Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoen - (kus)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zoen zn. ‘kus’
Mnl. sune, soene v. ‘verzoening, zoenovereenkomst, zoenoffer’ (1240). In het oostelijk Nederlands, inclusief Limburg, en sporadisch ook elders, begint het woord tot ca. 1550 met sw-, bijv. swone, swoene (Brabantse Yeesten, 1460–80), swoenen (Coevorden, 1402), moetswoene ‘vrijwillige verzoening’ (Zutphen, 1357). Nnl. soene v. (1500), zoen m. (1519) ‘verzoening, genoegdoening’, soen m. ‘kus’ (1544, Antwerps Liedboek).
De betekenis ‘kus’ ontstond doordat verzoening soms met een kus bezegeld werd. De chronologie van de attestaties suggereert dat de betekenis ‘kussen’ het oudst is in het werkwoord, waarna het zn. zoen naast ‘verzoening’ ook ‘kus’ kon gaan betekenen. Het mannelijk geslacht kan door de wegval van onbeklemtoonde -e veroorzaakt zijn. In de moderne dialecten is zoen het Hollandse woord voor ‘kus’, terwijl Zeeland, Utrecht, Brabant en Noord-Limburg kos of kus gebruiken, zie van den Berg Taal en Tongval 4, 1952, 59-62, en Jan Stroop in Dialectatlas van het Nederlands, red. N. van der Sijs, 2011, 134–35. De wegval van w tussen medeklinker en ō is regelmatig in een deel van het Nederlands, zie s.v. zwoel.
Verwante vormen: Middelnederduits swōne, sōne v. ‘verzoening’, Oudhoogduits suona, Mhd. suone naast süene v. ‘vrede, verzoening; oordeel’, Nhd. Sühne (de umlaut in het Mhd. en Nhd. is analogisch naar het ww. sühnen), Oudfries ofsōne ‘zoengeld’, sōnbrēf ‘zoenbrief’. Uit Proto-Germaans *swō-nō- v. ‘zoenoffer’.
Het zn. *swōnō- is binnen het Germaans afgeleid van een ww. *swō-an- ‘offeren’ dat in Oudijslands sóa ‘vernietigen, offeren’ voortgezet wordt. De etymologie van *swō-an- ‘offeren’ is onduidelijk. Tot de mogelijke voorgangers behoren PIE *swoh1-e- (in welk geval het een iteratief ww. bij de wortel *seuh1- ‘in beweging zetten’ zou kunnen zijn) en PIE *swoh1-u-e- (een u-presens bij voorafgaande wortel).
zoenen ww. ‘kussen’
Mnl. soenen ‘zoengeld betalen, verzoenen, bijleggen’ (1237), Laatmnl. soenen ‘kussen’ (1481), montsoenre ‘die bevoegd is om een montsoene te sluiten, een verzoeningskus’, Vroegnieuwned. soenen ‘bijleggen, verzoenen, vergelden, tevredenstellen’, soenen ‘kussen’ (1573), ook ‘vrijen’ (1612). In het oosten ook de variant swo(e)nen, bijv. swoenlude ‘scheidsrechters’ (Noordoost-Nederlands, 1327), swonen (1434–36). Modern Roermonds verzeune toont i-umlaut.
Verwanten: Oudsaksisch (gi)sōnian, Middelnederduits swonen, Oudhoogduits suonen, Mhd. süenen, Nhd. sühnen en versöhnen (dialectvarianten), Oudfries sēna, senna, sinna ‘beslechten, verzoenen’. Uit Proto-Germaans *swōnjan ‘een zoenoffer brengen’, afgeleid van het zn. *swōnō-.
[Gepubliceerd op 02-07-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoen* [kus] {soen(e) [verzoening] 1237} naast middelnederlands swoen(e), met wegval van w voor oe, vgl. middelnederduits swone, oudhoogduits suona, oudfries sone, en de ww. oudsaksisch sonian, oudhoogduits suonen, oudfries sena; de betekenis ‘kus’ ontstond uit die van ‘verzoeningskus, vredeskus’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoen znw. m., mnl. soene, soen v. m. ‘verzoening’, mnd. sōne, ohd. suona (ohd. sühne), ofri. sōne; eerst sedert Kiliaen komt de bet. ‘kus’ op, eig. omdat een kus de verzoening placht te bezegelen. — Afl. van zoenen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoen znw., in de bet. “kus” sedert Kil. Van het ww. zoenen; laat-mnl. een soenen wordt voor “kus” gebruikt. Reeds mnl. zijn soene v., soen m. “verzoening, geldsom als afkoop van straf of herstel van schade” en soenen “verzoenen, bijleggen, zich verzoenen, een zoengeld betalen”. De bet. “kussen” ontstond, doordat de verzoening soms met een kus bezegeld werd. In gelijke bet. met soene, soenen mnl. swoene, swoenen (vgl. bij zoel). = ohd. suona (nhd. sühne naar ’t ww. sühnen; reeds mhd. süene naast suone), mnd. swône, sône, ofri. sône v., mnd. sôn m. “verzoening, het zoenen van een misdaad” resp. ohd. suonen (nhd. sühnen; met dial. vocaal-afwijking ver-söhnen), os. gisônian, ofri. sêna “een vergrijp zoenen, verzoenen”; vgl. noorw. dial. sôna “doen bedaren, bijleggen”. Hierbij misschien ook on. sôn v. “een der vaten, waarin de dichtermede wordt bewaard”, sôa “offeren, dooden”. Met ablaut noorw. dial. svaana “doen bedaren”, svæna “aflaten”. Men is wel van idg. swâ-n-, een anlautvariant van sâ-n- (waarvan lat. sânus “gezond”) uitgegaan: onwsch., zoowel wegens de bet. als den vorm: de ngerm. vormen met â, æ̂ > germ. ê wijzen op idg. swê-n-, swô-n-; hiervoor is geen goede etymologie gegeven; zie nog verzuimen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoen m., Mnl. soene, Os. werkw. sônian + Ohd. ww. suonen (Mhd. süenen, Nhd. sühnen), Ofri. sóne, ww. séna; hierbij ook Mnl. subst. swoene + Mndd. swône: oorspr. onbek.; wordt door sommigen met de bet. zoenoffer bij den wortel van zoel gebracht. De bet. kus ontstond uit die van verzoeningskus.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Zoen; kus, een enkele maal archaistisch = verzoening (een zoen treffen); het laatste is echter de oorspr. bet. In ’t mnl. zoene, zwoene = verzoening, boete. Waarschijnlijk is het verwant met gezond en het lat. sanus. Eigenaardig is de volgende plaats in v. Heemskerk’s Bat. Arcadia 163: “Na de kus des vriendelykheidts volgt de kus des vreedes; en dit is eygentlyk ’t geen wy soentjes noemen, waar mede men de geresene onlusten versoent en ter neder leidt”.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zoen (verzoening), van den Germ. wt. sa, Idg. sa: heel maken, herstellen, vandaar dat zoenen oorspr. bet.: herstellen, n.1. ’t onrecht, de misdaad, enz., hetzij door boete, hetzij door andere middelen; zoen is dan ook in het Mnl. boete, verzoening. Bij de verzoening werd een kus gegeven, vandaar dat zoen later ook kus bet.
Van hetzelfde grondwoord is ons gezond (= geheeld) familie, evenals ’t Lat. sanus = gezond.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoen ‘kus’ -> Duits dialect Suhne, Zuntje, Sühne ‘kus’; Indonesisch soen /sun/, sun ‘kus’; Ambons-Maleis (kasih) sun ‘een kus (geven)’; Jakartaans-Maleis sun ‘kus’; Kupang-Maleis (kasih) sun ‘een kus (geven)’; Menadonees (kasih) sun ‘een kus (geven)’; Minangkabaus sun ‘kus’; Ternataans-Maleis (kasih) sun ‘een kus (geven)’; Papiaments sunchi (ouder: soentji, zoentsje) ‘kus; schuimgebakje’; Surinaams-Javaans sun ‘kus’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoen* kus 1544 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut