Oudkerkslavisch synŭ; < pie. *suH-nu-. Daarnaast met ander achtervoegsel: Grieks huiós; Tochaars B soy; < pie. *suH-iu-. Uitgaande van een betekenis ‘geborene’ zijn beide wrsch. afgeleid van de wortel pie. *seuH- ‘baren’ (LIV 538), die overigens alleen in de Iraanse talen wordt gerepresenteerd. In het Germaans is lange u voor het accent regelmatig verkort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoon* [mannelijk kind t.o.v. de ouders] {sone, soon 1237} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels sunu, oudnoors sonr, gotisch sunus; buiten het germ. litouws sūnus, oudkerkslavisch synŭ, oudperzisch hunav, oudindisch sūnus en zonder n formans grieks huios, oudiers suth [nakomeling], armeens ustr, vgl. oudindisch sūyate [hij verwekt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoon znw. m., mnl. sōne, zuene, os. ohd. sunu (nhd. sohn), ofri. sunu, sune, sun, son, oe. sunu (ne. sun), on. sonr, sunr, got. sunus. — av. hunu-š, daarnaast met lange klinker oi. sūnú-, osl. synŭ, lit. sūnùs en zonder n-formans de vorm *sui̭os in gr. huiós, huós, toch. B. soyä. Bij de idg. wt. *seu, ‘baren’, vgl. oi. sū́tē, sūyatē ‘baart’, sutas ‘zoon’, oiers suth ‘geboorte, vrucht’ (IEW 913)

In de nl. dialecten overweegt de vorm zeun, alleen in Oost-Vlaanderen en de Betuwe, zowel als in de grote steden (door hd. als middeleeuwse cultuurtaal?) heerst zoon; taalkaarten bij J. van Ginneken Taaltuin 1, 1932-3, 251-252 en P. J. Meertens Taalatlas afl. 6, 4. — Daar de u-stammen in het mv. vaak een umlautsfactor hebben en daarom in het eng. en noordgerm. de pluralis van dit woord umlaut vertonen, ligt het voor de hand, daaraan ook de vorm zeun toe te schrijven, vgl. echter Fijn van Draat Ts 42, 1923, 240.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoon znw., dial. ook met ȫ, mnl. sōne, sȫne m. = ohd. os. sunu (nhd. sohn), ofri. sunu, sune, sun, son, ags. sunu (eng. sun), on. sonr, sunr, got. sunus m. “zoon” = av. hunav- “id.”. Ablautend met obg. synŭ, lit. sûnùs, oi. sûnú- “zoon”. Evenals gr. huiús, huiós = tocharisch B soyä “id.” en oi. sutá- “id.”, ier. suth “geboorte, vrucht” van de basis sū̆-, waarvan ook het oi. ww. sū́te (sauti), sū́yate “hij verwekt, baart”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zoon. De vormen met ȫ zijn zeer verbreid; de niet gepalataliseerde vorm heerst vooral in en om de steden in Holland en in het Z.-O. van het ndl. taalgebied; kaart bij v.Ginneken Taaltuin 1, 251. De ȫ zal bezwaarlijk overal te verklaren zijn uit verbogen vormen met umlautsfactor, resp. vermenging in het mv. met de i-stammen (Fijn van Draat Tschr. 42, 240 met litt.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoon m., Mnl. sone, Os. sunu + Ohd. id. (Mhd. sun, Nhd. sohn), Ags. sunu (Eng. son), Ofri. sunu, On. sunr (Zw. son, De. søn), Go. sunus, een afleid. van Germ. wrt. seu = verwekken + Skr. sūnus, Av. hunav, Osl. synŭ, Lit. sûnùs, en met ander suffix Gr. huiós (d.i. *sui̯os) en Oier. suth (= geboorte): Idg. wrt. seu̯.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zoon (zn.) zoon; Aajdnederlands suno <791-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

seun s.nw.
1. Kind van die manlike geslag in betrekking tot sy ouers. 2. (as aanspreekvorm) Jeugdige van die manlike geslag. 3. Afstammeling, manlike onderdaan.
Uit Ndl. zoon (Mnl. sone in bet. 1, 1539 in bet. 2, 1811 in bet. 3). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die verkleiningsvorm seuntjie en in Patriotwoordeboek (1902).
D. Sohn (8ste eeu), Eng. son (645). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1913 in bet. 1 en 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

seun: knaap; ml. kind; Ndl. zoon (Mnl. sone/seune, dial. Ndl. zeun/seun), Hd. sohn, Eng. son, Got. sunus, hou verb. m. Gr. (h)uios, “seun” –vroeër (veral 17e eeu) is seun/zeun in Ndl. gebr. as ben. vir “jong bode aan boord, handlanger v. d. paai”, v. Kloe HGA 74, 77 en (veral) 98.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zoon ‘Jezus, zoon van God’ (bet. van Latijn filius)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De verloren zoon, de zoon in de gelijkenis die na lange tijd weggeweest te zijn weer thuiskomt; (fig.) iemand die na lang wegblijven weer ergens opduikt of na lange tijd een 'verkeerd' leven geleid te hebben weer op het rechte pad is.
Iemand inhalen als de verloren zoon, iemand groots verwelkomen na lange afwezigheid.

De verloren zoon is een uitdrukking die niet letterlijk uit de bijbeltekst zelf afkomstig is, maar uit de titel die aan het betreffende verhaal is toegekend -- in de NBG-vertaling: De gelijkenis van de verloren zoon. De verbinding is gebaseerd op Lucas 15:32, en werd al in de Middeleeuwen gebruikt in de oorspronkelijk veertiende-eeuwse Spiegel der Sonden. We vinden haar ook in het inhoudsoverzicht van Lucas 15 in de Deux-Aesbijbel (1562) en de Statenvertaling (1637). Het verhaal over de verloren zoon is opgetekend door de evangelist Lucas. De jongste van twee zoons vraagt zijn erfdeel van zijn vader en trekt erop uit. De verlokkingen van de wereld zijn echter zo groot dat hij al zijn bezit erdoor jaagt en tijdens een hongersnood grote ontberingen lijdt. Dan besluit hij terug te gaan en zijn vader te zeggen dat hij gezondigd heeft en niet meer waard is zijn zoon te heten. De vader is zo blij met zijn terugkeer dat hij het gemeste kalf laat slachten -- iets waar de oudste zoon zeer jaloers op is. 'Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen' (Genesis 9:11, NBV). 'Mijn jongen,' zegt de vader dan tot zijn oudste zoon, 'jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden' (Lucas 15:31-32, NBV). Zie ook Kalf.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 134, 23-26. Sone, du best algedads met mi, ende al dat ic hebbe dats dijn. Mar nu moste wi eten ende blide sijn, want dijn bruder die was doet, ende hi es leuende worden; hi was verloren, ende hi es weder vonden.
[Als de hoofdpersoon zich na lang wegblijven weer bij het gezelschap voegt:] 'De Verloren Zoon is terug!' riep ridder Fitil. 'En het beste deel van het festijn komt nog: het gemeste kalf is geslacht! Goed eten voor ons allemaal!' (T. Dragt, Geheimen van het Wilde Woud, 1993 (1965), p. 87)
'Sijbren is mijn verloren zoon, die weer terug kwam maar toen wou hij het kalf niet dat ik voor hem van stal haalde. Ik wou niet aandringen, ik dacht dat ik hem zou beledigen.' (J. van de Wetering, Het veilige gevoel, 1983, p. 21)
Dan, jaren later, kijk ik uit mijn raam / en zie twee mannen, doodgemoedereerd, / als twee verloren zonen teruggekeerd, / mijn land bemeten. (N. Scheepmaker, De Gedichten, 1991 (De landmeters, 1987), p. 89)
De Zuidafrikaanse pers beschouwde het bliksembezoek als een grandioze overwinning op de ondergrondse verzetsbewegingen. Maar Breytenbach zelf trof eigenlijk geen blaam: hij werd binnengehaald als de verloren zoon. (Vrij Nederland, 4-9-1976)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoon ‘mannelijk kind t.o.v. de ouders’ -> Negerhollands soon, sön ‘mannelijk kind t.o.v. de ouders’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoon* mannelijk kind t.o.v. de ouders 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut