Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zitten - (gezeten zijn, zich bevinden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zitten ww. ‘gezeten zijn, zich bevinden’
Onl. sitten ‘zitten, zich bevinden’ in thia saton an portun ‘degenen die in de poort zaten’ [10e eeuw; W.Ps.], thie nu mit friden sitzest ‘(jij) die nu in vrede leeft’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. sitten [1240; Bern.].
Os. sittian (mnd. sitten); ohd. sizzen (nhd. sitzen); ofri. sitta (nfri. sitte); oe. sittan (ne. sit); on. sitja (nzw. sitta); alle ‘zitten’; < pgm. *sitjan- < ouder*setjan-; daarnaast got. sitan < pgm. *setan-. Daarnaast het causatief pgm. *satjan-, waaruit → zetten. Zie ook → bezadigd, → drost, → havezate, → nest.
Verwant met: Latijn sedēre ‘zitten’ (in samenstellingen -sidēre, zie → dissident, → president, → subsidie), sīdere ‘gaan zitten’ (in samenstellingen ook ‘zetten’), sessiō ‘zitting’ (zie ook → sessie); Grieks hédrā ‘zetel’, hézesthai ‘(gaan) zitten’ (zie ook → katheder en → kathedraal); Sanskrit sī́dati ‘gaat zitten’; Litouws sė́sti ‘gaan zitten’, sėdė́ti ‘zitten’; Oudkerkslavisch sěsti ‘gaan zitten’, sěděti ‘zitten’; Oudiers saidid ‘zitten’; bij de wortel pie. *sed- ‘gaan zitten’ (LIV 513).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zitten* [gezeten zijn, zich bevinden] {sitten 1201-1250} oudsaksisch sittian, oudhoogduits sizzan, oudfries sitta, oudnoors sitja, gotisch sitan; buiten het germ. latijn sedēre, grieks hizesthai, (< ∗sizesthai) [zitten], oudiers saidid, welsh sedd [zetel], litouws sėdėti, oudkerkslavisch sěsti, oudindisch sīdati [hij zit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zitten ww., mnl. sitten, os. sittian, ohd. sizzen (nhd. sitzen), ofri. sitta, oe. sittan (ne. sit), on. sitja < germ. *sitjan naast got. sitan. — lat. sedēō gr. hízō (< sizdjō), oe. sidati (< *sizdati), av. hiðaiti ‘zitten’, oiers suide ‘het zitten, plaats om te zitten’, osl. sęda, sěsti ‘zitten’, lit. sė́dmi, sė́džiu ‘zitten’, toch. Ab sätk ‘gaan zitten’ (IEW 884-887). — Zie verder: bezadigd, drossaard, nest, zadel, zetel, zetpil en zetten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zitten ww., mnl. sitten. = ohd. sizzen (nhd. sitzen), os. sittian, ofri. sitta, ags. sittan (eng. to sit), on. sitja “zitten”, met andere praesensformatie got. sitan “id.” (vgl. liggen). Verwant zijn o.a. ier. sa(i)did “hij zit, gaat zitten”, mv. sedait, subjunctief en fut. seiss, lat. sedeo “ik zit”, gr. hézomai “ik ga zitten” (praesensstam als in ’t W.- en Ngerm.), obg. sěždą, sěděti “zitten”, lit. sėdmi (sėdżu), sėdėti “id.”, arm. hecanim “ik rijd” (?), oi. sad- “zitten, gaan zitten”. Vgl. bezadigd, drossaard, nest, zadel, zetel, zetpil, zetten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

roet. Verwanten buiten het Germ. zijn onbekend. Dat zowel roet als ags. hrûm m. ‘id.’ (ofri. het bnw. hrûmech ‘beroet’) zouden berusten op verlengingen van een idg. basis *qer- ‘zwart, donker’, die aan de bij harder Suppl. besproken woorden kan ten grondslag liggen, is een zeer vaag vermoeden.
Geheel onaannemelijk is dat roet op een of andere wijze zou vervormd zijn uit het rijmend synoniem mnl. soet (o.?) (nog zuidndl., o.), ags. sôt o. (eng. soot), on. sôt o. ‘roet’, dat evenals lit. súodžiai, súodžios mv. ‘roet’, bulg. saždy, russ. sáža ‘id.’ en — met andere vocaalphase — ier. suide ‘roet’ bij zitten (= ‘het zich vastzettende’) behoort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zitten ono.w., Mnl. sitten, Os. sittjan + Ohd. sizzen (Mhd. sitzen, Nhd. id.), Ags. sittan (Eng. to sit), Ofri. sitta, On. sitja (Zw. sitta, De. sidde), Go. zonder jod-suff. sitan: Germ. wrt. set + Skr. wrt. sad, Gr. hézesthai (d.i. *sed-i̯esthai), Lat. sedere, Oier. saidid, Osl. sěděti, Lit. sėdėti: Idg. wrt. sed, waarnevens ook een bijvorm set (Germ. seþ, seđ) moet bestaan hebben (z. zadel, zetel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zitte (ww.) zitten; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sitten, Aajdnederlands sitten <901-1000>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zitten. Een correspondent uit Gelderland kent in 1974 de verwensing ga maar op de blauwe steen zitten! met de betekenis ‘vlieg op, verveel me niet’. Hij tekent daarbij aan: “Op de Grote Markt in Nijmegen ligt een blauwe steen.” Een blauwe steen werd vroeger gebruikt om ter dood veroordeelden op terecht te stellen. In Leiden in de Breestraat vindt men ook nog zo'n blauwe steen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zitten, van den Germ. wt. set, Idg. sed = zitten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zitten ‘gezeten zijn; zich bevinden’ -> Javindo sitten ‘gezeten zijn; zich bevinden’; Negerhollands sit, set ‘gezeten zijn; zich bevinden’; Berbice-Nederlands sete ‘gezeten zijn; zich bevinden’; Skepi-Nederlands set ‘gezeten zijn; zich bevinden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zitten* gezeten zijn, zich bevinden 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

zittende klasse, zie citaat. Pejoratief.

Er is een zittende klasse ontstaan, een klasse van mensen die zich achter hun bureaus bezighouden met het bedenken, het maken en het communiceren van beleid. Het begrip ‘zittende klasse’ is afkomstig uit het gelijknamige boek van de socioloog Cees Schuyt. ‘De zittende klasse is verantwoordelijk,’ schrijft hij, ‘voor de uiteenspattende waterval van duizenden dagelijkse beslissingen, die over burgers genomen worden.’ Ze hebben, aan de functie-eisen van de personeelsadvertenties te zien, een academische opleiding, kunnen uitstekend met mensen omgaan, beschikken over een vlotte pen en babbel, hebben organisatorische kwaliteiten en genieten een bovenmodaal salaris. En ze hebben veel macht, beoogt Schuyt: ‘De leden van de zittende klassen stammen zeker niet meer af van de oude, bezittende klassen. Met kennis hebben ze macht en maatschappelijk aanzien verworven. Het zijn de gezichtsbepalende uitdragers geworden van de verzorgingsstaat.’ (HP/De Tijd, 25/06/93)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1302. Op het kussen zitten (- raken),

d.w.z. eene regeeringsbetrekking vervullen; in de staats- of stadsregeering zijn, aan het bewind zijn of komen. De hooggeplaatste regeeringspersonen zaten op kussens, voorzien van het wapen der stad, provincie, enz; vandaar deze uitdrukking, die voorkomt bij Anna Roemers Visscher, Sinnepoppen, 1ste schock, XXIII: Die beminders van het ghemeene beste, zeggen, datmen wel mach bidden dat rijcke en hoogh-ghebooren lieden wyse kinders krijghen, want zy raken op 't kussen; Jan Vos, Aran en Titus, bl. 17 (ed. 1662); Brederoo II, 189, 1076; Hooft, Ned. Hist. 29; 39 en vgl. Tuinman II, 156; Halma, 296; Sewel, 427; Ndl. Wdb. VIII, 610; Afrik. op die kussing sit. In Zuid-Nederland op de kussens zitten, geraken. Vgl. het fr. siéger, être assis sur les fleurs de lis, een hoog rechterlijk ambt bekleeden.

1880. Op zijn praatstoel zitten.

‘Dit zegt men van een praatvaêr, die als op een gemakkelijk stoeltje, of klapbankje, aan 't vertellen geraakt is’ (Tuinman I, 195); in de Zaanstreek en elders: op zijn lulstoel zitten of ook zijn lulsokken aanhebben (Boekenoogen, 598). Zie Van Effen, Spect. V, 214; VIII, 187; Br. v. Abr. Bl. I, 191 en vgl. Hooft, Brieven III, 422: Als jck op mijn revelstoel coom; J.v. Heemskerk, Arcadia, 66: Dat wy soo wel konden t'saamen kouten, als of wy op een praat-stoel daer toe geseten hadden. Bij Huygens, Hofwyck 359: De prate-banck, van zoden daer geplantt. In het mnl. op sinen clapstoel sittenMnl. Wdb.III, 1482.; ook was toen in denzelfden zin clapbanc bekend, dat in dial. nog voorkomt (Harreb. I, 31). In het fri. op 'e praetstoel sitte; in de Bommelerwaard op z&U0259;n&U0259;n pretterstoel zitt&U0259; (V.d. Water, 120); Maastricht: op zene klapstool zitte (Breuls, 86).

1915. Hij zit in de rats,

d.w.z. hij zit er in (zie Camera Obsc. : Gerrit Witse; Nw. School VIII, 36; 429; Ndl. Wdb. VI, 2231), hij zit in transes (D.H.L. 7Vgl. fr. être dans les transes, inquiétude mortelle. Hiernaast In trance(s) zijn, in verrukking, extase zijn; eng. to be in trance. Zie aldaar.), hij zit in verlegenheid, in de benauwdheid. Zie Opprel, 79; Amst. 97; Dievenp. 99; Nkr. III, 14 Febr. p. 4; Mgdh. 111; Kmz. 161; Jord. 135; Het Volk, 14 Febr. 1913, p. 8 k. 3; Breuls, 62; enz. Onder ‘rats’ verstaat, volgens Onze Volkstaal II, 120, de soldaat groente met aardappelen door elkaar gekookt (bv. wortelenratsVgl. Het Volk, 3 Jan. 1914, p. 9 k. 1: Wat meel en water, 'n stuk brood en nu en dan wat gestampte rats; Köster Henke, 56; D.v.S. 132.), ratjetoe (Onderm. 89; fr. ratatouille), waaronder in Noord-Holland verstaan wordt waterige soep, dunne spoeling (Bouman, 86). ‘In de rats zitten’, (van angst) in eene brijachtige massa (= stercus) zitten. Synonieme uitdrr. zijn in het Latijn in luto (d.w.z. slijk, drek) esse; in het Ndl. in de 16de eeuw in een bruwet (ragoût) zijn; vgl. verder in de piel, in de penaat, in de pekel (zie C. Wildsch. III, 329; M.z.A. 98; Nkr. V, 24 Juni p. 4), de piepzak (zie no. 1813), de boonen, de pik, de stront (fri. yn 'e stront), de schijt (De Bo, Joos en Rutten: in 't schijt zitten) naast met kak loopen (Teirl. 2, 101 a) en kak krijgen (Antw. Idiot. 610), in den of zijn stinkerd (Gunnink, 216; vgl. eng. funk, stank, verlegenheid), de pruimen (Nkr. IV, 6 Nov. p. 4; fri.: yn 'e prommen), de purée (in Handelsbl. 3 Nov. 1922 (O.), p. 5 k. 5; den draf (Hoeufft, 720), de dras (koffiedik), de soep, in 't roet (Molema, 352), de(n) broei (vleeschnat?; Ndl. Wdb. III, 1458), de bras (Ndl. Wdb. III, 1139), in de pluimen, in de puien (luiers; De Bo, 889 b; Loquela, 405), in de poepsche karn zitten, er slecht aan toe zitten (De Vries, 81), 17de eeuw in de luyeren (Hooft, Stijve Piet, 6 v) zitten; fri.: yn 'e brij, yn 'e brou sitte; bij Tuinman I, 156: Hy is in een derrigat geraakt; fr. être dans la pommade, dans le tabac; eng. to be in hot water, in a stew, in a sad pickle, in a mess, in the suds, in the soup (Amer.); hd. in die Tinte, in den Pfeffer geraten; in der Brühe, in der Schmiere sitzen; im Salz, im Dreck liegen; in der Patsche stecken; ndd. in den Rosen (stercus) sitten; in de Supp sitten.

2282. Aan de touwtjes trekken (of zitten),

d.w.z. het bewind der zaken in handen hebben, de lakens uitdeelen. Oorspronkelijk gezegd van iemand die door middel van touwtjes iets (marionetten?) in beweging brengt; daarna bij overdracht toegepast op iemand die in 't geheim de teugels in handen heeft, alles regelt en bestuurt (zie no. 1991); vgl. in denzelfden zin de draden der politiek (zie Ndl. Wdb. III, 3178). Zie Nkr. V, 10 Juni p. 3:

 Mijnheer, mijn Hoofd heeft mij doen weten
 Dat ik voortaan mij niet meer mocht vermeten,
 Aan kinderen de kennis te verstrekken
 Wie in ons landje aan de touwtjes trekken.

Nkr. V, 24 Juni p. 6: Bram Kuyper, die goocheme spullebaas die trekt - achter 't scherm - aan de touwen; Het Volk, 6 Febr. 1914 p. 7 k. 2: Een stevig protest tegen het drijven van verschillende personen, die achter de schermen aan de touwtjes trekken, zou zeker wel op zijn plaats zijn geweest; 22 Juni 1914 p. 6 k. 1: Die zelfde hulde komt aan Michels toe, die als administrateur alle touwtjes in handen heeft, naar alle hoekjes van de wereld toe; 9 Juni 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten; De Arbeid, 18 Maart 1914 p. 1 k. 2: De heeren die aan de touwtjes zitten, speculeeren op de onwetendheid van de massa. Aan het touwtje (of touwtjes) hebben, in zijn macht hebben; vgl. De Vrijheid, 9 Jan. 1924, 1ste bl. p. 4: Wel hebben de afgevaardigden der Ger. St. P. de broeders in den geloove aan het touwtje, om van aande-ketting-liggen maar niet te spreken; Groot-Nederland 1914 (Oct.) p. 443: Wij hebben de Beurs ook niet an touwtjes. En met kinderachtige dreigementen gaat 't fonds niet de hoogte in. Vgl. eng. to pull (on) the strings (or the wires); hd. die Fäden in der Hand haben; fr. c'est lui qui tient les ficelles, qu'on ne voit pas agir et qui fait agir les autres.

2655. Dat zit nog!

d.w.z. dat is nog zoo zeker niet; zoo ver zijn we nog niet; eig. daar is nog geen beweging in, dat is nog niet aan den gang (vgl. 17de eeuw die pankoek glijdt of schuift, die zaak gaat goed); vgl. Kippev. I, 300: Dat zit nog! zei de borstelmaker-ouderling; Slop, 91: Dat zit nog, riep hij ineens uit. Dat zit nog! Er zijnne geen bewijze; Het Volk, 2 Maart 1915 p. 1 k. 2: Als partij hebben we doorgaans alleen invloed op de partijgenooten en in vele gevallen zit zelfs dàt nog; Nw. Amsterdammer, 13 Maart 1915, omslag p. 2 k. 4: Ik bin toch seker in me recht? Nou, dat sit nog! aarzelt Wim; Menschenw. 35: Aa's jonker je sien, smait ie je krek 't hek uit.... Da sit nog.... da sit nog dolde nijdig-rood de kleine terug; bl. 412: Hep je hullie weer feur de ferbriek! - Nou, dà's sit nog; Nkr. VII, 19 Juli p. 2: Maar troost je, neef, die heeren mogen veel praatjes maken, de wetten maken ze niet. - Dat zit nog, oom; Falkl. VII, 89; Diamst. 32: Hoe ken je nou swemmen in swijnerij.... daar suig je ommers in vast. Nou dat sit nog!; Kmz. 60; 326; Taal en Letteren IX, 33; enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut