Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zondag - (eerste dag van de week)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

zondag zn. ‘eerste dag van de week’
Onl. sunnadag in Ther sunne tach thar na ‘de zondag daarna’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. sonnendach, sondach in sondachs ende mesdachs ‘op zon- en feestdagen’ [1236; VMNW], Het was op enen sonnendach ‘het gebeurde op een zondag’ [1265-70; VMNW].
Samenstelling van → zon en → dag, als leenvertaling van diēs sōlis ‘dag van de zonnegod Sol’, dat weer naar het voorbeeld van Grieks hēmérā hēlíou met dezelfde betekenis is gevormd. De weekdagen waren door de Babyloniërs, en in navolging van hen door de Grieken en Romeinen, genoemd naar de goden van de planeten. Zondag is een van de vertalingen van de Latijnse namen voor de dagen van de week die in de Romeinse tijd in het Germaans zijn ingevoerd, zie → dinsdag.
Os. sunnondag (mnd. sunnendach, sondach); ohd. sunnūntag (nhd. Sonntag); ofri. sunnandei (nfri. snein); oe. sunnandæg (ne. sunday); on. sunnudagr (nzw. söndag).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zondag* [eerste dag van de week] {sondach 1236} vertalende ontlening aan latijn dies solis [dag van de zon], vertalende ontlening aan grieks hèliou hèmera [idem]. De uitdrukking een zondagskind sloeg op een kind dat op zondag geboren is en waarvan men vroeger geloofde dat het in de toekomst kon zien. Dit geloof is een kerstening van het oude Duitse ‘Donnerstagskind’ (van Thor).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zondag znw. m., mnl. sonnendach, sondach, os. sunnundag, ohd. sunnuntag (nhd. sonntag), ofri. sunnandi, sunnandei, oe. sunnandæg (ne. sunday) > on. sunnudagr is in de 3de eeuw vertaald naar lat. dies solis, dat zelf vertaald is < gr. hēméra hēliou. — In de kerktaal werd het woord in de 4de eeuw vervangen door dies dominica (naar gr. kyriakḗ) vgl. ital. domenica, fra. dimanche, oiers domnach en dit weer vertaald als ohd. frōntag, on. drōttinsdagr.

Opmerkelijk zijn de vormen gronings zundag en hindelopens sen(ne)dei, die W. de Vries Ts 44, 1925, 201 wil verklaren uit os. *sunnindag en ofri. *sennendei.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zondag znw., mnl. sonnendach, sondach (gh) m. = ohd. sunnûntag (nhd. sonntag), os. sunnundag, ofri. sunnandî, -dei, ags. sunnandæg (eng. sunday), on. sunnu(n)dagr m. “Zondag”. Vert. van lat. diês sôlis. On. drôttinsdagr m. “Zondag” is de vert. van lat. diês dominicus, -ica.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Zondag m., reeds Os., Ohd., Ags., Ofri. en On., vertaling van Lat. solis dies (solis, gen. van sol = zon); al de uren van de week waren bij 24 reeksen van zeven aan de zeven planeten (Zon, Venus, Mercurius, Maan, Saturnus, Jupiter, Mars) gewijd; iedere dag heet naar de planeet waaraan zijn eerste uur gewijd was.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

Sondag s.nw.
Eerste dag van die week, maar tradisioneel, asook volgens die internasionale afspraak in 1976 in Genève om Maandag as die eerste dag van die week te beskou, het dit die sewende en laaste dag van die week geword.
Uit Ndl. zondag (Mnl. son(nen)dach, so(e)nendach, soendach).
Ndl. zondag is 'n leenvertaling van Latyn dies solis 'dag van die son', so genoem omdat die dag in die heidense outyd aan die son gewy is.
D. Sonntag (9de eeu), Eng. Sunday (700).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Sondag snw. Segsw.: Dis nie aldag Sondag nie. – Ter Laan 4: ’t Is aal doagṇ gain Zundag! Vir ander uitdrukkinge in dieselfde betekenis sien Stoett no. 2391. Eckart 489: All Dage is kȇn Sunndag. Ol(denburg).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zondag (vert. van Latijn dies solis)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zondag ‘eerste dag van de week’ -> Ambons-Maleis Sondak ‘eerste dag van de week’; Chinees-Maleis sondakh ‘eerste dag van de week’; Japans † dontaku ‘eerste dag van de week; vrije dag’; Mohegan-Pequot zunatar ‘eerste dag van de week’; Negerhollands sondag ‘eerste dag van de week, heilige dag’; Berbice-Nederlands sondaka ‘eerste dag van de week’; Skepi-Nederlands sondak ‘eerste dag van de week’; Arowaks sondakha ‘eerste dag van de week’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) grossondag ‘grote zondag, speciale feestdag: Kerstmis’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zondag* eerste dag van de week 1236 [CG I1, 26]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal