Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zool - (onderste van voet of schoen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zool zn. ‘onderste van voet of schoen’
Mnl. sole ‘sandaal, voetzool’ [1240; Bern.], Quod nemo werke zolen ... ‘dat niemand zolen bewerkt’ [1293; VMNW], saile ‘voetzool, sandaal’ [1477; Thes.]; vnnl. 't bloed Krimpt vande zool in 't beckeneel ‘het bloed trekt zich samen van de voetzool naar de hersenpan’ [1620; iWNT krimpen].
Ontleend aan Latijn sola, meervoud van solum ‘bodem, grondslag’, dat wrsch. verwant is met → zaal. De Latijnse meervoudsvorm werd als een vrouwelijk enkelvoud geïnterpreteerd. Schoenen met zolen kwamen door de Romeinen in onze streken in gebruik.
Evenzo ontleend zijn: os. sola; ohd. sola (nhd. Sohle); nfri. soal; oe. solu (ne. sole); alle ‘zool’. On. sóli is ontleend via het oe. of het mnd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zool [onderste deel van voet of schoen] {sole 1287} oudengels sole, oudsaksisch, oudhoogduits sŏla, gotisch sulja < latijn solea [sandaal], van solum [grond, vloer, voetzool, schoenzool].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zool znw. v., mnl. sōle v., os. ohd. sola (nhd. sohle), oe. sole (on. sōli is ontleend aan oe. of mnd.). — < lat. sola, o. coll. van solum ‘bodem, grondslag, voetzool, schoenzool’. Het lat. sola ging over in ital. suola, fra. sole ‘voetzool’; een afl. daarvan is lat. solea ‘sandalenzool’ (> got. sulja). — Men zou ook oerverwantschap kunnen aannemen, maar daartegen verzet zich het feit, dat schoenen met zolen eerst door romeinse invloed in gebruik kwamen.

Hetzelfde woord betekent reeds in het lat. platvisch > ital. soglia, spa. suela, port, solha, fra. sole, maar ook ne. sole, nzw. sola.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zool znw., mnl. sōle v. = ohd. os. sola (nhd. sohle), ags. sole v. (on. sôli m. is leenwoord) “zool”. Wsch. een oude ontl. uit vulgairlat. *sola “id.” (vgl. fr. sole “zool”), een bijvorm van latijn solea, waaruit vermoedelijk got. sulja v. “id.”. Minder wsch. is oerverwantschap van zool enz. met de woordgroep van lat. solea “zool”, solum “bodem, zool”, ier. sol, fol “bodem, zool”, gr. hulía “zool”, waarbij uit ’t Germ. nog ags. syll(e) v. (eng. sill), mnl. sulle, sille (nog dial.) v., mnd. sulle m. “drempel, grondbalk”, die echter ook uit lat.-rom. solea (> fr. seuil “drempel”) kunnen ontleend zijn, en ohd. swelli. o., -a v. (nhd. schwelle v.) “drempel”, on. svill (syll) v. “grondbalk”. Zie nog zuil. Voor een minder wsch. verklaring van lat. solum, die van *solo- inplaats van *swolo- uitgaat, zie bij zaal.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zool. Schrap de passage “die echter ook uit lat.-rom. solea.... kunnen ontleend zijn”. Zie ook nog zuil Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zool v., Mnl. sole, Os. sola, gelijk Hgd. sohle en Eng. sole, uit Lat *sola, terwijl Go. sulja uit Lat. solea = sandaal: z. zulle en zuil.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

zool: dom iemand; sufferd. Verkorting van het scheldwoord halve* zool.

Zool, dom of vreemd figuur: moet je die halve zool weer eens bezig zien! (Cor Hoppenbrouwers, Jongerentaal, 1991)
Er waren wat serieuze reacties, maar vooral TBS-zolen: ‘We zitten momenteel in detentie, we willen komen koken, maar kunnen jullie regelen…’ (Nieuwe Revu, 14/05/2003)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zool (Latijn solea)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zool, uit ’t Lat. sola (een vermoedelijke bijvorm van soled) = sandaal, afl. van solum = grond, bodem.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zool ‘onderste deel van voet of schoen’ -> Deens sål ‘onderste deel van voet’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors såle ‘onderste deel van voet, schoen of sok’ (uit Nederlands of Nederduits); Jakartaans-Maleis sol ‘schoenzool; materiaal om schoenzolen te vervaardigen’; Kupang-Maleis sol ‘schoenzool’; Madoerees ēssōl ‘schoenzool’; Menadonees sol ‘schoenzool; bepaalde dans’; Papiaments zol ‘onderste deel van voet of schoen’; Sranantongo sowl ‘onderste deel van voet of schoen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zool onderste deel van voet of schoen 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1312. Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten of zijn hielen) lappen (of plakken),

d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17de eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn schoenen. Zie Jord. 309: Haar zenuwachtige praatzieke opwinding lapte hij aan zijn laars; Het Volk, 15 Juli 1913, p. 1 k. 4: De S.D.P. heeft toen deze ‘grondwet’ aan haar laars gelapt en blijft tweedracht zaaien waar zij kan; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 1.: Als er een regeering was opgetreden, die de uitspraak der kiezers aan haar laars had gelapt; 24 Oct. 1913, p. 1 k. 4: Hij lapte het besluit van de volksvertegenwoordiging aan zijn laars; 20 Nov. 1913, p. 8 k. 2: De soc. dem. fraktie heeft zonder meer de eisch der vakorganisatie aan haar laars gelapt; Nkr. II, 29 Maart p. 2: En ten slotte zei ik toen, dat ik haar opinie aan mijn laars lapte; De Amsterdammer, 24 Mei 1914, p. 7 k. 3; Ppl. 74: Zij lapte alles aan d'r modderlaarzen; bl. 207: Ja of u nou nee zegt, dat lap ik toch amme laars; Nkr. IV, 13 Nov. p. 6; V, 5 Febr. p. 4; vgl. ook Kmz. 303: Trane, die 'k an me kont veeg, komedietrane; Dievenp. 126: Ik heb altijd als 'n brave schooljongen opgelet, maar ik lapte alle theorie aan m'n zool; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

Vraag je dan: Agent ga mee!
Daar wordt ginds gestolen,
Zegt hij daad'lijk: Mij 'n biet,
Dat lap ik aan mijn zolen.

Zevende Gebod, 55: Jouw brave engel lap ik an me zole! Lvl. 171: Ik wil 'r maar mee zeggen, dat 'k het heele leger aan m'n zool lap; Peet, blz. 353; Nkr. III, 5 Sept. p. 6; Schakels, 168: Jouw ondervinding! Die lap 'k an me botten! De Telegraaf, 10 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: Mars, de oorlogsgod, is de rechte er naar om alle Kerstengeltjes ter wereld aan zijn schoenzolen te lappen; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 457: Ik ben geen jonkheer! An me zolen 'r mee!; Jord. II, 62: An me sool links!; II, 176: An me linkerzool; II, 335: Maar de jonge meiden lapten alle vermaningen aan hun linkerzool; syn. ergens zijn botten mee of aan vegen, o.a. Handelsbl. (avondbl.) 6 Juni p. 5 k. 4: Literatuur veegt-ie an z'n botten; Sjof. 253: Maar met die praatjes, daar veegden-ie zijn botten mee af; Nkr. II, 15 Maart p. 2: De tyran schijnt er weinig om te malen, hij vaagt er zijn botten an; Het Volk, 14 Maart 1914, p. 5 k. 2: Onvervaard vaagden burgemeester Roëll en diens getrouwen hunne botten aan het advies der Schoonheidscommissie. - Van daar ook an me laars!, maakt dat een ander wijs! of ook: dat kan me niet schelen, o.a. Kmz. 176: Denk je dat 't liefde is? Liefde.... an me laars!; Jong. 145: Wijlui, vrouwe, motte d'r toch 't eerst in (in den schouwburg)! - An me laars! 'k Heb ook me cente betaald. - In denzelfden zin aan mijn kont, o.a. in Kmz. 375. Naast ik lap het aan mijn laars hoort men ook het laarst me nietVgl. Leuv. Bijdr. X, 182..

Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 304: aan iets zijn ende vagen; 1235: iemand of iets aan de zool van zijn schoe'n vegen, er zich niet over bekreunen, er mede lachen; Schuermans, 497 a en 325 b: iet aan zijn pollevieën, aan zijn achterlappen vegen; Antw. Idiot. 285: aan iet zijn botten vegen; ook zijn gat, zijn klooten aan iets vegen; Schuerm. 80 en Rutten, 41: zijne broek aan iets vagen (in Noord-Nederland: afvegen), zich om iets niet bekreunen, er den bliksem van geven; Teirl. II, 159; 169: an iemand of an iet zijn konte (of kodde) vagen (of wrijven), er zich niet aan gelegen laten; Harreb. I, 183: daar veeg ik mijn elleboog aan. In Twente: 't gat der an ofwisschen; fri. de kont er oan offeije; eng. to set a th. at one's heels. Zie no. 604.

2664. Iets aan de zoolen van zijn schoenen kunnen schrijven,

d.w.z. op iets niet behoeven te rekenen, vooral van schuldvorderingen gezegd. Vgl. Het Volk 18 Aug. 1915 p. 3 k. 2: Hij moet zich maar eenige offers getroosten, zijn verlofdagen moet hij maar aan de zolen van zijn schoenen schrijven; van betaling voor extra arbeid schijnt geen sprake te zullen zijn; fri. dat kinst mar onder 'e soal fen 'e skoech skriuwe, daar komt niets van te recht; syn. van iets op zijn buik kunnen schrijven. Zie Harreb. I, 103: Schrijf het op uw buik, dan kunt ge het met uw hemd uitwisschen; Schakels, 117: En de centen die je te wachten heb, ken je op je buik schrijven; L. Bakelmans, Zonnekloppers, bl. 36: We betalen potverdekke niks. Schrijf die pintjes maar op uwen buik.... die is dik genoeg. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1620: dat kunde op uwen buik schrijven en met uw hemdslip uîtvègen. Zie no. 151; 1312 en vgl. het vroegere, thans nog Zuidndl. iets in zijn doodboek schrijvenH. de Luyere, 27: Ghy meught die schuit in u dootboeck (vergeetboek) wel schrijven. Zie Ndl. Wdb. III, 2861.; afrik. dat kunt ge wel op uw pens schrijven; het lat. in aqua scribere; gri. καθυδατος γ ραφειν; hd. etwas in den Schornstein oder Rauchfang schreiben.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut