Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zoeken - (trachten te vinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zoeken ww. ‘trachten te vinden’
Onl. suokan ‘trachten te vinden; nastreven’ in suokit got in libbun [sal] sela iuuua ‘zoek God en jullie ziel zal leven’, sia geuuisso an idulnussi suohtun sela mina ‘zij zochten zeker vergeefs mijn ziel’, thia suocunt uuel mi ‘degenen die mij kwade dingen willen doen’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. soeken [1237; VMNW].
Os. sōkian (mnd. soken); ohd. suohhan (nhd. suchen); ofri. sēka (nfri. sykje, siikje); oe. sēcan (ne. seek); on. sœkja (nzw. söka); got sōkjan; alle ‘zoeken’, < pgm. *sōkjan-.
Pgm. *sōk- gaat terug op pie. *seh2ǵ- ‘een spoor volgen’ (LIV 520), zie verder het ablautend verwante → zaak.
De algemene betekenis in alle Germaanse talen is ‘trachten te vinden (bijv. iets wat verloren is) of te verkrijgen (bijv. een betrekking, een huis, troost)’. Bij uitbreiding ontstond de betekenis ‘nastreven’, die in het Nederlands nog voorkomt in verbindingen als ruzie zoeken, maar die in bijv. het Duits algemeen is geworden in de afleiding versuchen ‘proberen, trachten’; ook modern Engels seek heeft als eerste transitieve betekenis ‘nastreven, proberen te bereiken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zoeken* [trachten te vinden] {oudnederlands suocan 901-1000, middelnederlands so(e)ken} oudsaksisch sokian, oudhoogduits suohhan, oudfries seka, oudengels secan, oudnoors sœkja, gotisch sōkjan, ablautend met zaak, vgl. hoen naast haan en vgl. oudengels soen [onderzoek, rechtszaak] en gotisch sokus [onderzoek, twistvraag]; buiten het germ. latijn sagire [(be)speuren], grieks hègeomai, (< ∗sageomai) [ik leid, loop vooraan], oudiers saigim [ik tracht te bereiken], hettitisch šak- [weten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zoeken ww., mnl. soeken, souken, onfrank. suocan, os. sōkian, ohd. suohhen (nhd. suchen), ofri. sēka, sēza, oe. sēcan (ne. seek, beseech), on. sœkja, got. sōkjan. — lat. sāgiō ‘speuren’, oiers saigim ‘opzoeken’, gr. hēgéomai (echter twijfelend Mezger KZ 62, 1935, 259). — Men zal moeten uitgaan van een bet. ‘op het spoor doen komen’ (dus eig. als jachtterm van de hond gezegd); de ontwikkeling tot ‘zoeken’ is gemeen aan het germ. en ital. — Zie verder ook: zaak.

Voor de verdeling der dialectische vormen vgl. L. G. de Graaf Taalatlas afl. 2, 8.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoeken ww., onfr. suocan, ohd. suohhen (nhd. suchen), os. sôkian, ofri. sêka, sêza, ags. sêcan (eng. to seek, to beseech), on. sø̂kja, got. sokjan “zoeken”. Verwant met ier. saigid “hij zoekt”, lat. sâgio “ik speur” (= got. sokja), gr. hēgéomai. “ik leid, meen”. De combinatie hiermee van oi. bhiṣáj- “arts” (bhi- dan = be-, bij) is hoogst onzeker. De oorspr. bet. van deze basis sā̌g- (ĝ?) schijnt “speuren” te zijn geweest; deze bet. staat zeer ver af van “strijden, met woorden strijden”, de bet. van de gelijkluidende bij zaak besproken basis; identiteit van deze bases ligt dus niet voor de hand. Toch is ’t opmerkelijk, dat got. sokjan ook “disputeeren” beteekent, welke bet. uit “speuren, zoeken, onderzoeken” verklaard kan worden; vgl. ook on. sø̂kja til “procedeeren met”. Ook kan de bet. “aanvallen”, die bij mnl. soeken en zijn equivalenten in andere talen voorkomt, een overgangsbet. zijn tusschen “speuren, zoeken” en “een rechtszaak hebben”. Als we voor germ. *sakanan verwantschap met zoeken aannemen, is ’t van ier. saigid “hij spreekt” te scheiden of dit = saigid “hij zoekt”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zoeken. De verwantschap met zaak, die zeer voor de hand ligt, is semantisch nog toe te lichten b.v. door ags. sôcn v. ‘onderzoek, rechtszaak’, got. sokns v. ‘onderzoek, twistvraag’.
(Slot). Over ier. saigid ‘hij spreekt’ zie zaak Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zoeken o.w., Mnl. soeken, Onfra. suocan, Os. sôkian + Ohd. suohhan (Mhd. suochen, Nhd. suchen), Ags. sécan (Eng. to seek), Ofr. séka, On. sǿkja (Zw. söka, De. søge), Go. sokjan: Germ. wrt. sak + Gr. hēgeῖsthai = leiden, Lat. sagire = zoeken, Oier. saigim = ik zoek: Idg. wrt. sag: z. zaak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zeuke (ww.) zoeken; Aajdnederlands suokan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zoeken (naar) (zocht, heeft gezocht), (ook:) 1. op zoek zijn naar, opzoeken. Hij is naar zijn vader komen zoeken. - De vrouw reageerde zoals hij verwachtte, en zei dat zijn vader niet thuis was (Vianen 1972: 109). - 2. achterna lopen. Ik was echt een prodo-boi [S, opschepper]: met vriendjes die me kwamen zoeken om samen dinges* te gaan kopen fo ze, lekkers; ik pronkend van trots (Cairo 1979a: 49). - 3. achterna lopen, het hof maken, (trachten te) verleiden (iemand van het andere geslacht). Ik wil geen jonge man op me hebben, want die kerels van deze tijd zijn geen goeie kerels. Zelfs op twaalfjarige leeftijd lopen ze al naar meisjes te zoeken (Doelwijt 1971: 18). Alles grijpen wat hij hebben kan! Ik geloof toch dat ditmaal die vrouw ’em gezocht heeft (Cairo 1976: 87). - 4. halen, ophalen. Vandaag was er een koelie* (Hindostaan*) hier. Weet je wat hij wilde? Je hebt hem gezien, nietwaar?Wel, hij wilde dat ik zijn schoonvader doodmaak, dus is hij een wisi* komen zoeken (Wooding 402). () ze was er nog niet en ik wilde niet alleen de bioscoop binnen lopen. Intussen was zij mij thuis in de Koningstraat gaan zoeken (Dobru 1967: 33). - 5. halen, vinden. Waar moet ik ieder ogenblik het geld gaan zoeken om voor je te koken? (Vianen 1971: 89).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zoekt en gij zult vinden, aansporing die zegt dat als men iets gedreven genoeg najaagt, men het ook krijgt.
Wie zoekt, zal vinden, uitspraak met dezelfde inhoud.

'Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden', zo spreekt Jezus in Matteüs 7:7-8, 'Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden' (NBG-vertaling). Zoekt en gij zult vinden is letterlijk uit deze passage overgenomen. Het spreekwoord wie zoekt, zal vinden is mogelijk hierbij gevormd. De uitdrukking komt in beide vormen nog veelvuldig voor. In de NBV is de taal gemoderniseerd: 'zoek en je zult vinden', 'wie zoekt vindt'.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 50, 24-27. Bidt, ende men sal v gheuen; sukt, ende ghi selt vinden; clopt, ende men sal v ontpluken. Want elc die bidt, hem sal werden ghegheuen, ende die sukt, hi sal vinden, ende die clopt, hem sal werden ontploken.
Hij was een archeoloog van het type 'zoekt en gij zult vinden'. (NRC, okt. 1994)
[Kop:] Brigt Rykkje [een schaatser] wil zijn grenzen ontdekken. Zoekt en gij zult vinden. (De Telegraaf, 20-11-1998)
Ze had nooit moeten komen, ze zocht haar ongeluk -- En vond het ook -- Zo is het, wie zoekt zal vinden -- Wie niet zoekt ook, het wacht je op... (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 87)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zoeken, van den Germ. wt. sok, Idg. sag = opsporen, vgl. Lat. sagire = opsporen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zoeken ‘trachten te vinden’ -> Deens † (interjectie) suk! suk spil! ‘commando aan boord: zich naar het spil begeven om dit te helpen draaien’; Zuid-Afrikaans-Engels soek ‘uit zijn op (ruzie)’ ; Javindo soeken ‘trachten te vinden’; Negerhollands soek, suk ‘trachten te vinden’; Berbice-Nederlands suku ‘wensen’; Sranantongo suku ‘trachten te vinden’; Aucaans soekoe ‘trachten te vinden’; Saramakkaans súku ‘trachten te vinden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zoeken* trachten te vinden 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2104. Soort zoekt soort,

d.w.z. menschen van gelijken aard zoeken elkanders gezelschap. Zoo in het Grieksch παν ζωον το ομοιον εαυτω αγαπησειJournal, 258; Montijn, 515; Archiv. XIII, 394.; bij Cicero, de Senect. c. 3 § 7: pares autem cum paribus veteri proverbi facillime congregantur; mlat. compar amat similem; ut sapiens fatur similis similem comitatur (Werner, 103); mnl. gelike (ghelijc) mint gelike (ghelijc); ghelijc suect sijns ghelijc; Campen, 14: ghelijck socht sich; ghelijck vindt sich; Servilius, 255: gelijc vindt men by gelijck; Prov. Comm. 365: ghelijck mint sijns ghelijck; Bebel, no. 485; Brederoo, Moortje 1184: Ghelijck soeckt zijn ghelijck; Tuinman II, 65: Soorte by soorte; C. Wildsch. II, 272: Gelijk zoekt gelijk; Joos, 152: Soort zoekt soort, zei de duivel, en hij vloog met den schouwvager weg; Breuls, 89: Den duvel zet zieg op ene schouweveeger; Waasch Idiot. 610 a; Antw. Idiot. 1147; Harreb. I, 166; Afrik. soort soek soort; mhd. ein ieglich suochet sîn glîchen, compar amat similem; quod amatur, amabit amantem; hd. Gleich und Gleich gesellt sich gernZeitschr. f. D. Wortf. IX, 297.; Gleich sucht Gleich; eng. like likes (or loves) like; kit will to kind; fr. qui se ressemble s'assemble; fagot cherche bourrée.

2125. Spijkers op laag water zoeken,

d.w.z. vitten, onbeduidende gronden aanvoeren; ook: uitvluchten zoeken, zwarigheden of bezwaren zoeken, waar er geen kunnen zijn, de egge op den tas gaan zoeken (Waasch Idiot 644 a). In werkelijken zin worden bij laag water aan de scheepstimmerwerven de spijkertjes, die bij het timmeren gevallen zijn, opgezocht (zie M.z.A. 17); vandaar bij overdracht: naar kleinigheden zoeken, die bijna niet te vinden zijn, vitten; en ook: nietige uitvluchten zoeken, bedenken om iets te verbergen of te ontkomen, of zooals men vroeger zeide mnl. musselen in die gootkijns soken of dat haer int oge soken (zie Coninx Somme, blz. 627); het futselboek zoeken (De Bo, 316 a); het bijltje (met den langen steel) zoeken (Ndl. Wdb. II, 2619); knorven in de biezen zoeken (lat. in scirpo nodum quaerere; Hooft, Brieven, 445; Ndl. Wdb. II, 2554); een speld in een hooitas (of een voer hooi) zoeken (Schuerm., Bijv. 127 a); een haartje in de boter zoeken, redenen vinden om te vitten of om twist te maken; Ndl. Wdb. V, 1400Eene andere verklaring vindt men in het Tijdschrift XVIII, 136.. In Zuid-Nederland onbekend. In 't fri. in splinter-siker.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut