Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zinken - (wegzakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zinken ww. ‘wegzakken’
Mnl. sinken ‘wegzakken, in het bijzonder naar de bodem van een water’ in hi lite hem sinken jndie minne dat hire jn baede ouer die kinne ‘hij liet zich wegzinken in de liefde zodat hij er tot over zijn kin in zat’ [1260-80; VMNW], inwert sinkt ... Ter herten toe ‘(het gezwel) zakt naar binnen tot aan het hart’ [1265-70; VMNW], sinken te gronde ‘zinken tot op de bodem (van de zee)’ [1276-1300; VMNW].
Os. sinkan; ohd. sinkan (nhd. sinken); ofri. sinka (i.t.t. de verwachte vorm *siunka, en dus misschien ontleend) (nfri. sinke); oe. sincan (ne. sink); on. søkkva (nzw. sjunka); got. sigqan; alle ‘vallen, dalen, zakken e.d.’, < pgm. *sinkwan-. Hierbij hoort het causatief *sankwijan- ‘doen zinken’, waaruit: mnl. senken (reeds onl. besenken); os. senkian (mnd. senken); ohd. senken (nhd. senken); oe. sencan; on. søkkva (nzw. sänka); got. sagqjan; alle ‘doen wegzakken, ten val brengen, tenietdoen e.d.’.
Verwant met: Grieks iáptein ‘neergooien, wegschieten’; Armeens ank- ‘vallen’; < pie. *sengw- ‘wegzakken, zinken’ (LIV 531).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zinken* [(weg)zakken] {sinken 1260-1280} oudsaksisch sinkan, oudhoogduits sinchan, oudengels sincan, oudnoors søkkva, gotisch sigqan; mogelijk zijn buiten het germ. verwant grieks heaphthè [zonk], litouws senku [ik zak], armeens ankanim [ik val].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zinken ww. mnl. sinken, os. sinkan, ohd. sinchan, (nhd. sinken), oe. sincan (ne. sink), on. søkkva, got. sigqan. — arm. ankanim ‘vallen, wijken’, gr. heáphthe ‘zonk’, van idg. wt. *sengu̯ (IEW 906); niet zeker of men verder verbinden mag met osl. isęknąti ‘afnemen’, lit. senkù, sèkti ‘vallen’, lett. sihku, sikt ‘uitdrogen’, oi. ásakra- ‘niet verdrogend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zinken ww., mnl. sinken. = ohd. sinchan (nhd. sinken), os. sinkan, ags. sincan (eng. to sink), on. søkkva, got. sigqan “zinken”. Verwant is wsch. arm. ankanim “ik val, wijk, neem af”. Mogelijk is de verdere combinatie met lat. sanguis “bloed” (vgl. on. dreyri m. “bloed”: got. driusan “vallen”). Naast idg. seŋg- neemt men een synoniem se(ŋ)q- aan voor gr. heáphthē “(het schild) viel”, obg. sęknąti “uitdrogen, ondieper worden”, lit. senkù, sèkti “zakken (van water)”, oi. á-sakra-, a-saçcát- “niet opdrogend”. Gr. heáphthē kan echter ook van seŋg- komen en van de andere woorden is ’t moeilijk uit te maken, in hoeverre ze van een basis voor “zakken” komen, in hoeverre ze met zengen op een basis se(ŋ)q- “droog worden, droog zijn, droog maken” teruggaan, waarvan eventueel ook nog ier. sesc, gr. iskhnós “droog” afgeleid kunnen worden. Dat zinken oorspr. i zou hebben en met zeiken of met av. hiγnav- “vrij van” verwant zijn, is weinig aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

zinken. Lat. sanguis ‘bloed’ zal wel niet verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zinken ono.w., Mnl. sinken, Os. sinkan + Ohd. sinchan (Mhd. sinken, Nhd. id.), Ags. sincan (Eng. to sink), On. søkkva (Zw. sjunka, De. synke), Go. sigqan, staat tot zijgen als blinken, wenken tot blijken en wijken.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zinken, van den Germ. wt. senq, ouder sinq, vermoedelijk een afl. (met neusklank) van den Idg. wt. siq = langzaam neervallen, zie Zijgen. Het woord w.d.z.: dalen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zinken ‘(weg)zakken’ -> Gã seke ‘anker’; Javindo sing ‘(weg)zakken’; Negerhollands senk, sink ‘(weg)zakken’; Papiaments senk (ouder: zink) ‘(weg)zakken, tot (weg)zakken brengen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zinken* (weg)zakken 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1524. De moed zinkt hem in de schoenen,

d.w.z. hij verliest den moed, hij laat den moed zakken; fri. de moed giet him yn 'e hakken sitten. Vgl. Marnix, Byenc. 190 a: Hy mochte de moedt heel ende al tot in de hielen laten sincken; Idinau, 266:

 Van sulcke de moedt in de schoenen sinckt
 Die, uyt vreese en anxt, den moedt verliesen.

Vgl. Vondel, Rosk. 48: Hoe sou sijn fiere moed hem in de schoenen sincken; Sart. I, 9, 39: Animus mihi in pedes decidebatZie Homerus, Ilias, O, 280: Ταρβησαν, πασιν δε παραι ποσι καππεσε θυμος., mijn moet sonck my in mijn knie; Tuinman I, 208: Zyn moed zakt hem in de hielen; Harreb. I, 308 a; III, 24 a; Suringar, Erasmus XII, en verder onze uitdr. den moed laten zinken, zakken; het hart zakt hem in de schoenen, waarnaast in Vlaanderen iemand het hart opdraaien, hem bemoedigen; zie Ndl. Wdb. IX, 917; Afrik. sy moed het in sy skoene gesink; vgl. no. 845.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut