Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zooi - (ongeregelde hoeveelheid; kooksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zooi zn. ‘ongeregelde hoeveelheid; kooksel’
Mnl. suede ‘kooksel’ in sowie calc of ander dinc dat niet gherechte suede en ware, dade te sueden ‘wie kalk of iets anders liet koken wat geen echt kooksel is’ [1338; Stall. III, 331], zode ‘het koken’ in laken ter zoden doen ‘laken laten koken’ [1363; Stall. III, 331], ‘poel, put’ in die alreonreynste sooden die sy wisten ‘de allersmerigste modderpoel die zij kenden’ [1400-50; MNW], ‘kooksel, dat wat gekookt is’ in gheef mi van deser rode sode ‘geef mij van dit rode kooksel’ [1477; MNW]; vnnl. ‘hoeveelheid gekookt voedsel, maaltijd’ in Deze mist het brood uit zijn mond ...; gene verliest zijn wild werk; en ander zijn zô ‘deze verliest het brood uit zijn mond, gene raakt zijn wildbraad kwijt, en een ander zijn warme maaltijd’ [1661; WNT] sootje ‘betrokken personen’ in het heele sootie ‘alle betrokken personen’ [1663; WNT], soodje ‘hoeveelheid vis’ [1676; WNT]; nnl. zoodje, zootje minachtend voor ‘een bepaalde groep personen’ in Al de wyven van de heele buurt ... het heele zootje [1731; WNT] ‘grote hoeveelheid’ in haar kleinkinderen: ja: 't is een heel zootjen [1836; WNT], ‘de complete voorraad’ in Daar hebt gij het heele zoodje [1846; WNT], zo, zooi ‘hoeveelheid gekookt voedsel, maaltijd’ in Zoo, Zooi, Zode, eene hoeveelheid voedingsmiddel voor een maaltijd genoegzaam [1872; Van Dale], zootje ‘rommel, allegaartje’ in 't Is een treurig zooitje zoo bij elkaar [1897; WNT].
Afleiding van de stam van het ww.zieden ‘koken, in heftige beweging zijn’, met ablaut. Uit de vorm zode ontstond met d-syncope de vorm zooie, zooi, zoals bij rode > rooie; in de verkleinvorm zoodje, zootje stond de -d- niet tussen twee klinkers en is hij niet vervangen door -j-. De Middelnederlandse betekenis ‘poel, put’ kon ontstaan via ‘heftig bewegend water, opborrelend water’; de moderne betekenis ‘ongeregelde hoeveelheid, ongeregelde boel’ ontstond uit ‘bewegende, ongeregelde, massa’. Zie ook → rotzooi en zie → sudderen.
Mnd. sode ‘het koken, kooksel’; ohd. sōdo ‘onrustig gevoel in de maag’ (nhd. in Sodbrennen ‘maagzuur’); nfri. soad ‘kooksel’; < pgm. *sauþan-. Daarnaast met andere betekenis pgm. *sauþa- ‘bron, welput’ (via ‘het opborrelen’), waaruit: os. sōð ‘bron’ (mnd. sode); ofri. sāth ‘id.’ (nfri. saad); oe. sēað ‘id.’; nzw. dial. saud.
Ablautende afleiding van de wortel van → zieden ‘koken, in heftige beweging zijn’.
Hierbij hoort met nultrap bovendien pgm. *suda- ‘het koken; kooksel, brouwsel’, waaruit: mnd. sod; ohd. sod; oe. ge-sod ‘gerecht’; on. soð ‘brouwsel’.
Wrsch. horen hierbij ook on. sauðr ‘schaap’ en got. sauþs ‘brandoffer’ < pgm. *sauþi- (< ‘vleesoffer’ < ‘vleesbrouwsel’?).
waterzooi zn. ‘eenpansgerecht’. Vnnl. water-sootjen [1642; WNT]; nnl. Hoe men een Water Sooy kookt. Daar toe gebruykt men verscheydene soorten van Visch [1761; WNT], Gebruikt men kip in plaats van visch dan heet het kooksel waterzooi van kiekens [1954; WNT]. Gevormd met → water en zooi in de betekenis ‘kooksel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zo1*, zooi [het koken, kooksel, dat wat tegelijk wordt gekookt] {so(o)de, zode 1294} oudhoogduits sōd (hoogduits Sud); ablautend bij zieden (zood, gezoden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zo 1, znw., evenals zooi samentrekking van zode 1.

zooi znw. v., is een samentrekking van zode.

K. Heeroma Ts 61, 1942, 81-117 meent, dat de vorm van het woord zooi daaraan een soort onomatopoëtische waarde gegeven heeft en zo in verbindingen als rotzooi kon worden gebruikt (maar woorden als mooi en tooi hebben een dergelijke gevoelswaarde toch niet ontwikkeld).

zode 1 znw. v., meestal zo, zooi en verkleinw. zootje, mnl. sōde v. ‘het koken, kooksel, zootje vis’, Kiliaen ook ‘oprisping’. Daarnaast mnl. soot m. o. ‘kooksel, kokend water’ ook ‘poel, put’, mnd. sōt m. ‘kokend water, bron, put’, mhd. sōt m. o. ‘kokend water, het koken, borrelen, poel, put’, ofri. sāth m. ‘put’, oe. sēað m. ‘put, plas, poel’, noorw. dial. saud m. v. ‘het koken’, gotlands saud ‘put’, vgl. on. sauðr m. ‘schaap’ (omdat het als gewoon offerdier gekookt gegeten werd). — Afl. van zieden.

Een andere afl. met korte vokaal is ohd. gisod oe. gesod ‘het koken’, ofri. soth, on. soð o. ‘afkooksel’, mhd. sut m. (nhd. sud) ‘het koken, kooksel’, oe. sude m. ‘afkooksel’, mhd. sute, sutte ‘plas’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zode I znw., gew. zoo, zooi, demin. zootje (o.), mnl. sōde v. (demin. sootgen o.) “het koken, kooksel, zootje visch”, in den Teuth. en bij Kil. ook “oprisping” (nog zuidndl.). In de bet. “kooksel, kokend water” ook mnl. soot m. of o. (wsch. ook *soot “poel, put”; ’t mv. sooden komt voor) = mhd. sôt m. o. “id., het koken, borrelen, poel, put”, mnd. sôt m. “kokend water, bron, put”, ofri. sâth m. “put”, ags. sêað m. “id., plas, poel”, noorw. dial. saud m. v. “het koken”, gotlandsch saud “put”. Ablautend met zieden. De bet. “bron, put” is uit “het opborrelende” ontstaan; vgl. bron. Ndl. zode = mnd. sōde, sodde m. “het koken, zooveel als men in één keer kookt”. Verder nog met germ. u: ohd. gi-sod, ags. ge-sod o. “’t koken”, ofri. soth, on. soð o. “afkooksel”, mhd. sut m. (nhd. sud) “het koken, kooksel”, ags. syde m. “afkooksel”, mhd. sut(t)e v. “plas”; met au nog: mhd. sôte m. “het opborrelen”, mnd. sôde, ags. sêaða, sêada m. “borrelende beweging in de maag”, on. seyð v. “borrelende stroom”. Volgens sommigen hoort ook zode II hierbij.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zode 2 v. (wat gekookt wordt), Mnl. sode + Ohd. sod en Nhd. sud: van denz. st. als ʼt meerv. imp. van zieden. Hetz. w. bet. het zuur; in de bet. kokend water, bron, put (zooals in pompzode) is het eig. een ander w. met scherpl. o, Mnl. soot + Mndd., Mhd. sôt (Nhd. sod), Ags. séad, Ofri. sáth, van den stam van ʼt enk. imp. van zieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zoei, zaaien, zoeibranjen, zooibrennen, zoerbrand, zoerbranjen, zn. : zure oprisping. Br. zooi, zeu, Wvl. zo. Mnl. sode ‘het zuur, zure maagoprisping’, Vnnl. sode ‘brandend gevoel in de maag, zure oprisping’ (Kiliaan). Uit ww. zieden ‘koken’. Het maagzuur borrelt nl. naar boven zoals kokend water. Vgl. D. Sodbrennen ‘zure oprisping’, verduidelijkende samenst. met Sod ‘brandend gevoel in de slokdarm’ < Ohd. sôd. Zoerbrand, -branjen door volksetymologische associatie met zoer ‘zuur’, zoals ook in Ndl. zuurbranden.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

zooi 1, zeu, zn.: het zieden, koken, de kook, afkooksel, hoeveelheid vis. Ook Vlaams, vgl. Wvl. ‘n zootje vis. 1550 een zuede vischs, Gent (LC). Zo, zeu door d-syncope uit Mnl. sode ‘kooksel’, Vnnl. sode, siedinghe ‘kooksel’ < ww. zieden, zoden ‘koken’. D. Sud. Een zeu vis is dus een hoeveelheid vis die in één keer gekookt wordt. Samenst. waterzooi.

zooi 2, zeu, zn.: zure oprisping. Wvl. zo. Mnl. sode ‘het zuur, zure maagoprisping’, Vnnl. sode ‘brandend gevoel in de maag, zure oprisping’ (Kiliaan). Zoals zooi 1< ww. zieden ‘koken’. Het maagzuur borrelt nl. naar boven zoals kokend water. Vgl. D. Sodbrennen ‘zure oprisping’, verduidelijkende samenst. met Sod ‘brandend gevoel in de slokdarm’ < Ohd. sôd.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

zeu(e) zn.: jus, vleesnat. Dit is niet een dialectische uitspraak van Fr. jus < Lat. ius ‘vleesnat, saus, soep’, maar een var. van zoo (zie i.v.).

zoo 1, zoë, zooi, zeu zn.: vleesnat, jus, saus; afkooksel, kooknat; hoeveelheid groente voor een maaltijd, maaltijd’. Ook Ovl. zeu, zeui ‘het zieden, koken, de kook’, ook ‘hoeveelheid vis’. Vgl. Wvl. ’n zootje vis. 1550 een zuede vischs, Gent (LC). Zo, zeu door d-syncope uit Mnl. sode ‘kooksel’, Vnnl. sode, siedinghe ‘kooksel’ < ww. zieden ‘koken’. D. Sud. Een zeu vis/groente is dus een hoeveelheid vis of groente die in één keer gekookt wordt. Samenst. Gentse waterzooi.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

zeu 1 (G, ZO), zeui (ZO), zooi (H), zn.: het zieden, koken, de kook (ZO), afkooksel, kooknat (H); hoeveelheid vis (G). Ook Wvl. 'n zootje vis. 1550 een zuede vischs, Gent (LC). Zo, zeu door d-syncope uit Mnl. sode 'kooksel', Vnnl. sode, siedinghe 'kooksel' < ww. zieden 'koken'. D. Sud. Een zeu vis is dus een hoeveelheid vis die in één keer gekookt wordt. Samenst. waterzooi.

zeu 2 (B, W), zn. v.: zure oprisping. Wvl. zo. Mnl. sode 'het zuur, zure maagoprisping', Vnnl. sode 'brandend gevoel in de maag, zure oprisping' (Kiliaan). Zoals zeu 1< ww. zieden 'koken'. Het maagzuur borrelt nl. naar boven zoals kokend water. Vgl. D. Sodbrennen 'zure oprisping', verduidelijkende samenst. met Sod 'brandend gevoel in de slokdarm' < Ohd. sôd.

zoken (W), zn. o.: gelag. Dim. van zo, zode 'het koken, kooksel'. Uitdr. wie betaalt 't zoken betekent dus 'wie betaalt dat wat gekookt is?'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

zeu, zoi, zooi, zo maagzuur (Zuid-Nederland). = 16e-eeuws sode ‘oprisping’. Afl. van zieden ‘koken’. Vermoedelijk een produkt van de humoraalpathologie, zoals eczeem ‹‹ gr. ekzema (in het mv. ‘gloeiende blaartjes’) afgeleid van gr. ekzein ‘overkoken’.
TT 111 30-31.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zooi, zoo(i)tje ‘(grote, ongeregelde) hoeveelheid’ -> Duits dialect Sui, Süiken ‘menigte (vaak gezegd over slecht gezelschap)’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1770. Een pan,

d.i. een warboel; een keet, een rommel, een zootje; een herrie, een Hongarische boel (te LeidenNdl. Wdb. VI, 920.), een luidruchtig gezelschap (Molema, 552: Nou, 't was mie 'n hijle panne, 't was een vroolijk en luidruchtig gezelschap; Lvl. 35: Om half twaalf trekt de pan af, 't is weer rustig in huis). Vgl. Nkr. IV, 25 Dec. p. 4: Het leger is een rotboel, een ongezonde pan; V, 1 Jan. p. 3: 't Is een soepje, 't blijft een soepje, ook al komt een ander groepje, 't is en blijft een pan!; 22 April p. 4: Het was er zoo waar soms een pan; Grond. 38: Ja, 't is gewoonweg soms 'n pan in de klas; bl. 129: 't Was 'n dolle pan; Nw. School II, 327: As je geen orde houdt - dan krijg je een pan; Nederland, 1914, II, 6; 17. - Waarchijnlijk heeft pan deze beteekenis ontleend aan die van voedsel, dat zich in een pan bevindt, vandaar mengseltje, poespas, rommel; vgl. kliek, dat overgeschoten eten, en rommel, samenraapsel van menschen beteekent, bras, brui en zooi, eig. kooksel, rommel, pan; vgl. hd. die ganze Schmiere. In Zuid-Nederland beteekent het is eene pan, 't is mis, 't is mislukt; 't is er maar een pan mede, 't is er maar stillekens, maar slecht mee (Tuerlinckx, 493; Antw. Idiot. 937; Schuermans, 456); 't is eene pan, een prul, iets afkeurenswaardigs (Rutten, 169); ook eene halve panne (Schuermans, Bijv. 233 a), waarnaast in het Westvl. eene halve panne, van personen gezegd, die maar half gezond zijn of van zaken, die maar half lukken (De Bo, 825). Deze beteekenis van pan zal wel ontleend zijn aan de uitdr. ‘in de pan hakken’ (zie no. 1771).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal