Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zode - (plag)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

zode zn. ‘plag’ en zodde zn. ‘drassig land’
Zode kent twee klinkervarianten, oo en aa. De oudste attestaties betreffen Noordhollandse plaatsnamen, Saden bij Zaandam (ca. 1180) en in Sadenhorne (1130–1161 kopie ca. 1420). In het Vroegmiddelnederlands staat in het Vlaams het mv. saden ‘graszoden’ (1260, 1287) naast eenmaal soeden (datief mv.) ‘weiland’ (1251–1275). Zaden verschijnt later ook in de rekeningen van Gent (1336) en in Van Maerlant’s Spieghel Historiael, derde partie (1301–1325). Dit zade is een ontlening van de kustdialecten uit (een voorstadium van) Oudfries sātha m. ‘graszode’ (waaruit Modern Fries seadde), dat op Proto-Germaans *sauþan- wijst.
De aa-variant zit ook verborgen in Middelnederlands saddijc, saddic, zaddik ‘kuil of del die ontstaan is door het uitgraven van aarde ten behoeve van de ernaast gelegen dijk’, dat alleen in Noord-Holland voorkomt. Het bronwoord is Oudfries sāthdīke, saddik ‘land waar graszoden worden gestoken (om een dijk mee af te dekken)’. Een voorbeeld uit de statuten van Edam (1467) bevat zowel zoden als zaddick: soo wye enighe versche zoden gebrocht hadde op sijn werf of hofstede, die sal bewisen dat zaddick waer se ghedolven sijn.
In Laatmnl. rekeningen uit Zeeland, Holland en Utrecht verschijnt meestal sooden ‘graszoden’, dat tot op heden – als zoden – het overheersende meervoud is. Vanaf de 15e eeuw verschijnt ook zooyen, bijvoorbeeld in het spreekwoord Het brengt gheen soyen aen den dijck ‘Dat zet geen zoden aan de dijk’ (1552). Het enkelvoud soo vind ik voor het eerst in 1614 (Visscher, Brabbeling), een overeenkomstig d-loos meervoud zo’on bij Vondel. Zoals wel vaker in woorden van deze structuur heeft de schrijftaal de d bewaard of hersteld, vgl. rede, gade, bode. Het moderne dialect van Noord-Holland bewaart bovendien de d klankwettig: zood. Waaslands gasoeë ‘graszode’ en Zeeuws zôôe, zôôie (mv.) tonen aan dat de oo ‘scherplang’ was, dus uit Germaans *au voortkwam – en niet uit *u zoals nog in het NEW (1971) staat. Venloos en Kleverlands zooj ‘graszode (om te verbranden)’ moet dan juist wel weer een korte *u bevatten.
Verwante vormen zijn Middelnederduits sode, Vroegnieuwengels sodde, sod ‘zode’, en Mnl. sodde, sudde, Nnl. zodde, zudde ‘drassig land’. Zodde wordt o.a. omschreven als ‘slap en verend, bijna drijvend rietland’ waaruit laagveen ontstaat; daarnaast kan het ook ‘plag, zode’ betekenen. De overeenkomst in vorm en betekenis tussen zode en zodde is evident. De verschillende Germaanse vormen die eraan ten grondslag liggen (*sauþan-, *suþan-, *suddō-) komen overeen met bestaande varianten van de wortel *seuþ- van zieden ‘koken’. Van die wortel zijn verschillende woorden voor ‘bron, put’ en ‘kooksel, saus, bouillon’ afgeleid die dezelfde vormvariatie vertonen, bijvoorbeeld Ned. zooi < *sauþan- en Oudfries soth, Oudnoors soð ‘kooksel, soep’ < *suþa-. De betekenisovergang van ‘kooksel’ naar ‘drassig land’ en ‘graszode’ kan worden verklaard uit het feit dat ‘kookvocht’ meestal ingrediënten bevat waar de bouillon van wordt getrokken. Op die manier is – zo neemt men algemeen aan – uit *saudi- ‘vleesbouillon’ al in het Germaans de betekenis ‘kookvlees’ ontstaan die tot Oudnoors sauðr ‘schaap’ en Gotisch sauþs, -dis ‘brandoffer’ (namelijk van gekookt vlees) leidde. Bij zode en zodde kan de betekenis ‘drassig land, weiland, land met graszoden’ op metaforisch gebruik van ‘soep met stukken vlees erin’ berusten.
De scheiding die de recentere Ned. etymologica aanbrengen tussen zode ‘plag’ en zooi ‘kooksel’ is daarmee overbodig. Er is bovendien geen overtuigend alternatief. De verbinding met PGm. *sawwa- ‘sap’ die de Vries en de Tollenaere opperen verklaart noch de noch de klinkervariatie in zode en zodde.
[Gepubliceerd op 25-09-2014 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zode* [plag] {sode 1287} middelnederduits sode, oudfries satha, engels sod, mogelijk te verbinden met grieks huetos [stortregen], oudindisch sunoti [hij perst uit]; van een i.-e. stam met de betekenis ‘vocht’, mogelijk echter, evenals zo(oi), van zieden, hoewel de betekenisontwikkeling dan vragen oproept. Voor de uitdrukking dat zet zoden aan de dijk [dat brengt de zaak een stuk verder] vgl. middelnederlands soden setten [zoden aanbrengen om de dijk, die op het punt van doorbreken staat, te stutten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zode 2 znw. v. ‘graszode’, mnl. sode, dat zo wel kan teruggaan op germ. *suþō, als op *sauþō. Wat de eerste vorm betreft vgl. nnl. dial. zo (goerees), me. sode (ne. sod), wat de tweede aangaat mnd. sōde (nhd. sode), ofri. satha.

Gewoonlijk acht men het ’t zelfde als zode 1, ofschoon de semantische verhouding niet helder is. Misschien eerder te verbinden met idg. wt. *seu ‘vocht, sap’, vgl. oiers suth (< *su-tu-s) ‘sap, melk’ en ohd. sou, oe. séaw ‘sap’, nijsl. söggur ‘vochtig’, vgl. verder gr. húei ‘het regent’, oi. sunṓti ‘uitpersen’. — Het woord zode zou dan wijzen op de vochtigheid.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zode II znw. (plag), mnl. sode (ō, ô?) v.; germ. au hebben ofri. sâtha m., mnd. sôde (nhd. sode v.) “plag, zode”, germ. u > o echter nnl. dial. (Goer.) , meng. sode (eng. sod) “id.”; een semasiologisch meer bevredigende etymologie is niet gegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zode 1 v. (graszode), Mnl. sode + Eng. sod, met abl. Ndd. sôde (Hgd. sode) en Ofri. sátha: oorspr. onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

sooi s.nw.
Stuk gras wat met wortels en grond opgelig is.
Uit Ndl. zooi (Mnl. sode), 'n wisselvorm van zode. Volgens Boshoff - Nienaber (1967) is sooie vroeër vir brandstof uitgespit, dus is daar wsk. 'n verband met sooi in sooibrand.
Ndl. zode gaan met D. Sode en Eng. sod terug op 'n Indo-Germaanse grondvorm *seu- 'vog, sap'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

sooi: stuk grond wat uitgespit is; Ndl. zode (Mnl. sode, dial. zo/so), Hd. sode, Eng. sod – gras- en turfsooie is van oudsher vir brandstof uitgespit, dan wsk. verb. m. sooi in sooibrand; by vRieb zoden/so(o)den as mv.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zode ‘plag’ -> Engels sod ‘plag; grasland’; Duits Sode ‘plag’ (uit Nederlands of Nederduits);? Deens sadde ‘plag’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zode* plag 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

424. Dat brengt (of zet) geen zoden (of aarde) aan den dijk,

d.w.z. dat helpt, baat niet; dat brengt geen turf aan den wal (Harreb. II, 434 b); eig. dat brengt geen zoden om den dijk te stutten, die op het punt staat van door te breken (Gijsbr. v. Aemstel, 1288). In de middeleeuwen beteekende soden setten tegen de glooiïng van den dijk aanbrengen; zoden brengen om den dijk te stutten, die op 't punt staat van door te breken; zulke soden werden setsoden genoemdMnl. Wdb. VII, 1005; 1454.. De uitdrukking is in de 17de eeuw aangetroffen bij Vierlingh, 312: Zijluyden laeten hem duncken dattet verloren gelt is dat zij daeraen hangen (besteden) ende geene aerde aen den dijck en bringht; Vondel, Inwydinge van 't Stadthuis t' Amsterdam, vs. 735: Geen koejenujer maeckt de steên en dorpen rijck: de zeevaert bouwtze, en brengt eerst zoden aen den dijck; Winschooten 271: Dat en kan geen sooden aan den dijk setten: dat mag niet helpen: dat helpt soo veel, als een boon in een brouwketel; in W.D. Hooft's Clucht v. Jan Saly, 7 r:

 Al deetmen al syn best met nacht en dagh te spinnen,
 't Brenght geen soon anden dijck.

Ook bij Halma, 814 lezen wij: Dat brengt geen zooden aan den dijk, die winst kan niet verre strekken, c'est un petit profit, cela ne peut aider beaucoup; bij Sewel, 995: 't Brengt geen zooden aan den dyk ('t brengt geen voordeel aan), it doth not further the business, or it does not profit any thing; zie ook Tuinman I, 373; Harreb. I, 133 a; Ndl. Wdb. III, 2598; Nkr. VII, 21 Juni p. 6. De uitdr. is over geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Zij luidt in het Friesch: dat bringt gjin seadden oan 'e dyk; oostfri.: dat smit gên sêdden an de dik; voor het Zuidnederlandsch zie Joos, 88; Schuermans, Bijv. 4 a; 63 a; Volkskunde XI, 160; Waasch Idiot. 174 a; 792 a; Loquela 113.

Hosted by Meertens Instituut