Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoet - (niet zout, aangenaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zoet bn. ‘niet zuur of zout of bitter, aangenaam’
Onl. suoti ‘zoet’ in Thu samon mit mi suota nami muos ‘u die samen met mij zoet eten nam’ [10e eeuw; W.Ps.], is ther liumunt also suoze samo odor nardi ‘is de faam zo zoet als de geur van nardus’ [ca. 1100; Will.], ‘aangenaam’ in rouche uile sózen ‘zeer aangename wierook’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. suote amie ‘beminde vriendin’ [1220-40; VMNW], sute ‘zoet, dierbaar, aangenaam’ [1240; Bern.], zoete here ‘beminde Heer’ [1290; VMNW], zoet balausten ‘zoete granaatappel’ [1351; MNW-P].
Os. swōti (mnd. söte); ohd. suozzi (nhd. süß); ofri. swēte (nfri. swiet); oe. swēte (ne. sweet); on. sœtr (nzw. söt); alle ‘zoet’, < pgm. *swōti-, *swōtu-. Onder invloed van de ontstane klankverwante klinker is de -w- in het Nederlands, Duits en Scandinavisch weggevallen.
Verwant met: Latijn suāvis ‘zoet’, suādēre ‘overhalen’; Grieks hēdús ‘zoet’, hḗdesthai ‘zich verheugen’; Sanskrit svādu- ‘zoet’, svādate ‘zich verheugen’; Litouws sū́dyti ‘kruiden’; bij de wortel pie. *sueh2d- ‘smakelijk (worden)’ (LIV 606).
zoetsappig bn. ‘schijnbaar vriendelijk; zonder pit’. Vnnl. soetsaepich ‘lieflijk’ [1612; iWNT], van soet-sapigh hout ‘van hout met aangenaam smakend sap’ [1636; iWNT]; nnl. zoetzapig ‘opgewekt’ [1708; Sewel NE], zoetsappig ‘al te vriendelijk’ in ô ik ken onze naauwgezette zoetzappige Vrouwen van verstand! [1784; iWNT]. Gevormd uit → zoet en → sap met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoet1* [niet zout, aangenaam] {oudnederlands suoti 901-1000, middelnederlands soet(e), soyt [niet zout, lekker, aangenaam]} oudsaksisch swoti, oudhoogduits s(w)uozi, oudfries, oudengels swete; de w viel weg voor de oe, vgl. ook zoel1 en zoen; buiten het germ. latijn suavis, grieks hèdus, (< ∗swādus), litouws sūdyti [kruiden, zouten], oudindisch svādu- [zoet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoet bnw., mnl. soete ‘zoet, zacht, vriendelijk, aangenaam, lief’, onfrank. suoti, os. swōti, ohd. swuozi, suozi (nhd. süss), ofri. oe. swēte (ne. sweet), on. sœtr. — lat. suavis, gr. hēdús, oi. svadu- ‘zoet’, verder lat. suadēo ‘overreden’, gr. hēdomai ‘zich verheugen’, oi. svādate ‘zich verheugen’, lit. sūdyti ‘kruiden, zouten’ (IEW 1039).

De germ. grondvorm is *swōtu of *swōtia. — De wegval van de w voor de volgende oe evenals in zoel en zoen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoet bnw., mnl. soete “zoet, zacht, vriendelijk, liefelijk, aangenaam, lief”. = onfr. suoti, ohd. swuoʒi, suoʒi (nhd. süss), os. swôti, ofri. ags. swête (eng. sweet), on. sø̂tr “zoet”. Voor den anlaut vgl. zoel. Gaat evenals gall. suâdu- (in Suâdu-rîx e.dgl.), lat. suâvis “zacht, liefelijk”, gr. hēdús, dor. hādús “zoet”, oi. svâdú- “zoet, smakelijk” op idg. *swâdu- terug. Verwant zijn nog lat. suâdeo “ik raad aan”, gr. handanō “ik beval”, hḗdomai “ik verheug mij”, oi. svádati “hij maakt smakelijk, kruidt”, misschien ags. swatan mv. (schotsch swats) “bier”; verder met û-vocalisme lit. súdyti “kruiden, zouten”, oi. sûdáyati “hij maakt aangenaam, brengt in orde”. Ook got. sutis “rustig” zal wel verwant zijn (wsch. ŭ).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoet 1 bijv.(van smaak), Mnl. soete, Onfra. suoti, Os. swôti + Ohd. swuôʒi en suoʒi (Mhd. süeʒe, Nhd. süsz), Ags. swéte (Eng. sweet), Ofri. swéte, On. søtr (Zw. söt, De. sød): Ug. *swôtiz, waarnevens Go. suts: Ug. *sutiz + Skr. svāduṣ, Gr. hēdús (d.i. *swâdus), Lat. suavis (d.i. *svadvis): Idg. *su̯âdus: Idg. wrt. su̯ad = aangenaam zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zeut (bn.) zoet; Aajdnederlands suoti <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

soet: nie bitter, sout of suur nie; nie stout nie; aangenaam; welluidend; Ndl. zoet (Mnl. soete), Hd. süss, Eng. sweet, hou verb. m. Lat. suavis, “sag; lieflik”, Gr. (h)êdus, Dor. (h)adus, “soet” en Skt. svadu-, “smaaklik”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zoet ‘hoogst aangenaam’ (bet. van Latijn dulcis); ‘lief’ (bet. van Frans douce)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

zoet In 1858 gehoord in Drente, als zuut. Het gaat hier om ‘jenever of brandewijn met suiker’. De naam zal zijn ontstaan als verkorting van zoet glaasje of zoet zoopje. Ook de betekenis ‘zoetigheid, lekkernij’ zal een rol hebben gespeeld. Men sprak in Drente tevens van een zoete borrel.
Vergelijk snoepje en zure.

[Kocks 1493]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zoet, Os. swoti, van den Idg. wt. svad = goed smaken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoet ‘niet zout; aangenaam’ -> Duits dialect sutje ‘zacht, voorzichtig’; Petjoh soet ‘lief’; Negerhollands soet, sut ‘niet zout; aangenaam’; Berbice-Nederlands suti, sutu ‘niet zout; aangenaam, rustig, stil’; Papiaments sut, zut ‘niet zout’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoet* niet zout, aangenaam 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

367. Zoete broodjes bakken.

Men bezigt deze uitdr. wanneer iemand zich eerst over het een of ander sterk uitlaat, en naderhand zich gedwee en inschikkelijk toont (Weiland). De eig. bet. is: nadat men iemand iets onaangenaams te slikken heeft gegeven, hem wat lekkers klaar maken, om hem weer goed te stemmen; uit een ander vaatje tappen; vgl. het mnl. vladebackere, eig. koekebakker, fig. bakker van zoete broodjes, pluimstrijker, vleier; 17de eeuw vleibakker. Inde 17de eeuw: kleine (= fijne) broodjes bakken (o.a. in de Gew. Weuw. III, 20); evenzoo in de 18de eeuw in het Boere-krakeel, 157 en 205, en thans nog in Groningen en Drente: smalle, kleine broodjes bakken (Molema, 385 a; Bergsma 73). Voor Zuid-Nederland zie Rutten, 41 b: kleine broodjes moeten bakken, moeten onderdoen; waarnaast: met iemand brookens bakken, meer in vriendschap zien te komen (Schuerm. Bijv. 55 a); platte brooikens bakken (Schuerm. 47 b; Antw. Idiot. 304 en Tuerlinckx, 104); zoete boter spelen (Waasch Idiot. 138 a). Volgens Joos, 71 beteekent ‘zoete broodjes bakken’ bedriegen. In denzelfden zin als onze uitdr. kent men in het Westvl. den zoeting (of zoetingen) schudden, eig. zoete appelen schudden; trachten vrede te maken met iemand, dien men beleedigd of verbitterd heeft (De Bo, 1438). Zie ook Ndl. Wdb. II, 887; III, 1553; Slop, 88; Boefje, 149 en vgl. hd. Süszholz raspeln, Lebkuchen austeilen, übertriebene Artigkeiten (einer Dame) sagen (Schrader, 470).

1214. Iets voor zoete koek opeten (slikken of opnemen),

d.w.z. iets gewillig verdragen, doen alsof men het onaangename niet bemerkt; iets voor goede munt aannemen, iets goedwillig gelooven. De uitdr. schijnt eerst in de 19de eeuw voor te komen; zie o.a. Harreb. I, 426; Nkr. III, 14 Maart p. 4; Het Volk, 13 Febr. 1914, p. 5 k. 4; Nest, 53; 69; Sjof. 199; Het Volk, 6 April 1914, p. 5 k. 1: En denkt S.S. nu werkelijk, dat de lezers van ‘Het Volk’ alles voor zoete koek opeten? De Arbeid, 6 Dec. 1913, p. 3 k. 3: Zij nemen het voor zoete koek aan (gelooven het). Wel komt in Com. Vet. 70 voor: ‘Souw hy dan moghen van de Meers in de back schijten en laeten het voor koek op eeten’, doch hier treedt de letterlijke bet. nog op den voorgrond.(Aanv.) Zoetekoek, pain d'épice (Halma, 811).(Aanv.) Ndl. Wdb. X, 1055.)

Vroeger zeide men ‘Hy moet dat voor suiker opeeten’. Dat zegt men, als yemand iets moet verkroppen en verzwelgen, 't geen hem bitter en tegen de borst is, zonder dat hy eenig misnoegen of afkeer durft laten blijken’ (Tuinman I, 323). Vgl. hiermede Sart. III, 1, 7: hy neemtet al in 't goet, al voor suycker; Hooft, Brieven, 256 (iets in suiker opetenVgl. nog op Goeree en Overflakkée: Ietewat in suuker opete (zie N. Taalgids XIV, 251).); Pers, 351; 460: iets voor suycker opeten; Hooft, Verl. Soon, 28: voor suiker ineten; zie ook Poirters, Mask. 312; W. Leevend III, 37; Halma 457; V. Janus, 155; Ndl. Wdb. XI, 673; 889 (voor suiker en banket opkauwen; 17de eeuw); enz. Vgl. verder het Zaansche iets niet uiten zoete opkunnen en iets voor ruw hooi opeten, zich eene onaangename bejegening niet stilzwijgend laten welgevallen (Boekenoogen, 1090 en 1265); in het Friesch ik wol alles net for swiete koeke of in swiet sûkerparke (suikerpeertje) op-ite of opnimme; vgl. fr. avaler qqch doux comme du lait.

1410. Iemand met een zoet (of zacht) lijntje ergens toe brengen,

d.w.z. niet met geweld, doch op vriendelijke, kalme wijze iemand tot iets brengen of verleiden; eig. gezegd van een trekdier, een paard, dat met een zachten teugel (= lijn) geleid wordt. Vgl. Van Moerk. 450: Gy moet met een zoet lijntje by haar de vree zoeken; Hooft, Ned. Hist. 26: Immers by volken gewent met een zachte lyn geleidt te worden, als de Nederlanders; Pers, 141 a: Met een sachte teugel bestieren; 657 b: Met een soet lijntje; Van Effen, Spect. XI, 207: Hy is zo vol als een kartou; hy kan het niet langer op zyn beenen houden, en 't zou goed zyn hem met een zagt lyntje naar bed te krygen; V. Janus 3, 31: Langs een zoet lijntjen; Harreb. II, 32; Sjof. 40: Als jonge Miet uit d'r werkhuis kwam, moest die d'r met een zacht lijntje de deur uitdrijven; bl. 230: Als een krankzinnige, die met een zacht lijntje zijn huis uitgelokt, eindelijk merkt dat hij opgesloten is; Heyermans, Ghetto, 91: Met een zoet lijntje krijg je alles gedaan; Dievenp. 161: 'n Volgende (boef) troon je met 'n smoesje, 'n zoet lijntje naar 't bureau; evenzoo Ppl. 72; Het Volk, 27 April, 1914 p. 3 k. 1: De laatste was behoedzaam en trachtte den raad met een zoet lijntje mede te krijgen; Nierstrasz, 92: Eindelijk komt het sluitingsuur en worden de laatste plakkers met een zoet lijntje de deur uitgezet; Ndl. Wdb. VIII, 2344; fri. immen mei in sêft lyntsje ride. Bij Tuinman I, 242, staat hiervoor: met een zoet toomtje, dat we lezen bij Vierl. 159 (Hoe suldij soeter ende met soeter toompken het waeter connen zijn fortse benemen dan met een viercante zoode) en dat thans in Zuid-Nederland nog bekend is; zie Antw. Idiot. 1252; De Bo, 1167: met een zoet toomken, met zoetheid, met zachtheid. Evenzoo in het fri. mei in seafte team, bedaard, kalm.

2417. Een klein vischje, een zoet vischje,

d.i. een klein voordeel met weinig moeite verkregen is aangenamer dan een groot, dat verworven wordt onder veel zorg en met veel inspanning; ook in het algemeen gezegd van een klein, maar lekker hapje, of als men iets krijgt dat klein of van weinig beteekenis is (Boekenoogen, 1142Vgl. in het Land v. Aalst: de kleinste pillekens (suiker) zijn de zoetste (zei 't begijntje, maar ze pakte de grootste).); syn. van een klein winstje een zoet winstje (o.a. Nkr. VI, 9 Maart p. 2). Vgl. Servilius, 230: cleyn visken, goet visken, nullus malus magnus piscisZie voor dit Latijn Suringar, Erasmus, X.; Spieghel, 291: kleen vischjen, ghoed vischje; Mergh. 43; Cats I, 485: kleyn vischje, soet vischje; Winschooten, 332: Een klein visje, een soet visje, soo men seid, waar door te verstaan gegeeven werd, dat men met een kleindje beeter te vreede kan sijn, als sommige met haar groote: want luttel onderwinstl. onderwint? maakt groote rust; Tuinman I, 131: Van klein, doch gewis gewin, zegt men: een klein vischje is een zoet vischje; Sewel, 895: Een klein visje een zoet visje, to be contented with a little, gives a great deal ef ease; W. Leevend IV, 335; Van Eijk, II, nal. 52: een klein vischje, een zoet vischje, een kleine vangst, een goede vangst, of ook wel: tevredenheid met iets gerings, geeft groot genoegen; fr. toujours pêche qui en prend un; eng. still he fishes that catches one.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut