Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zomer - (jaargetijde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zomer zn. ‘jaargetijde’
Mnl. somer ‘zomer’ in in den somer ‘in de zomer’ [1236; VMNW], eist te somere eist te wintere ‘hetzij in de zomer, hetzij in de winter’ [1237; VMNW].
Os. sumar (mnd. somer, sommer); ohd. sumar (nhd. Sommer); ofri. sumer, somer, semmer, simmer (nfri. simmer); oe. sumor (ne. summer); on. sumar (nzw. sommar); < pgm. *sumara- ‘zomer’.
Verwant met: Sanskrit sámā ‘seizoen’; Avestisch ham- ‘zomer’; Oudiers sam ‘zomer’, Welsh haf ‘id.’; Armeens am ‘jaar’, amaṙn (met hetzelfde r-achtervoegsel als in het Germaans?) ‘zomer’; Tochaars A ṣme ‘zomer’; bij de wortel pie. *sem- ‘zomer’ (IEW 905). De Indo-Europeanen rekenden oorspronkelijk met twee jaargetijden: zomer en winter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zomer* [jaargetijde] {somer 1236} oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors sumar, oudfries sumur, oudengels sumor; buiten het germ. oudiers sam, welsh haf, armeens am [jaar], amain [zomer], avestisch ham- [zomer], oudindisch sāma [jaargetijde, jaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zomer znw. m., mnl. sōmer m., os. ohd. sumar (nhd. sommer), ofri. sumur, oe. sumor (ne. summer) m., on. sumar o. — arm. amarn (< *sǝmǝrom), oiers sam, samrad ‘zomer’, oi. sama ‘halfjaar, jaar’, av. ham ‘zomer’ (IEW 905).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zomer znw., mnl. sōmer m. = ohd. sumar (nhd. sommer), os. sumar, ofri. sumur, ags. sumor (eng. summer) m., on. sumar o. “zomer”. Verwant met ier. sam “zomer”, arm. am “jaar”, amaṙn “zomer”, av. ham- “id.”, oi. sámâ- “half jaar, jaargetijde, jaar”; niet hierbij gr. hēméra, ēmar “dag”, waarbij de spiritus lenis ospr. is. Gaan we van germ. *sum-ru- uit, dan kan het woord formantisch door winter beïnvloed zijn of omgekeerd (vgl. arm. amaṙn “zomer”: jmeṙn “winter”, met gelijk formans). De combinatie van zomer met gr. hēmeros “tam” is te verwerpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zomer m., Mnl. somer, Os. sumar + Ohd. id. (Mhd. sumer, Nhd. sommer), Ags. sumor (Eng. summer), Ofri. sumur, On. sumar (Zw. sommar, De. sommer) + Skr. samâ = jaar, Av. ham, Arm. amaȓn, Oier. sam = zomer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zomer (zn.) zomer; Vreugmiddelnederlands somer <1236>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

somer s.nw.
1. Warmste jaargety tussen lente en herfs. 2. (fig.) Lewensjaar (gewoonlik in die uitdr. somers agter die rug hê).
Uit Ndl. zomer (Mnl. somer, sommer in bet. 1, 1721 in bet. 2). Een van die belangrikste gewestelike vorme is zeumer in Holland, Zeeland, Groningen en Limburg. Volgens Kloeke (1950: 97) sou 'n mens in Afr. die vorm seumer moet verwag. Volgens hom is somer dus nie van dial. herkoms nie, maar oorgeneem uit die leestaal, en wel uit die Statebybel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zomer (lange hete --) (vert. van Engels long hot summer)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zomer ‘jaargetijde’ -> Negerhollands somer ‘jaargetijde’; Papiaments zomer ‘jaargetijde’; Sranantongo sowmer ‘jaargetijde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zomer* jaargetijde 1236 [CG I1, 25]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1265. Eén bonte kraai maakt nog geen winter,

hetzelfde als één zwaluw (of één ooievaar) maakt nog geen zomer (Harreb. II, 146), d.w.z. men kan geen algemeene gevolgtrekking maken uit een enkel voorkomend geval, evenals men uit het verschijnen van een enkele bonte kraai kan besluiten, dat de winter in aantocht is of zeer koud zal zijn. Sedert de 16de eeuw is dit spreekwoord bekend; zie Servilius, 49*: een bonte craye en maect geenen winter; zoo ook bij Campen, 101: eene kreye can ghien colt winter maecken; bij Sart. I, 8, 61: een bonte kray maeckt geen koude winter; Spieghel, 286; Brederoo II, 369, 666: Een kray geen winter maakt; Sewel, 415; Tuinman I, 369; Rutten, 279; enz. De Franschen zeggen une hirondelle ne fait pas le printemps; de Eng. one swallow does not make the spring; hd. ein bunte Krähe macht kein Winter (Wander II, 1563); eine Schwalbe macht keinen Sommer (Wander IV, 412-413); mlat. una hirundo non facit ver; ver non una dies, non una reducit hirundo; gri. μια χελιδων ου ποιει εαρ (Aristoph.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal