Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zinnen - (peinzen over)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zinnen [peinzen over] {sinnen, zinnen 1480} vermoedelijk < middelhoogduits sinnen [waarnemen, zijn gedachten richten op, verlangen], dat o.i.v. sin [gevoel, mening, zintuig] tot deze betekenis kwam, mogelijk echter komt sinnen eenvoudig van zin.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zinnen ww. sterk ww., alleen in oostelijke teksten als ‘verlangen, belening verzoeken’ < mhd. sinnen ‘waarnemen, verstaan; zijn gedachten richten op, verlangen’, dat wel onder de invloed van sin ‘gevoel, mening, zintuig’ enz. (zie: zin) tot deze betekenis zal zijn gekomen, ofschoon ook de mogelijkheid bestaat, dat het zich vanzelf ontwikkeld heeft uit de oudere bet. ‘reizen, gaan’, die ohd. sinnan nog heeft, vgl. het zwakke van *sinþa ‘weg, reis’ afgeleide ww. os. sīðon, ohd. sindōn, oe. sīðian, on. sinna ‘reizen, volgen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zinnen ww. Mnl. komt als sterk ww. sinnen slechts in oostelijke teksten voor. = “verlangen, beleening verzoeken”. Die bett. heeft ook mnd. sinnen. ’t Sterke nnl. zinnen “peinzen” is wsch. uit ’t Du. ontleend. Ohd. komt een sterk ww. sinnan voor met de bett. “reizen, trekken, streven”. Dit hoort bij germ. *sinþa- “reis, weg” (zie gezin en zenden); misschien uit een grondvorm met *sent-n-, Mhd. (nhd.) mnd. sinnen (sterk) “zijn gedachte op iets richten” (en verwante bett.) laat zich verklaren uit dit sinnan “streven”, als wij een sterken invloed van zin aannemen. Deze invloed is bij mnl. sinnen “streven naar, denken, bedenken, begeren, beminnen” zoo sterk geweest, dat het zwak geworden is; misschien echter moeten we ’t heelemaal niet met het hd.-ndd. sterke ww. identificeeren, maar voor een afl. van zin houden; evenzoo dan ’t zwakke mhd. sinnen “denken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zinnen. Ook ags. sinnan (sterk) ‘nadenken, zorgen voor’ = mhd. mnd. sinnen ‘zijn gedachte op iets richten’. Dat dit laatste = ohd. sinnan ‘reizen, trekken, streven’ is zeer waarschijnlijk. Invloed van zin (dat trouwens wsch. verwant is: zie zin Suppl.) kan hierbij hebben meegewerkt, doch vgl. voor de bet.-ontw. ook het bij zenden genoemde on. sinna ‘reizen, zich bekommeren om’. Het zwakke mnl. (mhd.) sinnen is stellig ten dele, misschien uitsluitend, als afl. bij zin te beschouwen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

zinnen (Duits sinnen)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zinnen peinzen over 1480 [MNW] <Duits

zinnen* naar de zin zijn, bevallen 1840 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut