Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

zingen - (met de stem muziek voortbrengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zingen ww. ‘met de stem muziek voortbrengen’
Onl. singan ‘zingen’ in an mi sungun thia druncun uuin ‘tot mij zongen zij die wijn dronken’, Singet gode ‘zing God toe’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. singhen in Vrolike si sungen ‘ze zongen vrolijk’ [1200; VMNW], singen [1240; Bern.].
Os. singan (mnd. singen); ohd. singan (nhd. singen); ofri. sionga, siunga (nfri. sjonge); oe. singan (ne. sing); on. syngva (nzw. sjunga); got. siggwan; alle ‘zingen’, < pgm. *singwan-.
Pgm. *singw- (< *sengw-) en *sangw- (zie → zang) zijn wrsch. verwant met: Grieks omphḗ ‘godenstem, profetie’; Welsh dehongli ‘uitleggen, verklaren’; < pie. *sengwh-, *songwh- (LIV 532). De uitgangsbetekenis zou dan ‘reciteren’ moeten zijn. De modulerende voordracht in de kerk leidde tot de betekenis ‘zingen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

zingen* [met de stem muziek voortbrengen] {oudnederlands, middelnederlands singen 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels singan, oudfries siunga, sionga, oudnoors syngva, syngja, gotisch siggwan [opzeggen, lezen]; buiten het germ. grieks omphè < ∗somphè [gedragen, plechtige stem (meest van god of orakel)].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

zingen ww., mnl. singhen, onfrank. singen, singin, singon, os. ohd. singan (nhd. singen), ofri. sionga, oe. singan (ne. sing), on. syngva, got. siggwan. — gr. omphḗ (met klanktrap van zang) ‘stem’ van idg. wt. *sengu̯h ‘religieus voordragen’ (E. Benveniste BSL 33, Nr. 99, 134). — Men moet dus uitgaan van de bet. ‘voordragen’ (die wij ook nog in het germ. vinden) en uit de modulerende voordracht in de kerkdienst ontstond dan ‘zingen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

zingen ww., mnl. singhen. = onfr. singen, -in, -on, ohd. singan (nhd. singen), os. singan, ofri. sionga, ags. singan (eng. to sing), on. syngva, got. siggwan “zingen”, in sommige talen ook met de bet. “voorlezen, verhalen” en voor verschillende geluiden gebruikt. Verwant is gr. omphḗ “stem” (*soŋg), dat denzelfden ablauttrap vertoont als zang.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

zingen o.w., Mnl. singhen, Onfra. singen, Os. singan + Ohd. id. (Mhd. singen, Nhd. id.), Ags. singan (Eng. to sing), Ofri. sionga, On. syngva, syngja (Zw. sjynga, De. sunge), Go. siggwan: in ʼt Go. = opzeggen, lezen; het kreeg de bet. zingen wellicht in de kerktaal, b.v. in het Evangelie zingen d.i. voorlezen; waarschijnlijk met nasaalinfix van denz. wortel als zeggen: vergel. zinken, blinken, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

zinge (ww.) zingen; Aajdnederlands singan <901-1000>.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

zingen. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen de verwensing ga elders zingen! Het ironische karakter van deze verwensing zit hem in zingen, dat eigenlijk staat voor ‘zaniken, zeiken’. De emotionele betekenis duidt op afkeer en kan weergegeven worden met ‘rot op’.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zingen, van den Germ. wt. sengw, dat een meer algemeene bet. had, bijv. in ’t Got. voorlezen, in ’t Ohd. kraaien, dus in ’t algemeen: geluid geven. Zie Zengen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

zingen ‘met de stem muziek voortbrengen’ -> Ambons-Maleis dialect singin ‘psalmzingen’; Negerhollands sing, sin ‘met de stem muziek voortbrengen; gezang’; Berbice-Nederlands singgi ‘met de stem muziek voortbrengen’; Sranantongo singi ‘met de stem muziek voortbrengen’ (uit Nederlands of Engels); Surinaams-Javaans singi ‘met de stem muziek voortbrengen; lied(je)’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Kun je nog zingen, zing dan mee [boektitel] (1906). De onderwijzers Jan Veldkamp (1868-1946) en Klaas de Boer (1865-1943) publiceren in 1906 de liederenbundel Kun je nog zingen, zing dan mee!, waarvan de titel spreekwoordelijk zou worden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

zingen* met de stem muziek voortbrengen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1412. Zingen als een lijster,

d.w.z. zeer mooi en vroolijk zingen. In de middeleeuwsche gedichten wordt meermalen van den zang van de lijster melding gemaakt, zooals in Flor. 2551: Daer mach men die lijstren horen clemmen ende nedergaen met harre stemmen. In de 16de eeuw was die zang reeds spreekwoordelijk; vgl. Sart. III, 3, 21: Sy singen als lijsters, en zie Huygens I, 167; Van Moerk. 56; Brederoo, I, 284; Harreb. II, 33; Ndl. Wdb. VIII, 2384. Syn. zingen als een kriek, een krekel (Halma). In het fri.: sjonge as in lyster; evenzoo in Zuid-Nederland; zie o.a. Antw. Idiot. 1489.

1390. Een kort liedje is spoedig gezongen,

d.w.z. eene korte smart is spoedig geleden; iets onaangenaams, dat kort van duur is, is gauw voorbij. Deze zegswijze wordt in de 16de eeuw aangetroffen in de Prov. Comm. 346: een cort liet es zaen ghesonghen, est cito cantatus cantus brevis apocopatus, dat gelijk is aan 331: een scandich brocke es gheringhe (spoedig) gheten; vgl. ook Bebel no. 338; Zegerus, 21: een cort liedeken is haest ghesongen, brevis cantilena cito absolvitur; Spieghel, 278; De Brune, 478; Tuinman I, 35; Harreb. II, 22. Syn. in 't nd. eene korte Niäse es lichte to snüten (zie Jahrb. 38, 160).

1736. Zooals de ouden zongen, piepen de jongen,

d.w.z. wat de ouden deden, volgen de jongen na; de kinderen volgen het voorbeeld van hunne ouders. Zie Servilius, 204*: so de oude songhen so pepen de ionghen; Campen, 86: soe als die olden singhen, soe pypen die iongen. In de 17de eeuw vinden we in de plaats van ‘pijpen’ ook piepen; o.a. bij Cats I, 238; De Brune, 180:

 Al wat de oude vooren zonghen,
 Dat piepen oock daer naer de jonghen.

Zie verder Spieghel, 267; Cats I, 41; Winschooten, 188; Tuinman I, 6; 92; Adagia, 56: Soo d'Ouders songen soo peypen de jongen; Harreb. I, 364 a; Villiers, 94; Ndl. Wdb. XII, 1541; 1744. Het is niet met zekerheid te zeggen of we piepen voor hetzelfde woord moeten houden als pijpen, fluiten, met de oude uitspraak van ij als î (vgl. grienen naast grijnen), dan wel of dit werkw. op nieuw als klanknabootsend woord is gevormd. Dit laatste is het waarschijnlijkst. Vgl. ook Waasch Idiot. 494 b; Joos, 151; Antw. Idiot. 1948; Huydecoper, Proeve I, 371-372; Taalgids V, 188; Eckart, 9-10; fri. hwet de âlden sjonge, dat piipje de jongen; Wander I, 58: wie die Alten sungen, zwitschern die Jungen; eng. as the old cock crows, so crows the young.

2465. Ieder vogel zingt zooals hij gebekt is,

d.i. ‘elke vogel zingt op zijne natuurlijke wijze; in toepassing op menschen, ieder spreekt of uit zich overeenkomstig zijn aard of den trap zijner beschaving’; Ndl. Wdb. IV, 393. Vgl. mlat. cantat avis quevis, sicut rostrum sibi crevit (Werner, 8); mnl. elc voghel singht soo hem den bec ghewassen is; Plantijn: Elck vogel singt soo hy gebeckt is, chasque oyseau chante ainsi qu'il est bechu; Goedthals, 58: elck vogelken singht also 't ghebeckt is, chascun oyseau desire sa nature et chante ce que nature luy a apris; Spreuken, 28: Hy calt als hem die nebbe ghewassen is; Anna Bijns, Refr. 13: Elc vogel singt nu, nadat hij gebect is; 51, 9: So den vogel gebect is, voorwaer so craeyt hij; Leuv. Bijdr. IV, 209; Sart. II, 6, 34; III, 3, 52; Spieghel, 279; V.d. Venne, 230: Yder Voghelken singht als het gebeckt is; Cats I, 524; Idinau, 17:

 Elck vogheltken singht, soo t' is ghe-beckt.
 Elck mensche spreckt, naer sijn ghevoelen.
 Zydy wijs, u tonghe naer t' beste streckt:
 Want een quae tonghe werckt wonder woelen.
 In 't helsche vier en is gheen verkoelen.

De Brune, 358; Paffenrode, 221; Tuinman I, 6; Adagia, 23; 41; Halma, 151: Elke vogel zingt zoo als hij gebekt is, chaque oiseau chante à sa façon, ou selon qu'il a le bec tourné; Harrebomée I, 44 b; Waasch Idiot. 236; Joos, 194: ieder vogel zingt naardat hij gebekt is; Taalgids IV, 268; Wander IV, 1652; Eckart, 547; hd. jeder Vogel singt darnach ihm der Schnabel gewachsen ist; fr. tel bec, tel chant; fri. eltse fûgel tsjottert nei 't syn bek is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut