Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zodanig - bn., (van dergelijke aard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zodanig bn., vnw. ‘van dergelijke aard’
Onl. zonder achtervoegsel so gedāna ‘van dergelijke aard’ in So gedane liude ‘zulke lieden’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. soghedaen, sodaen, sodanich in sodeneghe suptijlheit ‘dergelijke subtielheid’ [1276-1300; VMNW], soegedane macht ‘zulke macht’ [1291-1300; VMNW], Want minne es so daen van naturen Dat ... ‘want liefde is van zodanige aard, dat ...’ [1290-1310; MNW-R], so danech werc ‘zo'n kunstwerk’ [1340-60; MNW-R].
Afleiding met → -ig van het synonieme Middelnederlandse voornaamwoord sodaen, dat is samengesteld uit het voornaamwoord → zo en daen, het verl.deelw. zonder voorvoegsel van → doen. Zie verder → hoedanig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zodanig* [dergelijk] {sodanich 1276-1300} ook middelnederlands sogedanich, naast ouder sogedaen {1201-1225} middelnederduits sogedan, sodan, oudhoogduits so gitān, oudfries sadēn, sodēn; van zo2 + het verl. deelw. van doen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zodanig bnw., mnl. sôdânich, sôghedânich, naast ouder sôghedaen, mnd. sōgedān, sōdān (> de. saadan), ohd. gitān, ofri. sādēn, sōdēn, samenstelling van zo 2 en verl. deelw. van doen. — Een zelfde formatie zijn dusdanig en hoedanig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zoodanig bnw., mnl. sôdânich (gh) naast sôghedânich (gh) en ’t oudere sôghedaen. Evenzoo zijn dusdanig, hoedanig voor mnl. dus-, hoe-ghedaen in de plaats gekomen. Mnl. sôghedaen = ohd. sô gîtan, mnd. (ge)dân (> de. saadan), ofri. sâdên, sôdên “zoodanig”. Uit zoo I + ’t verl. deelw. van (ge-)doen. Vgl. nog welgedaan. Mnd. ook al sôdânich.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

danig bijv.en bijw., verkort uit zoodanig, uitbreiding met -ig van zoodaan (vergel. Mnl. dusdaen), waarin het v.d. zonder ge van doen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zodanig, † zodaan ‘aanwijzend voornaamwoord; dergelijk’ -> Fries sadanich ‘aanwijzend voornaamwoord; dergelijk’; Zweeds sådan ‘zo, zulk, zodanig, dergelijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands soodanig, soodaenig ‘aanwijzend voornaamwoord; dergelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zodanig* aanwijzend voornaamwoord 1276-1300 [CG Kerst.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal